Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0331

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 00/6950
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / voormalig EU-onderdaan / vertrektermijn.

De vraag rijst of artikel 100 Vb impliceert dat de vreemdeling als voormalig gemeenschapsonderdaan een vertrektermijn had moeten worden gegund, alvorens hij in bewaring had kunnen worden gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat volgens de nationale regelgeving vertrektermijnen in het algemeen niet van rechtswege ingaan, doch dat deze met zoveel woorden, bij beschikking danwel anderszins, worden aangezegd. Voor de stelling van verweerder dat de vertrektermijn in dit geval wel van rechtswege zou zijn ingegaan, biedt de desbetreffende bepaling geen steun. De rechtbank acht te minder aannemelijk dat het hier een van rechtswege intredende termijn betreft, nu de bepaling lijkt te zijn gebaseerd op artikel 7 van de Richtlijn 64/221 EEG, dat onder meer bepaalt dat een besluit tot verwijdering aan een betrokkene wordt medegedeeld onder vermelding van de toegemeten vertrektermijn, die ingeval betrokkene nog geen verblijfsvergunning heeft ontvangen niet korter mag zijn dan 14 dagen en in de overige gevallen niet korter dan een maand. Een en ander brengt rechtbank tot de conclusie dat de vreemdeling, nu hij volgens verweerder ook geen actuele bedreiging van de openbare orde vormt, een vertrektermijn had moeten worden gegund van in beginsel vier weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/46

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

ex artikel 34j Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/6950 VRWET D

inzake: A, geboren op [...] 1955, van Franse nationaliteit, met onbekende woon- of verblijfplaats, hierna te noemen: de vreemdeling,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Zitting: 14 augustus 2000.

De vreemdeling is vertegenwoordigd door mr. G.G.A.J. Adang, advocaat te Utrecht.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. D. Kuiper.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Op 19 juli 2000 is de vreemdeling aangehouden op verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Op diezelfde datum is hij heengezonden, overgedragen aan de vreemdelingendienst en staande gehouden ingevolge artikel 19,

eerste lid, Vw.

1.2 Bij bevel tot bewaring van 19 juli 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, Vw in bewaring gesteld. Op diezelfde datum was reeds zijn uitzetting gelast.

1.3 Op 21 juli 2000 is de ingevolge artikel 26 Vw opgelegde conservatoire maatregel opgeheven en is de vreemdeling uitgezet naar Frankrijk.

1.4 Bij verzoekschrift van 23 juli 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op diezelfde datum, heeft de vreemdeling verzocht om toekenning van de schadevergoeding.

2. Overwegingen

2.1 Namens de vreemdeling is gesteld dat de bewaring onrechtmatig is om verschillende redenen, onder meer verband houdend met het feit dat hij gemeenschapsonderdaan is (geweest).

2.2 Verweerder heeft zich -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen bescherming (meer) toekomt als gemeenschapsonderdaan en dat de maatregel ook overigens rechtmatig is geweest.

2.3 De rechtbank stelt voorop dat zij niet tot het oordeel is kunnen komen dat -zoals namens de vreemdeling is gesteld- de vreemdeling voorafgaand aan zijn inbewarinsgstelling te lichtvaardig als verdachte van een strafbaar feit

is aangemerkt en evenmin dat de vreemdeling de hem op grond van artikel 82, vierde lid, Vb toekomende bevoegdheid om zich te doen bijstaan door een advocaat de facto niet heeft kunnen uitoefenen.

2.4 Ook de stelling van de vreemdeling, dat de bewaring onrechtmatig is omdat verweerder de diplomatieke vertegenwoordiging van Frankrijk niet van die bewaring in kennis heeft gesteld, onderschrijft de rechtbank niet. Artikel

85, tweede lid, Vb schrijft -voor zover hier van belang- voor dat verweerder de desbetreffende buitenlandse vertegenwoordiging van de tenuitvoerlegging van een maatregel op de hoogte stelt en wel op verzoek van de betrokken

vreemdeling. Nog daargelaten de vraag of schending van die bepaling tot gevolg heeft dat de maatregel onrechtmatig is, is gesteld noch gebleken dat de vreemdeling in dit geval een dergelijke verzoek heeft gedaan.

2.5 Het betoog van de vreemdeling dat de maatregel onrechtmatig is omdat hij gemeenschapsonderdaan is terwijl hij geen actuele bedreiging vormt voor de openbare orde onderschrijft de rechtbank evenmin, nu op grond van de stukken

en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat de vreemdeling de gestelde status bezat ten tijde van de inbewaringstelling.

De rechtbank acht wel aannemelijk dat de vreemdeling de begunstigde status eerder heeft bezeten, gelet op het feit dat de vreemdeling hier te lande in de periode oktober-november 1999 een maand lang werk voor een

uitzendbureau heeft verricht. Gesteld noch gebleken is evenwel dat de vreemdeling, die na het einde van die werkzaamheden een zoektermijn van zes maanden was gegund, in welke periode hij in beginsel zijn status als

gemeenschapsonderdaan behield, in of na die periode daadwerkelijk op zoek is geweest naar werk c.q. zicht heeft gehad op werk, zodat hij na ommekomst van die zes maanden in november 1999 aan richtlijn nr. 68/360/EEG (inzake vrijheid

werknemersverkeer) geen rechten meer kon ontlenen. Aan richtlijn nr. 73/148/EEG (vestiging en verrichten van diensten) kan de vreemdeling evenmin aanspraken ontlenen nu door de vreemdeling is gesteld noch is gebleken dat hij voor

het ontvangen van diensten naar Nederland is gereisd. Tenslotte kan de vreemdeling in casu evenmin rechten ontlenen aan richtlijn 90/364 en 365 EEG (het beleid inzake economisch niet-actieven), aangezien hij niet heeft aangetoond

over voldoende middelen van bestaan te beschikken.

2.6 Gezien het bovenstaande moet het ervoor worden gehouden dat de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling geen gemeenschapsonderdaan meer was.

2.7 Vervolgens rijst de vraag of artikel 100 Vb impliceert dat de vreemdeling als voormalig gemeenschapsonderdaan een vertrektermijn van vier weken had moeten worden gegund, alvorens hij in bewaring had kunnen worden gesteld,

hetgeen in dit geval is nagelaten.

Ter beoordeling van die vraag heeft de rechtbank verweerder bij brief van 25 augustus 2000 de navolgende vragen gesteld.

1. Artikel 100, tweede lid, Vb verwijst naar artikel 94 Vb, welk artikel evenwel is vervallen. Uit eerstgenoemde bepaling, bezien in samenhang met het eerste lid van artikel 100 Vb, lijkt te moeten worden opgemaakt dat

een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap een verblijfsrecht in Nederland bezat, na verlies van dat recht in beginsel eerst kan worden uitgezet na

ommekomst van een aan hem geboden vertrektermijn van vier weken.

B4/7.3.2 Vc 1994 (lees: B4/7.3.1) lijkt er evenwel van uit te gaan dat voormalige gemeenschapsonderdanen kunnen worden uitgezet nadat hen (ingevolge artikel 24 Vw) een redelijke termijn voor vertrek is geboden. Over

toepasselijkheid van artikel 100, tweede lid, Vb wordt daar niet gerept. Hoe verhoudt zich een en ander tot elkaar?

2. Indien in casu zou moeten worden aangenomen dat de vreemdeling gemeenschapsonderdaan is geweest en (in beginsel) artikel 100, tweede lid, Vb van toepassing was, is er dan sprake van een dringende reden als bedoeld in

het vierde lid van artikel 100 Vb? Zo ja, welke?

2.8 Verweerder heeft daarop bij brief van 6 september 2000 als volgt geantwoord.

1. Verweerder stemt in met uw lezing van artikel 100 leden 1 en 2 waarin wordt bepaald dat een gemeenschapsonderdaan eerst kan worden uitgezet na een vertrektermijn van vier weken. Verweerder verstaat deze bepaling

aldus dat vanaf het moment dat een EU-onderdaan niet langer kan worden beschouwd als verblijfsgerechtigd op grond van het gemeenschaprecht hij niet kan worden uitgezet dan nadat vier weken zijn verstreken sinds het moment dat zijn

aanspraken op grond van het gemeenschapsrecht zijn vervallen. In het geval een EU-onderdaan, bijvoorbeeld gedurende twee maanden reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte, hij vervolgens deze werkzaamheden heeft gestaakt en

overigens niet aannemelijk heeft gemaakt werkzoekend te zijn, treden vier weken na de beëindiging van de werkzaamheden de algemene regels met betrekking tot uitzetting in werking.

Op grond van B4/7.3.2. Vc 1994 kunnen gemeenschapsonderdanen slechts worden uitgezet op last van de Minister van Justitie, waarbij de rechtswaarborgen, inclusief artikel 100 Vb, in acht worden genomen. Uw vraag hoe

artikel 100 tweede lid Vb zich verhoudt tot B4/7.3.2, omdat over artikel 100, tweede lid, Vb niet zou worden gerept in B4/7.3.2. berust op een onjuiste lezing van laatst genoemde bepaling in de Vreemdelingencirculaire.

Verweerder heeft ter zitting betoogd dat betrokkene niet langer kon worden beschouwd als gemeenschapsonderdaan en dat zijn vertrektermijn na het vervallen van het verblijfsrecht op grond van het gemeenschapsrecht

reeds was verstreken.

2. Indien in casu zou moeten worden aangenomen dat de vreemdeling een gemeenschapsonderdaan is -quod non- dan was geen sprake van een dringend geval als bedoeld in artikel 100, vierde lid, Vb, nu van een dringend geval

als bedoeld in artikel 100, vierde lid, Vb onder meer sprake is voor zover de vreemdeling een actuele bedreiging van de openbare orde vormt.

2.9 Namens de vreemdeling is in reactie hierop gesteld dat de betreffende bepalingen uit de Nederlandse regelgeving voortvloeien uit onder meer artikel 7 juncto artikel 1 van de Richtlijn nr. 64/221 EEG. Artikel 7 geeft geen

steun aan de stelling van verweerder dat de vertrektermijn van een maand (niet: vier weken) gaat lopen op het moment dat een Gemeenschapsonderdaan niet langer kan worden beschouwd als verblijfsgerechtigd. Artikel 7 eist dat de

vertrektermijn wordt aangegeven in het besluit tot verwijdering van het grondgebied. De vreemdeling stelt dat een vertrektermijn aldus moet worden aangezegd en niet van rechtswege verstrijkt na ommekomst van enige termijn waarbinnen

appellant zijn rechten als Gemeenschapsonderdaan zou hebben uitgeoefend.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat volgens de nationale regelgeving vertrektermijnen in het algemeen niet van rechtswege ingaan, doch dat deze met zoveel woorden, bij beschikking danwel anderszins, worden aangezegd. Voor de

stelling dat de vertrektermijn in dit geval wel van rechtswege zou zijn ingaan, biedt de desbetreffende bepaling geen steun. De rechtbank acht te minder aannemelijk dat het hier een van rechtswege intredende termijn betreft, nu de

bepaling lijkt te zijn gebaseerd op artikel 7 van voormelde Richtlijn, dat onder meer bepaalt dat een besluit tot verwijdering aan een betrokkene wordt medegedeeld onder vermelding van de toegemeten vertrektermijn, die ingeval

betrokkene nog geen verblijfsvergunning heeft ontvangen niet korter mag zijn dan veertien dagen en in de overige gevallen niet korter dan een maand.

2.11 Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat de vreemdeling, nu hij ook volgens verweerder geen actuele bedreiging van de openbare orde vormt, een vertrektermijn had moeten gegund van in beginsel vier weken voordat

hij in bewaring werd gesteld. Dit betekent dat de maatregel onrechtmatig is geweest.

2.12 Het beroep is mitsdien gegrond.

2.13 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de vreemdeling in beginsel recht doen gelden op schadevergoeding over de periode 19 juli 2000 tot 21 juli 2000, behoudens gronden van billijkheid die tot matiging kunnen leiden.

2.14 Onder verwijzing naar de uitspraak van 17 september 1999 van het Gerechtshof 's-Gravenhage (kenmerk 180bijz99), stelt de rechtbank vast dat er in casu gronden van billijkheid aanwezig zijn die tot matiging van de

schadevergoeding leiden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de vreemdeling, toen hij voorafgaand aan zijn inbewaringstelling in aanraking kwam met de politie, zich niet kon legitimeren terwijl voor verweerder ook overigens niet

duidelijk kon zijn dat de vreemdeling de Franse nationaliteit bezat en voormalig gemeenschapsonderdaan was. In de gegeven omstandigheden heeft verweerder er dan ook vanuit mogen gaan dat er gronden waren om de vreemdeling in

bewaring te stellen. Eerst daags na zijn inbewaringstelling heeft de vreemdeling zich alsnog aan de hand van een paspoort gelegitimeerd. De rechtbank acht het dan ook billijk om de schade eerst met ingang van die dag te vergoeden,

hetgeen neerkomt op een schadevergoeding voor één ten onrechte in een politiecel doorgebrachte dag ad ƒ 200,-- (zegge tweehonderd gulden).

2.15 Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank voorts aanleiding om onder toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten ad ƒ1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het

verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 wijst het verzoek toe en kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat een vergoeding toe van ƒ 200,-- (zegge: tweehonderd gulden), uit te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank nevenzittingsplaats Haarlem moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.L. Grosheide, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk als griffier.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van ƒ 200,-- (zegge: tweehonderd gulden).

afschrift verzonden op: 28 december 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te

's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem.

Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.