Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0325

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/2979
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak / Failly-Koerd / vestigingsalternatief Noord-Irak.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging van de zijde van de Iraakse autoriteiten. Ten aanzien van zijn stelling dat hij alleen al vanwege het indienen van een asielverzoek buiten Irak te vrezen heeft voor vervolging , overweegt de rechtbank dat, voor zover eiser terzake vervolging zou hebben te vrezen, dit niet kan leiden tot vluchtelingschap omdat voor hem een binnenlands vluchtalternatief in Noord-Irak aanwezig is.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit de enkele omstandigheden dat er zich in Noord-Irak een (kleine) gemeenschap is van Failly-Koerden, er twee belangenorganisaties zijn die zich inzetten voor hun belangen en goede contacten hebben met de KDP en PUK, volgt dat eiser beschikt over gemeenschapsbanden als bedoeld in de brieven van de UNHCR d.d. 11 december 1998 en 14 juni 1999 en de REK-uitspraken d.d. 20 maart 2000.

Uit het ambtsbericht van 12 april 2000 kan worden opgemaakt dat er een kleine gemeenschap van Failly-Koerden in Noord-Irak bestaat. Het ambtsbericht geeft echter geen informatie over de omvang, aard en locatie van deze gemeenschap. Evenmin is duidelijk onder welke omstandigheden leden van deze gemeenschap in Noord-Irak verblijven en of zij bereid zijn om gemeenschapsleden uit Centraal-Irak te ondersteunen op een manier die hen in staat stelt aldaar een menswaardig bestaan op te bouwen.

De rechtbank is op grond van de beschikbare informatie van oordeel dat Failly-Koerden die niet (van oorsprong) afkomstig zijn uit Noord-Irak in beginsel geen vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, tenzij op grond van individuele feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat zij wel beschikken over voldoende banden in het gebied om toegang te kunnen krijgen tot de essentieel te achten basisvoorzieningen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/S101

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 00/2979 VRWET Z VB

uitspraak:

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1973,

verblijvende te B,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 9801.07.2029,

eiser,

gemachtigde: mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 7 januari 1998 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 28 augustus 1998, uitgereikt op 13 oktober 1998, heeft verweerder de aanvragen

niet ingewilligd en aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 3 november 1998 bezwaar gemaakt.

1.3 Eiser is op 24 augustus 1999 gehoord door een ambtelijke commissie.

1.4 Bij beschikking van 14 december 1999 is de voorwaardelijke vergunning tot verblijf van eiser ingetrokken.

1.5 Eiser heeft hiertegen op 13 januari 2000 bezwaar gemaakt.

1.6 Bij beschikking van 23 februari 2000 heeft verweerder beide bezwaren ongegrond verklaard.

1.7 Bij beroepschrift van 29 februari 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 3 juli 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.G.F. de Brauwere.

1.8 Bij uitspraak van 21 juli 2000 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

1.9 Openbare behandeling van het beroep door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 september 2000. Eiser is daarbij niet in persoon verschenen, doch heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden

hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden

toegelaten.

2.3 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvragen, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Eiser is een Faily-Koerd uit Baghdad. Hij werkte in een familiebedrijf dat op veilingen inventarissen opkocht en vervolgens weer verkocht. Op 3 maart 1997 was er in Baghdad een executie-verkoop die door de Iraakse autoriteiten was

georganiseerd. Eiser heeft op zijn naam goederen gekocht. Hij kreeg een lijst van de gekochte goederen en binnen een maand heeft hij alle goederen opgehaald. Op 20 of 21 april 1997 is eiser voor zaken naar Basrah vertrokken. Op 27

april 1997 heeft eiser naar huis gebeld. Zijn moeder vroeg hem om het telefoonnummer van het hotel zodat de oom van eiser hem kon terugbellen. De oom vertelde dat hij naar Basrah zou komen en aldaar verder met eiser zou spreken. Op

29 april 1997 kwam de oom bij eiser langs in het hotel. Hij vertelde dat de vader van eiser op 25 april 1997 was opgepakt op verdenking van diefstal van staatseigendommen, destructie van de staatseconomie en het betalen van

smeergeld aan ambtenaren in functie. Het arrestatiebevel stond op naam van eiser omdat die de koop had gesloten. De persoon die de lijst met goederen van de verkoop op 3 maart 1997 had opgesteld was opgepakt wegens het aannemen van

smeergeld. Op 3 mei 1997 is eiser vertrokken van Basrah naar Khaneqin, waar familie van zijn vader woont. Hij is daar ondergedoken tot 15 december 1997. De veiligheidsdienst was tijdens die periode op zoek naar eiser. Tijdens zijn

verblijf in Khaneqin heeft de veiligheidsdienst twee maal het huis in Baghdad doorzocht. Eiser heeft ter zitting van de ambtelijke commissie verklaard dat de veiligheidsdienst, naar hij had vernomen, bij zijn neef in Khaneqin aan de

deur zijn geweest op zoek naar eiser.

Op 16 december is eiser vanuit Khaneqin naar Zakho vertrokken. Op 24 december 1997 heeft hij Irak verlaten.

2.4 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft naar de mening van verweerder op essentiële punten tegenstrijdige verklaringen afgelegd, bijvoorbeeld over de lijst van de veiling en het bezoek van de veiligheidsdienst aan Khaneqin.

Eiser heeft verklaard dat hij vanwege het feit dat hij een Faily-Koerd is nimmer persoonlijke problemen heeft gehad. Derhalve is niet aannemelijk dat zijn problemen met de Iraakse autoriteiten verband houden met zijn afkomst.

Verweerder acht het aannemelijker dat eiser wordt gezocht om te getuigen in het onderzoek naar de frauduleuze ambtenaar. Dit blijkt ook uit het feit dat de autoriteiten na de arrestatie van de vader van eiser niet direct naar hem op

zoek zijn gegaan, eiser heeft immers eerst een week nadien Basrah verlaten. Bovendien heeft eiser zonder problemen van Basrah via Baghdad naar Khaneqin kunnen reizen.

Eiser heeft zich aan de problemen kunnen onttrekken door in Khaneqin te verblijven. Er was geen sprake van een acute vluchtsituatie, nu eiser heeft verklaard dat er geen objectief moment is aan te geven waarop de problemen hem

dwongen te vertrekken.

Eiser kan zich aan eventuele problemen onttrekken door zich in Noord-Irak te vestigen. Eiser behoort niet tot een van de risico-groepen zoals die worden omschreven in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31

maart 1998. Hierbij neemt verweerder in aanmerking dat er in Noord-Irak veel Faily-Koerden wonen en uit een brief van de UNHCR blijkt dat er in Arbil en Suleimaniyah belangengroeperingen zijn van Faily-Koerden. Deze beide

belangengroepen hebben goede contacten met de KDP en de PUK. De Faily-Koerden worden bovendien niet uitgezet naar Centraal-Irak dan wel overgedragen aan de Iraakse autoriteiten.

In casu levert terugkeer naar Noord-Irak geen schending op van artikel 3 EVRM. Uit de verklaringen van eiser kan niet worden afgeleid dat hij bij verblijf in Noord-Irak in een humanitaire noodsituatie komt te verkeren. Hierbij is

van belang dat eiser 26 jaar oud is en er geen sprake is van gezondheidsproblemen.

Met betrekking tot de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf overweegt verweerder als volgt. Verwezen wordt naar de beschikking van 14 december 1998. De individuele aspecten van eisers relaas worden, in verband

met het karakter van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, niet betrokken in de beoordeling terzake van de intrekking deze vergunning. Ook de brief van de gemachtigde van eiser van 9 februari 2000 kan, om dezelfde reden, niet

tot een ander oordeel leiden. In de beschikking van 14 december 1998 heeft verweerder overwogen dat de voorwaardelijke vergunning tot verblijf van eiser kan worden ingetrokken, nu er op 20 november 1998 een beleidswijziging heeft

plaatsgevonden, inhoudende dat Iraakse asielzoekers niet langer in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Deze beleidswijziging is door de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank (REK) in de uitspraken van

13 september 1999 geaccordeerd.

2.5 Eiser stelt zich op het volgende standpunt. Eiser is het oneens met de intrekking van de vvtv. Hij meent dat verweerder ten onrechte zijn persoonlijke omstandigheden (het behoren tot de bevolkingsgroep der Faily Koerden en

afkomstig zijn uit Baghdad) niet in de beoordeling bij de intrekking van de vvtv heeft betrokken.

Voorts meent eiser dat er geen sprake is van tegenstrijdigheden tussen het nader gehoor en hetgeen bij de ambtelijke commissie is verklaard. Er zijn wel verduidelijkingen.

De afkomst van eiser speelt wel degelijk een rol in het geheel en de stelling van verweerder dat eiser slechts wordt gezocht in verband met een getuigenis is veel te eenvoudig.

Voor zover verweerder tegenwerpt dat er geen sprake was van een acute vlucht-situatie, is eiser van mening dat hem niet mag worden tegengeworpen dat hij pas is vertrokken op het moment dat het niet anders meer kon.

Eiser is van mening dat hem geen vestigingsalternatief in Noord-Irak kan worden tegengeworpen, nu hij ook in Noord-Irak te vrezen heeft voor vervolging. Bovendien ligt Khaneqin in het door het centrale regime gecontroleerde gebied.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte aangenomen dat het feit dat Khaneqin in het door de Iraakse autoriteiten gecontroleerde gebied ligt, niet leidt tot een ander oordeel.

De rechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle, heeft in de uitspraak van 18 november 1999 (Awb 98/6807) niet onaannemelijk geacht dat er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van

de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor Centraal-Irakezen die in het buitenland een vluchtelingenstatus hebben aangevraagd en moeten terugkeren naar Centraal-Irak. De rechtspraak in Duitsland neemt aan dat het enkele

indienen van een asielaanvraag in een westers land wellicht voldoende is voor erkenning als vluchteling.

Eiser verwijst voor de beantwoording van de vraag of er een binnenlands vestigingsalternatief is in Noord-Irak naar twee adviezen van het Deutsche Orient-Institut (DOI), waaraan in de Duitse jurisprudentie grote waarde is toegekend.

Het Verwaltungsgericht (VG) Oldenburg kwam in een uitspraak van 25 augustus 1999 op basis van het advies van 30 maart 1999 tot de conclusie dat 'jedoch zu der Erkenntnis gelangt, daß es früher oder später zu einer Rückgewinnung des

Gebietsgewalt im Nordirak durch den zentralirakischen Staat kommen werd'. Het VG oordeelt dat er hierom geen sprake kan zijn van een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak. Uit het advies van 21 mei 1999 blijkt dat 'Dabei

ist, das wird in dieser Stellungnahme deutlich, die entscheidende Frage, wie lange die Autonomié des kurdischen Gebiete von Saddam Hussein "akzeptiert" wird, schlechterdings nicht einzuschätzen'. Desondanks maakt het DOI een

differentiatie ten aanzien van de personen die zouden kunnen terugkeren naar Noord-Irak welke grotendeels overeen komt met die van de UNHCR, zoals is gebleken uit de brief van 15 juni 1999. Deze brief diende als uitgangspunt voor de

REK-Irak van 13 september 1999.

Het VG München oordeelt in een uitspraak van 11 oktober 1999 dat er tussen de KDP en het regime in Bagdad aanzienlijke banden bestaan. De KDP heeft dezelfde personen als tegenstander als het centrale regime, waaronder personen die

Centraal-Irak illegaal hebben verlaten.

Uit deze Duitse bronnen blijkt dat de feitelijke situatie anders is dan hetgeen de REK ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel in de uitspraak van 13 september 1999.

Eiser doet voorts een beroep op de Michigan Guidelines on the Internal Protection Alternative van april 1999, waarin onder meer staat dat 'return on internal protection grounds to a region controlled by a non-state entity should be

contemplated only where there is compelling evidence of that entity's ability to deliver durable protection'. In de Guidelines staan een aantal voorwaarden waaraan een binnenlands vestigingsalternatief moet voldoen: 'Thus, internal

protection reguires not only protection against the risk of persecution, but also the assimilation of the asylum-seeker with others in the site of internal protection for purposes of access to, for example, employment, public

welfare, and education'. Toepassing van deze Guidelines leidt tot twijfel over het bestaan van een binnenlands vestigingsalternatief voor Centraal-Irakezen in Noord-Irak.

Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 april 1999 kan niet de conclusie worden getrokken dat er voor Centraal-Irakezen zonder banden in Noord-Irak geen noodsituatie ontstaat bij verwijdering naar

Noord-Irak.

2.6 In de door verweerder op voorhand toegezonden pleitnotitie d.d. 30 juni 2000 heeft verweerder aangegeven zich nog te beraden op een standpunt ten aanzien van de uitspraken van de REK d.d. 20 maart 2000 inzake het tegenwerpen

van Noord-Irak als binnenlands vestigingsalternatief aan Centraal-Irakezen.

In onderhavige zaak stelt verweerder vast dat ook volgens genoemde REK-uitspraken aannemelijk kan worden geacht dat eiser zich in Noord-Irak kan staande houden.

2.7 In het ten behoeve van de zitting van de meervoudige kamer ingediende verweerschrift heeft verweerder, onder verwijzing naar zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK 1999/2000, 19637, nr. 534)

d.d. 13 juli 2000 en het daarin genoemde ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 12 april 2000 (DCP/AM-6805574), gesteld dat ontheemden in Noord-Irak een menswaardig bestaan kunnen leiden, omdat de toegang tot de

essentieel te achten basisvoorzieningen voor een ieder gewaarborgd is en (dus) niet alleen voor die categorieën asielzoekers die banden hebben als bedoeld in de brief van de UNHCR d.d. 14 juni 1999. Het al dan niet hebben van

familie-, gemeenschaps- of politieke banden is dan ook volgens verweerder niet relevant bij het tegenwerpen van Noord-Irak als vestigingsalternatief.

Ter zitting heeft verweerder, mede in reactie op de door deze rechtbank gedane uitspraak d.d. 7 september 2000, Awb 00/241, inzake C, naar voren gebracht dat op grond van het ambtsbericht blijkt dat de positie van Faily-Koerden,

hoewel het gaat om een kwetsbare groep, niet zodanig is dat terugzending tot een noodsituatie zou leiden. Verweerder wijst daarbij op het feit dat er een kleine Faily-Koerdische gemeenschap bestaat in Noord-Irak en dat zich aldaar

een tweetal belangengroeperingen bevinden. Voorts meldt verweerder dat de voormalige 'Movement of Islamitic Faily-Kurds' in 1993 is opgegaan in de KDP. Bovendien is een vooraanstaand Faily-Koerd minister binnen de KDP-regering.

2.8 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke- en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk

moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, zoals hij heeft gesteld vanwege de (vermeende) verdenking van diefstal van staatseigendommen, destructie van de staatseconomie en

het betalen van smeergeld aan ambtenaren in functie, heeft te vrezen voor vervolging van de zijde van de Iraakse autoriteiten. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de navolgende feiten en omstandigheden.

Allereerst is uit de door eiser geschetste gebeurtenissen onvoldoende komen vast te staan dat hij heeft te vrezen voor vervolging in verband met het behoren tot de bevolkingsgroep der Faily Koerden.

Voorts heeft eisers oom nadat hij telefonisch contact met eiser had opgenomen op 27 april 1997, nog twee dagen gewacht alvorens hij eiser op de hoogte stelde van de arrestatie van eisers vader, welke al op 25 april 1997 had

plaatsgevonden. Eiser heeft na deze mededeling van zijn oom nog tot 3 mei 1997 gewacht alvorens hij uit Basrah is vertrokken. Eiser is derhalve ruim een week in zijn hotel in Basrah ongemoeid gelaten, terwijl verondersteld kan

worden dat eiser aldaar goed traceerbaar was. Eiser heeft immers verklaard sedert 1996 regelmatig voor zaken naar Basrah te zijn geweest en aldaar steeds in hetzelfde hotel in Basrah te hebben verbleven. Eiser heeft tevens verklaard

te zijn ingeschreven in dat hotel. Niet is gebleken dat er in die periode navraag naar eiser is gedaan.

Eisers stelling dat het arrestatiebevel op zijn naam stond is louter gebaseerd op vermoedens.

Eiser heeft voorts in de arrestatie van zijn vader en de latere huiszoekingen in zijn woning in Baghdad geen aanleiding gezien het land onmiddellijk te verlaten. Hij heeft verklaard dat hij vanuit Basrah is vertrokken naar Khaneqin,

alwaar hij nog ruim zeven maanden verbleef bij familie van zijn vader. Uit het feit dat eiser al die tijd ongemoeid is gelaten, terwijl hij op een voor de autoriteiten te localiseren adres verbleef, leidt de rechtbank af dat eiser

niet heeft te vrezen voor vervolging.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij alleen al vanwege het indienen van een asielverzoek buiten Irak heeft te vrezen voor vervolging.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het niet onaannemelijk is dat het indienen van een asielverzoek in het buitenland kan leiden tot vervolging van de zijde van de Iraakse autoriteiten, is daarvan in casu geen sprake. Allereerst

is gesteld noch gebleken dat de Iraakse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van eisers asielaanvraag hier te lande. Voor zover eiser terzake vervolging zou hebben te vrezen, kan dit niet leiden tot vluchtelingschap omdat voor hem

een binnenlands vluchtalternatief in Noord-Irak aanwezig is. Eiser behoort naar het oordeel van de rechtbank niet tot die (risico) groepen, genoemd in het ambtsbericht, die in incidentele gevallen aanslagen hebben te vrezen van de

Centraal-Iraakse autoriteiten in Noord-Irak. Dit betekent dat in beginsel in geval van vervolging een vluchtalternatief voorhanden is in Noord-Irak.

2.10 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor

verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.11 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.9 is overwogen, is niet aannemelijk dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Irak een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen artikel 3 van het

(Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot verblijf zonder

beperkingen kan ontlenen.

2.12 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, omdat aangenomen kan worden dat hij een

vestigingsalternatief heeft in Noord-Irak. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

2.13 In haar eerdergenoemde uitspraken d.d. 20 maart 2000 heeft de REK overwogen dat de eisen die ten aanzien van de kwaliteit van het binnenlands vestigingsalternatief gelden uitvloeisel zijn van de gedachte dat daaraan minimaal

voldaan moet zijn met het oog op de verzekering van een menswaardig bestaan. De REK heeft vastgesteld dat uit de brieven van de UNHCR d.d. 11 december 1998 en 14 juni 1999 volgt dat een uit Centraal-Irak afkomstige (afgewezen)

asielzoeker slechts dan geacht kan worden een binnenlands vestigingsalternatief te hebben in Noord-Irak als hij aldaar familie-, gemeenschaps- of politieke banden heeft en aangenomen dat de UNHCR hiermee een op de specifieke

kenmerken van de Iraakse samenleving toegesneden concretisering heeft gegeven van de maatstaf dat een menswaardig bestaan moet zijn verzekerd. De REK heeft voorts overwogen dat de noodzaak van het stellen van de bandeneis niet

alleen wordt ondersteund door het rapport van het Deutsches Orient-Institut d.d. 21 mei 1999, maar ook door de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 12 januari 2000. Hierbij heeft de REK aangegeven geen overwegende

betekenis te hechten aan de omstandigheid dat de internationale hulporganisaties bij (een poging tot) hervestiging in Noord-Irak in sommige opzichten steun kunnen bieden, omdat uit de brief van 12 januari 2000 onvoldoende is af te

leiden dat, zelfs als de steun in aanmerking wordt genomen, de toegang tot de essentieel te achten basisvoorzieningen voor een ieder is gewaarborgd. Naar het oordeel van de REK dient verweerder, alvorens te beslissen of een uit

Centraal-Irak afkomstige vreemdeling al dan niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, onder ogen te zien wat de feitelijke mogelijkheden voor de betrokkene zijn om

op korte of middellange termijn in Noord-Irak een bestaan te vinden waarbij de daadwerkelijke toegang tot de basisvoorzieningen is verzekerd.

2.14 De rechtbank verstaat deze uitspraken aldus, dat naar het oordeel van de REK voor (afgewezen) asielzoekers uit Centraal-Irak het hebben van familie-, politieke en/of gemeenschapsbanden noodzakelijk is voor het daadwerkelijk

verkrijgen van toegang tot de essentiële basisvoorzieningen in Noord-Irak en daarmee voor het kunnen leiden van een menswaardig bestaan c.q. het hebben van een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak.

2.15 De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 september 2000, Awb 00/241, JV 2000/244, geoordeeld dat - anders dan verweerder stelt - uit het ambtsbericht van de minister van buitenlandse zaken van 12

april 2000 niet valt af te leiden dat de daadwerkelijke toegang tot de essentiële basisvoorzieningen voor een ieder - dus ook voor Centraal Irakezen zonder banden - in Noord-Irak is gewaarborgd.

De meervoudige kamer van deze rechtbank is vervolgens in genoemde uitspraak tot het oordeel gekomen dat het uitgangspunt van verweerder als neergelegd in de brief van 13 juli 2000 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten

Generaal onvoldoende ondersteuning vindt in de over Noord-Irak bekende gegevens. Het standpunt van de Staatssecretaris van Justitie van 13 juli 2000 is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft thans geen argumenten aangevoerd, die

nopen tot een ander oordeel.

2.16 Daarmee resteert de vraag of eiser over dergelijke banden in Noord-Irak beschikt.

In de bestreden beschikking heeft verweerder bij de beoordeling van de vraag of Noord-Irak als vestigingsalternatief voor eiser kan dienen gesteld dat eiser niet behoort tot één der in het ambtsbericht van 31 maart 1998 genoemde

risicogroepen. Voorts heeft verweerder, in de bestreden beschikking en ter zitting, een aantal omstandigheden geschetst, specifiek de Faily-Koerden betreffend, op grond waarvan een vestigingsalternatief voor eiser wordt aangenomen.

Verweerder heeft in dit kader tenslotte in aanmerking genomen dat leeftijd en gezondheidssituatie van eiser niet in de weg staan aan vestiging in Noord-Irak.

2.17 De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit de enkele omstandigheden dat er zich in Noord-Irak een (kleine) gemeenschap is van Faily-Koerden, er twee belangenorganisaties zijn die zich inzetten voor hun

belangen en goede contacten hebben met de KDP en PUK, reeds volgt dat eiser beschikt over gemeenschapsbanden als bedoeld in de brieven van de UNHCR d.d. 11 december 1998 en 14 juni 1999 en de eerdergenoemde uitspraken van de REK

d.d. 20 maart 2000.

Uit het ambtsbericht van 12 april 2000 kan worden opgemaakt dat er een kleine gemeenschap van Faily Koerden in Noord-Irak bestaat. Het ambtsbericht geeft echter geen informatie over de omvang, aard en locatie van deze gemeenschap.

Evenmin is duidelijk onder welke omstandigheden leden van deze gemeenschap in Noord-Irak verblijven en of zij bereid zijn om gemeenschapsleden uit Centraal-Irak te ondersteunen op een manier die hen in staat stelt aldaar een

menswaardig bestaan op te bouwen.

Bovendien vermeldt het ambtsbericht: "Faily-Koerden van buiten de noordelijke enclave vormen net als vele anderen van buiten het gebied een sociaal-economische kwetsbare groep die moeilijk kan integreren. Niet uit Noord-Irak

afkomstige Faily-Koerden stuiten er vaak op taalproblemen omdat zij het lokale Koerdisch onvoldoende beheersen (....). Er zijn ook uit Centraal-Irak afkomstige Faily-Koerden vanuit Iran naar Noord-Irak uitgeweken. Het betreft in

veel gevallen personen met familie- of clanbinding in de noordelijke regio."

Uit deze passages concludeert de rechtbank dat de enkele aanwezigheid in Noord-Irak van de kleine Faily-Koerdische gemeenschap onvoldoende is om aan te nemen dat eiser kan beschikken over banden die hem in staat stellen toegang te

krijgen tot de essentiële basisvoorzieningen.

Ook de aanwezigheid van twee belangengroeperingen van Faily Koerden in Noord-Irak biedt naar het oordeel van de rechtbank op zich onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser beschikt over banden met Noord-Irak. In het

ambtsbericht is een duidelijk onderscheid waarneembaar tussen die Faily-Koerden die oorspronkelijk afkomstig zijn uit Noord-Irak (en er terugkeerden) en degenen die van buiten komen. Met betrekking tot de teruggekeerde Faily-Koerden

wordt in het ambtsbericht het volgende geciteerd uit een brief van de UNHCR d.d. 12 januari 1999: "(...) Those who have returned to northern Iraq over years have been received and assisted by the local authorities in the same manner

as the other returnees." Het ambtsbericht zwijgt omtrent de vraag welke rol de belangengroeperingen hebben in de ondersteuning van degenen die uit Centraal-Irak komen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat Faily-Koerden die niet (van oorsprong) afkomstig zijn uit Noord-Irak in beginsel geen vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, tenzij op grond van individuele feiten

en omstandigheden kan worden geconcludeerd dat zij wel beschikken over voldoende banden in het gebied om toegang te kunnen krijgen tot de essentieel te achten basisvoorzieningen.

In het geval van eiser blijkt uit het dossier niet op voorhand van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat er voldoende banden met Noord-Irak aanwezig zijn. De beschikking is op dit punt dan ook onvoldoende

draagkrachtig gemotiveerd en dient te worden vernietigd.

2.18 Het beroep is derhalve gegrond.

2.19 Nu het beroep gegrond verklaard wordt ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en tot vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, zoals hierna weergegeven.

3 BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking d.d. 23 februari 2000;

- gebiedt verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad fl. 2130,- , onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan om het griffierecht ad fl. 50,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Blomsma, voorzitter, en mrs. J.F.M.J. Bouwman en F. Sijens, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. G. Blomsma in tegenwoordigheid van mr. W.P.M. Elderman als griffier op

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 33e Vw).

Afschrift verzonden: 18 december 2000