Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0346

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
30-08-2002
Zaaknummer
AWB 00/3273, 00/3277
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / schoolgaande kinderen.

Niet is in geschil dat niet is voldaan aan de in TBV 1999/23 gestelde voorwaarden.

De president stelt vast dat verweerder in het kader van TBV 1999/23 geen beleid heeft ontwikkeld ten aanzien van schoolgaande kinderen. De vraag resteert dan ook of het ontbreken daarvan een factor is die zo zwaar weegt dat TBV 1999/23 een ontoelaatbaar manco vertoont. De president beantwoordt deze vraag ontkennend. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder in voorkomende gevallen van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid gebruik kan maken. Ook is van belang dat er geen tekenen zijn die erop wijzen dat verweerder in dit opzicht een beschikkingspraktijk heeft ontwikkeld die erop duidt dat de aanwezigheid van schoolgaande kinderen, ook wanneer niet aan de in het TBV vermelde voorwaarden wordt voldaan, een factor van belang is.

Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om advisering door de commissie van burgemeesters op grond van TBV 1999/23 niet in behandeling wordt genomen. Afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/3273 VRWET en AWB 00/3277 VRWET

inzake : A, verzoeker, en B, verzoekster, echtelieden, beiden verblijvende te C,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1965, en verzoekster, geboren op [...] 1970, bezitten beiden de Turkse nationaliteit. Op 29 november 1999 hebben zij elk een aanvraag ingediend voor verlening van een vergunning tot verblijf op basis

van de tijdelijke regeling witte illegalen als bedoeld in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23, mede ten behoeve van hun drie minderjarige kinderen. Bij afzonderlijke besluiten van 26 april 2000 heeft verweerder

op de aanvragen afwijzend beslist. Verzoekers hebben tegen deze besluiten gezamenlijk bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 10 mei 2000. Bij de uitreiking van de besluiten is kenbaar gemaakt dat uitzetting gedurende de periode dat

het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten. Verzoekers moeten er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij gezamenlijk verzoekschrift van 10 mei 2000 hebben verzoekers de president van de rechtbank verzocht de beslissingen van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen totdat in bezwaar is beslist op de

aanvragen om verlening van een vergunning tot verblijf. De gronden van het verzoek zijn ingediend bij brieven van 21 juni 2000 en 24 juli 2000. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 7 juli 2000 ter griffie

ontvangen. In het verweerschrift van 27 september 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en, met toepassing van artikel 33b Vw, tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2000. Verzoekers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam. Verweerder is aldaar vertegenwoordigd door gemachtigde mr. P.C.

Maes, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig een familielid van verzoekers en M. Çelik, tolk in de Turkse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de beslissing om de uitzetting niet achterwege te laten te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verweerder

bij onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing niet opweegt tegen het belang van verzoekers bij de gevraagde voorziening. De beslissing de uitzetting niet achterwege te laten is evenzeer onrechtmatig indien die beslissing in

strijd is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder b Vw onrechtmatig indien er

aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

2. Het in dit kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de uitzettingsbeslissing is niet bindend in de bodemprocedure.

3. De president gaat uit van de volgende feiten. Verzoekers hebben drie minderjarige kinderen te weten D, geboren op [...] 1988, E, geboren op [...] 1991 en F, geboren op [...] 1996, allen van Turkse nationaliteit. Verzoeker woont

sedert maart 1993 in Nederland. Verzoekster en de kinderen D en E zijn in 1995 Nederland ingereisd. Het jongste kind F is in Nederland geboren.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet voor toelating op basis van de tijdelijke regeling witte illegalen in aanmerking komen omdat niet is aangetoond dat verzoekers vanaf 1 januari 1992 ononderbroken

woonplaats in Nederland hebben gehad. Voorts is niet voldaan aan de voorwaarde dat verzoekers vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 in het bezit zijn geweest van een sofi-nummer. Niet is gebleken dat klemmende redenen van

humanitaire aard dan wel internationale verplichtingen tot toelating nopen.

5. Verzoekers menen dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen.

Daarbij beroepen zij zich op de tijdelijke regeling witte illegalen. Voorts stellen zij dat zij voldoen aan de ratio van het beleid dat vergaande mate van inburgering als uitgangspunt neemt. Aan de belangen van verzoekers dient een

groter gewicht te worden toegekend dan aan de belangen van verweerder. In dit kader is met name aangevoerd dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van de kinderen van verzoekers. De kinderen zijn in

Nederland opgegroeid en de oudste twee gaan alhier sinds 1995 naar school. Het jongste kind wordt sinds 1998 overdag naar een crèche gebracht. Een terugkeer naar Turkije betekent voor de kinderen een onoverkomelijke leerachterstand.

Hen rest aldaar dan slechts een marginaal bestaan. Een gedwongen terugkeer betekent een schending van (de artikelen 28 en 29 van) het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, uit welk verdrag voorvloeit dat de kinderen het recht

hebben hun opleiding in Nederland af te maken. Voorts zijn verzoekers de Turkse samenleving zo zeer ontwend en in zo vergaande mate in de Nederlandse samenleving geïntegreerd dat hun terugkeer in redelijkheid niet kan worden

verlangd. In Turkije zullen verzoekers een marginaal bestaan leiden, aangezien zij aldaar in de door werkeloosheid geteisterde provincie Kayseri, althans in het dorp Incesu, geen werk zullen vinden. In Nederland beschikken

verzoekers wel over inkomsten nu verzoeker werkzaam is in een bakkerij. Hierbij wordt opgemerkt dat in deze sector sprake is van een personeelstekort.

Ter zitting is het volgende aangevoerd. Niet wordt betwist dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat verzoekers vanaf 1 januari 1992 ononderbroken in Nederland woonplaats hebben gehad en dat verzoekers niet vanaf 1 januari 1992 in

het bezit zijn van een

sofi-nummer. In het kader van het sofi-nummer is evenwel gewezen op de huidige politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. In mei 2000 (de president begrijpt: november 2000) zijn Kamervragen gesteld over het vereiste van het

sofi-nummer.

Desgevraagd is namens verzoekers aangegeven dat het Verdrag inzake de Rechten van het Kind in zijn algemeenheid én artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

zich tegen de gedwongen terugkeer van schoolgaande kinderen naar Turkije verzet. De kinderen spreken thuis Nederlands. Verzoekster heeft een cursus Nederlands gevolgd. Verzoeker spreekt moeilijk Nederlands.

6. In het verweerschrift heeft verweerder het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. Verzoeker bezit pas sinds 1996 een sofi-nummer en verzoekster bezit geen sofi-nummer. De door verzoekers genoemde omstandigheden zijn geen grond

om te spreken van een zodanig schrijnende situatie dat in het verblijf van verzoekers in Nederland moet worden berust. Niet is aannemelijk geworden dat verzoekers zodanig in de Nederlandse samenleving zijn geïntegreerd en de Turkse

samenleving zodanig zijn ontwend dat hun terugkeer naar het land van herkomst niet kan worden verlangd. Daarbij is in aanmerking genomen dat verzoekers in Turkije zijn geboren en daar het grootste gedeelte van hun leven hebben

gewoond. Voorzover de situatie in hun land van herkomst minder rooskleurig is, is dat geen reden om, in afwijking van het beleid, aan verzoekers verblijf toe te staan.

Ten aanzien van de belangen van de kinderen merkt verweerder op dat verzoekers de keuze hebben gemaakt om illegaal naar Nederland te komen en hun kinderen hier te lande naar school te laten gaan, zodat de gevolgen van die keuze

onder hun verantwoordelijkheid valt. Daarbij wordt opgemerkt dat de oudste kinderen er indertijd kennelijk in zijn geslaagd de omschakeling naar de Nederlandse samenleving te maken, zodat het ontstaan van een onoverkomelijke

achterstand bij een terugkeer geenszins in de lijn der verwachtingen ligt. Verder is het niet aannemelijk dat het jongste kind, gezien de leeftijd, in de Nederlandse samenleving is geworteld. Het niet toestaan van verblijf in

Nederland levert geen schending op van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De kinderen hebben weliswaar recht op onderwijs, maar niet het recht op onderwijs in een specifiek door hen te bepalen land of in het land waar men

illegaal verblijft. De kinderen kunnen ook in Turkije onderwijs volgen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder gebruik dient te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.

Ter zitting is namens verweerder nog het volgende aangevoerd. Geen van de door verzoekers aangevoerde aspecten, noch de combinatie daarvan, kan tot toelating in het kader van het onderhavige beleid leiden.

Desgevraagd is aangegeven dat verweerder vasthoudt aan de regeling zoals neergelegd in TBV 1999/23. Een versoepeling ten aanzien van de ingangsdatum van het sofi-nummer valt niet te verwachten. Aan het aspect van schoolgaande

kinderen is in het onderhavige beleid geen expliciete aandacht besteed, het is geen wegingsfactor. Wel speelt dit aspect in zijn algemeenheid mee. Eerst indien aan de acht voorwaarden van het TBV is voldaan, kan echter worden

toegekomen aan de inburgeringstoets, waarbij de belangen van de kinderen aan de orde komen.

De president overweegt het volgende.

7. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

8. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

9. Een verzoek om advies wordt alleen in behandeling genomen indien is voldaan aan een achttal, in het TBV opgenomen, voorwaarden. Twee van deze voorwaarden zijn dat de vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992

ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland en dat hij vanaf die datum tot en met 1 juli 1998 een sofi-nummer heeft gehad.

10. Gelet op de stukken alsmede het verhandelde ter zitting stelt de president vast dat niet in geschil is dat verzoekers niet voldoen aan de in TBV 1999/23 gestelde voorwaarden.

Niet is gebleken dat verweerder het beleid ten aanzien van het vereiste van het sofi-nummer heeft versoepeld. Op 6 november 2000 zijn door de Tweede Kamer vragen gesteld over het sofi-nummer. Verweerder heeft op 15 november 2000 -

mede namens zijn ambtsgenoot van Financiën - geantwoord dat het stellen van onder meer de voorwaarde dat een vreemdeling dient te beschikken over een sofi-nummer geheel in lijn is met de ratio van het witte illegalenbeleid. De

president is van oordeel dat verweerder hiermee niet de grenzen van een redelijke beleidsregel heeft overschreden, en ook de voorwaarde van het sofi-nummer op goede gronden heeft kunnen tegenwerpen.

Voorts stelt de president vast dat verweerder in het kader van TBV 1999/23 geen beleid heeft ontwikkeld ten aanzien van schoolgaande kinderen. De vraag resteert dan ook of het ontbreken daarvan een factor is die zo zwaar weegt dat

TBV 1999/23 een ontoelaatbaar manco vertoont. De president beantwoordt deze vraag ontkennend. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder in voorkomende gevallen van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid gebruik kan maken. Ook is

van belang dat er geen tekenen zijn die er op wijzen dat verweerder in dit opzicht een beschikkingspraktijk heeft ontwikkeld die er op duidt dat de aanwezigheid van schoolgaande kinderen, ook wanneer niet aan de in het TBV vermelde

voorwaarden wordt voldaan, een factor van belang is.

Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om advisering door de commissie van burgemeesters op grond van TBV 1999/23 niet in behandeling wordt

genomen. In dit kader behoeft verweerder derhalve niet toe te komen aan de inburgeringstoets, zoals weergegeven in TBV 1999/23 onder punt 5, daar deze toets door de commissie van burgemeesters plaatsvindt. Gelet op het vorenstaande

heeft verweerder de aanvraag om toelating op grond van TBV 1999/23 op goede gronden afgewezen.

11. Niet is gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. In geval van schoolgaande kinderen is het aan de

vreemdeling om feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan gesproken kan worden van een zodanige schrijnende situatie dat daarom in het verblijf dient te worden berust. De enkele omstandigheid dat de

kinderen van verzoekers hier te lande sinds verscheidene jaren schoolgaand zijn respectievelijk overdag in een crèche zijn is onvoldoende om aan verzoekers om deze reden verblijf toe te staan. Voorts is niet aannemelijk geworden dat

bij terugkeer van verzoekers naar Turkije sprake is van een bijzonder schrijnende situatie. Voor de motivering verwijst de president naar het standpunt van verweerder weergegeven onder rechtsoverweging II.6 en maakt dit tot het

zijne.

12. Voorzover verzoekers zich op het standpunt stellen dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid, overweegt de president het volgende. Bij TBV 1999/23 is reeds sprake van uitzonderingsbeleid en

verweerder is daarom slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden gehouden van deze bevoegdheid gebruik te maken. Van dergelijke omstandigheden is de president in dit geval niet gebleken.

13. De stelling dat het niet toestaan van verblijf van de kinderen van verzoekers hier te lande in verband met het hier te volgen onderwijs in strijd zou zijn met het Verdrag van de Rechten van het Kind - de artikelen 28 en 29 in

het bijzonder dan wel het verdrag in het algemeen -, al dan niet in combinatie met artikel 8 EVRM, mist een deugdelijke juridische onderbouwing. Aan deze stelling zal derhalve voorbij worden gegaan.

14. Niet is gebleken dat het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing niet opweegt tegen het belang van verzoekers. Evenmin is gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met rechtsregels. Het

verzoek komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

15. De president acht geen termen aanwezig om, met toepassing van artikel 33b van de Vw, tevens over de niet-inwilliging van de aanvragen om toelating te beslissen. Hierbij neemt de president in aanmerking dat niet met voldoende

mate van zekerheid is te voorspellen hoe de uitvoeringspraktijk van verweerder zich, onder meer in gevallen van schoolgaande kinderen, in de bezwaarfase ontwikkeld zal hebben.

16. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de fungerend president niet

gebleken.

III. BESLISSING

De president

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2000 door

mr. W.J. van Bennekom, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. van Neer, griffier.

Afschrift verzonden op: 8 januari 2001

Conc.: IvN

Coll:

Bp: -

D: B