Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0225

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10307
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbreken beslissing in primo / hoorplicht.

Er is niet tijdig beslist op de vtv-aanvraag. Evenmin is tijdig beslist op het bezwaar. Na het instellen van beroep is alsnog een reële beslissing genomen. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar op dit punt kennelijk gegrond is. Dit leidt er echter niet toe dat eiseres op haar bezwaar gehoord had moeten worden. Met het instellen van bezwaar heeft eiseres beoogd dat alsnog op haar aanvraag beslist zou worden, hetgeen in het bestreden besluit is gebeurd. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, Awb is er geen aanleiding eiseres te horen. De enkele omstandigheid dat geen besluit in primo is genomen betekent niet dat het bezwaar reeds daarom nimmer kennelijk ongegrond kan zijn. Het ontbreken van een besluit in primo betekent wel dat het besluit op bezwaar, dat derhalve tevens de eerste inhoudelijke beoordeling van de aanvraag betreft, met de uiterste zorgvuldigheid moet worden voorbereid. Met het kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar in een dergelijk geval dient dan ook zeer terughoudend te worden omgegaan.

In het onderhavige geval is terecht geconcludeerd dat inhoudelijk sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/10307 S1813

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw), in het geschil tussen:

A, geboren [...] 1973, eiseres,

mede ten behoeve van haar drie minderjarige kinderen, allen verblijvende te Peshawar, Pakistan,

gemachtigde mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 23 april 1999 heeft B, hierna: referent, bij de korpschef van de regiopolitie Noord-Brabant-Noord een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres, zijn echtgenote,

alsmede ten behoeve van hun minderjarige kinderen, met als doel "verblijf bij echtgenoot c.q. vader, B". Referent is verblijf hier te lande toegestaan op basis van de aan hem verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf

(vvtv).

Tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder is namens eiseres op

20 augustus 1999 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Vervolgens is namens eiseres tegen het - naar eiseres stelt - niet tijdig nemen van een besluit op het ingediende bezwaarschrift op 9 december 1999 bij deze rechtbank beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 10 december 1999 ter

griffie van de rechtbank ontvangen.

Op 27 december 1999 heeft verweerder alsnog een reëel besluit genomen op het ingediende bezwaarschrift. Daarbij is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dit besluit is op dezelfde dag aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Bij schrijven van 10 april 2000 is namens eiseres te kennen gegeven dat het op

9 december 1999 ingediende beroepschrift tevens is aan te merken als zijnde gericht tegen het besluit van 27 december 1999. Tevens zijn namens eiseres de gronden van het beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 30 augustus 2000 alwaar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. A. Venekamp, ambtenaar ten departemente.

Referent is verschenen als belanghebbende.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Op 9 december 1999 heeft eiseres

beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 20 augustus 1999.

Verweerder heeft bij besluit van 27 december 1999 alsnog reëel beslist op het ingediende bezwaarschrift. Gelet op artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen voornoemd besluit.

Ter zitting is namens eiseres het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het ingediende bezwaarschrift, ingetrokken. Het verzoek om een veroordeling van verweerder in de proceskosten wordt afgewezen, nu de

rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het ingediende bezwaarschrift overeenkomstig artikel 6:20, vierde lid, van de Awb heeft aangemerkt als gericht tegen de alsnog genomen beslissing op het bezwaarschrift

en eiseres aldus niet ten tweede male griffierecht verschuldigd was en evenmin extra proceskosten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft moeten maken, nu zij immers al een beroepschrift had ingediend.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit van 27 december 1999, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om afgifte van een mvv ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.

Ingevolge artikel 33d van de Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of mvv's, voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van

deze wet.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit moeten vreemdelingen, die zich naar Nederland begeven voor een verblijf aldaar van langer dan drie maanden, voor toegang tot Nederland in het bezit zijn van een

geldig paspoort dat is voorzien van een geldige mvv. De bevoegdheid tot het verlenen van een mvv is gebaseerd op het Soeverein Besluit van 12 december 1813.

De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals een vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid van de Vw aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. De gronden

voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf zijn gelijk aan die voor afgifte van een vergunning tot verblijf.

De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande voorts een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit internationale

overeenkomsten - slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

Nu gesteld noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiseres en haar kinderen hier te lande en wezenlijk Nederlands belang is gediend, gaat het in deze zaak om de vraag of eiseres en haar kinderen wegens klemmende redenen van

humanitaire aard een aanspraak kunnen maken op een machtiging tot voorlopig verblijf. De Staatssecretaris van Justitie hanteert, als uitwerking van de globale beleidsregels dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een

machtiging tot voorlopig verblijf kan worden verleend, voor een aantal categorieën vreemdelingen specifieke criteria, die zijn neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

Krachtens het bepaalde in hoofdstuk B1/1 juncto hoofdstuk B1/5 van de Vc komen voor toelating in het kader van gezinshereniging in aanmerking de echtgenote en kinderen van:

* een Nederlander;

* een vreemdeling die is toegelaten op grond van artikel 9 of 10 van de Vw.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is gehuwd met referent. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Omstreeks

6 juli 1997 heeft referent Afghanistan verlaten en is naar Nederland gereisd, waar hij op

3 september 1997 is aangekomen. Bij besluit van 22 januari 1998 heeft verweerder de aanvragen van referent om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen. Wel heeft verweerder een

voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. Verweerder heeft het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift bij besluit van 10 februari 1999 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld. Eiseres woonde ten

tijde van het bestreden besluit van 27 december 1999 met haar kinderen in Peshawar, Pakistan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat referent in het bezit is van een vvtv. Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk B7/15.3.5, van de Vc is gezinshereniging en gezinsvorming voor een houder van een vvtv niet mogelijk vanwege het

tijdelijke karakter van een dergelijke vergunning. Omdat dit beleid naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk is, heeft verweerder, onder verwijzing naar dit beleid, op goede gronden de aanvraag van eiseres kunnen afwijzen.

Het feit dat aan referent in de toekomst mogelijk een vergunning tot verblijf zal worden toegekend, maakt dit niet anders. Dit vormde ten tijde van het bestreden besluit nog een onzekere toekomstige gebeurtenis waarmee verweerder

geen rekening hoefde te houden bij zijn besluitvorming.

Eiseres stelt voorts dat zij in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe is aangevoerd dat eiseres ten tijde van de mvv-aanvraag met haar kinderen in

Afghanistan woonde, en dat zij het daar zeer moeilijk zou hebben als alleenstaande moeder, gelet op het strenge regime van de Taliban. Vrouwen worden door de Taliban gediscrimineerd. De levensomstandigheden in Afghanistan zijn

dermate schrijnend, dat eiseres reeds daarom tot Nederland behoort te worden toegelaten. Eiseres heeft gewezen op het vvtv-beleid dat ten tijde van het bestreden besluit voor Afghanistan gold, waarmee erkend wordt dat Afghanen bij

terugkeer naar het land van herkomst een risico lopen het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. De rechtbank ziet evenwel in het vorenstaande geen aanleiding te concluderen dat verweerder in redelijkheid niet heeft

kunnen besluiten eiseres en haar kinderen geen vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Eiseres heeft immers geen haar persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden aangevoerd. Eiseres

heeft enkel een beroep gedaan op de algemene slechte situatie waarin vrouwen in Afghanistan verkeren, doch daarin verschilt zij niet van haar landgenoten die in dezelfde omstandigheden verkeren. Voorts wijst de rechtbank erop dat

eiseres ten tijde van het bestreden besluit in Pakistan verbleef. Dat eiseres nadien weer is teruggegaan naar Afghanistan doet aan het voorgaande niet af, nu daarmee gelet op het ex-tunc karakter van de rechterlijke toetsing geen

rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het beroep.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), overweegt de rechtbank als volgt.

Voorzover moet worden aangenomen dat in het onderhavige geval sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, is van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan geen sprake, aangezien de weigering

eiseres verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt haar een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van dat familie- of gezinsleven in staat stelde. Een redelijke afweging tussen de belangen van eiseres en

die van de gemeenschap in haar geheel leidt in het onderhavige geval niet tot het oordeel dat uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven voor verweerder een (positieve) verplichting voortvloeit om eiseres verblijf

in Nederland toe te staan. In dit verband overweegt de rechtbank dat referent op het in geding zijnde moment in het bezit was van een vvtv en het hem derhalve slechts voorwaardelijk was toegestaan in Nederland te verblijven in

verband met de algehele situatie in Afghanistan.

Ook overigens is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerder in afwijking van zijn beleid aan eiseres en haar kinderen verblijf hier te lande had moeten toestaan.

De vraag of in bezwaar of administratief beroep al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt daarbij is de in artikel 7:2, eerste lid van de Awb vervatte regel, dat een

bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Van horen kan slechts worden afgezien indien één van uitzonderingen genoemd in artikel 7:3 van de Awb zich voordoet,

respectievelijk wanneer artikel 32, tweede lid van de Vw van toepassing is.

Niet in geschil is dat de uitzondering, genoemd in artikel 32, tweede lid van de Vw zich in casu niet voordoet.

Artikel 7:3 van de Awb somt limitatief de uitzonderingen op deze algemene regel in de bezwaarprocedure op:

"Van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien indien:

a. het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;

b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;

c. de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of

d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad."

Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van de uitzondering, genoemd in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, inhoudende dat van het horen van een belanghebbende

kan worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Vaststaat dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift door verweerder nog niet

beslist was op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf.

Ingevolge artikel 15e, eerste lid, van de Vw dient een beschikking omtrent de inwilliging van een aanvraag om toelating te worden gegeven binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag. In gevallen waarin die termijn niet van

toepassing is, waaronder de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf, dient te worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 4:13 van de Awb. Artikel 4:13, eerste lid van de Awb bepaalt dat een beschikking

dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Het tweede lid schrijft voor dat de redelijke

termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na de aanvraag nog geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 van de Awb heeft gedaan. De aanvraag om verlening

van een machtiging tot voorlopig verblijf dateert van 23 april 1999. Gelet op het vorenstaande betekent dit dat verweerder uiterlijk op 23 juni 1999 een beslissing op de aanvraag van eiseres had dienen te nemen, danwel een

kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 van de Awb had moeten doen uitgaan. Daar verweerder dit heeft nagelaten, stond voor eiseres ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Vw de mogelijkheid open tot het instellen van

bezwaar.

Op 20 augustus 1999 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag.

Op grond van artikel 6:12, eerste lid van de Awb is een bezwaar, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden. Het bezwaar wordt ingevolge het derde lid van dit artikel echter niet-ontvankelijk

verklaard wanneer het onredelijk laat is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaarschrift van 20 augustus 1999 niet onredelijk laat ingediend.

Aangezien uit het voorgaande blijkt dat verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, moet worden geconcludeerd dat het bezwaar op dit punt kennelijk gegrond is. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat deze

conclusie er niet toe leidt dat zij op haar bezwaar had dienen te worden gehoord. Met het instellen van bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft eiseres beoogd alsnog een beslissing op haar aanvraag te verkrijgen.

Met het bestreden besluit is aan dit bezwaar tegemoet gekomen, zodat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d van de Vw geen aanleiding bestond eiseres hieromtrent te doen horen.

Voorzover het bezwaar gericht was tegen de fictieve weigering merkt de rechtbank op dat de enkele omstandigheid dat geen besluit in primo is genomen, niet betekent dat het bezwaar reeds daarom nimmer kennelijk ongegrond kan zijn. Nu

dit voor verweerder de eerste inhoudelijke beoordeling van de aanvraag betreft, dient het ontbreken van een besluit in primo er wel toe te leiden dat het besluit met de uiterste zorgvuldigheid moet worden voorbereid. Met het

kennelijk ongegrond verklaren van het bezwaar in een geval waarin geen besluit in primo is genomen, dient dan ook zeer terughoudend te worden omgegaan.

In het onderhavige geval is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat inhoudelijk sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, zodat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b

van het doen horen van eiseres kon worden afgezien. Voorts is niet gebleken dat op grond van de zorgvuldigheid of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur een verplichting tot horen bestaat.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep ongegrond is.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden

veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank

niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond;

wijst de verzoeken om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als rechter in tegenwoordigheid van

mr. J.P.W. Manders als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2000.

Afschriften verzonden: 7 december 2000

TH