Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0211

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2000
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/4501, 00/4503
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / ononderbroken verblijf.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom een verblijfsgat te rekenen vanaf 1 januari 1992 tot 16 februari 1992 niet wordt geaccepteerd.

Als toelichting heeft verweerder gegeven dat onder het vereiste dat een vreemdeling vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland, wordt verstaan dat de vreemdeling vanaf die datum feitelijk hoofdverblijf hier te lande moet hebben gehad. Een tijdelijke onderbreking door bijvoorbeeld vakantie wordt niet aangemerkt als een verplaatsing van het hoofdverblijf. De term onderbreking veronderstelt dat men reeds hier te lande hoofdverblijf heeft. Hieruit volgt dat een tijdelijke onderbreking niet aan het begin van de toetsperiode kan bestaan.

De president acht deze toelichting op het beleid begrijpelijk, en de onderhavige voorwaarde niet onredelijk. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het ontbrekende gedeelte in het geval van verzoeker niet kan worden aangemerkt als een tijdelijke onderbreking. De president is echter van oordeel dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vtv in redelijkheid aan verzoekers kan onthouden. Uit oogpunt van evenredigheid roept het vragen op dat verweerder enerzijds in geval van een tekort van slechts 45 dagen aan het begin van de toetsperiode het woonplaatsvereiste tegenwerpt, terwijl verweerder anderzijds het beleid voert dat een verblijfsgat van drie maanden - in bepaalde gevallen zelfs van zes maanden of meer -, niet wordt tegengeworpen. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/4501 VRWET en AWB 00/4503 VRWET

inzake : A en zijn echtgenote B, beiden verblijvende te C, verzoekers,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1965, en verzoekster, geboren op [...] 1967, bezitten beiden de Turkse nationaliteit. Op 26 november 1999 hebben zij elk een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf op basis van

de tijdelijke regeling witte illegalen als bedoeld in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Bij afzonderlijke besluiten van 20 juni 2000 heeft verweerder op de aanvragen afwijzend beslist. Verzoekers hebben

tegen deze besluiten afzonderlijk bezwaar gemaakt bij bezwaarschriften van 30 juni 2000, aangevuld bij brief van 21 juli 2000. Bij de uitreiking van de besluiten is kenbaar gemaakt dat uitzetting gedurende de periode dat de bezwaren

aanhangig zijn, niet achterwege zal worden gelaten. Verzoekers moeten er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij verzoekschriften van 30 juni 2000 hebben verzoekers de president van de rechtbank verzocht de beslissingen van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen totdat in bezwaar is beslist op de aanvragen om

verlening van een vergunning tot verblijf.

Verzoekers hebben bij brief van 21 juli 2000 verzocht de gronden van bezwaar aan te merken als de gronden van het verzoek. De verzoeken zijn nader aangevuld bij brieven van 2 augustus 2000 en 6 november 2000. De op de zaak

betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 19 juli 2000 ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 27 september 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken en, met toepassing van artikel 33b Vw,

tot ongegrondverklaring van de bezwaren.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2000. Verzoekers zijn aldaar verschenen, bijgestaan door mr. I.K. van Acker, advocaat te Amsterdam. Verweerder is aldaar vertegenwoordigd door gemachtigde mr. D. van

den Berg, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de beslissingen om de uitzetting niet achterwege te laten te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verweerder

bij onmiddellijke uitvoering van zijn beslissingen niet opweegt tegen de belangen van verzoekers bij de gevraagde voorziening. De beslissingen de uitzetting niet achterwege te laten zijn evenzeer onrechtmatig indien die beslissingen

in strijd zijn met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder zijn die beslissingen ingevolge artikel 32, eerste lid onder b Vw onrechtmatig indien

er aanleiding bestaat om aan te nemen dat de bezwaren tegen de besluiten die strekken tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen hebben.

2. De president gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker verblijft sedert 16 februari 1992 in Nederland en is sedert 16 april 1993 in het bezit van een sofi-nummer. Verzoekster verblijft laatstelijk sedert oktober 1995 in

Nederland nadat zij, na binnenkomst in 1993, in oktober 1994 naar Turkije is uitgezet. De aanvraag van verzoekster is afhankelijk van de aanvraag van verzoeker.

3. Verzoekers menen dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen.

Daarbij beroepen zij zich op de tijdelijke regeling witte illegalen. Niet is in geschil dat niet aan de voorwaarden van het beleid is voldaan.

Ten aanzien van het sofi-nummervereiste is evenwel opgemerkt dat, gelet op de voorgeschiedenis van TBV 1999/23, de in dit beleid opgenomen voorwaarden voor het vragen van advies overeen zouden moeten stemmen met de criteria bij de

besluitvorming ten aanzien van de hongerstakers in de Agneskerk, zoals geformuleerd in de brief van verweerder van 1 februari 1999 gericht aan de Tweede Kamer. Het bezit van een sofi-nummer is geen criterium dat is gehanteerd bij de

besluitvorming inzake die hongerstakers. Bovendien betreft het een louter formeel criterium. In het besluit en in andere stukken ontbreekt een toelichting op het belang van dit criterium. Verzoekers beroepen zich tevens op het

gelijkheidsbeginsel inzake "de zaak Cohen". In deze zaak heeft verweerder geoordeeld dat er was voldaan aan de voorwaarden van de tijdelijke regeling hoewel het sofi-nummer eerst veel later dan 1 januari 1992 was toegekend. Voorts

heeft ook de Minister van Financiën te kennen gegeven dat de voorwaarde van het bezit van een sofi-nummer niet in alle gevallen op zijn plaats is.

Ten aanzien van het woonplaatsvereiste is opgemerkt dat, nu verweerder het beleid voert dat eenmaal per jaar sprake mag zijn van een verblijfsgat van drie maanden, verweerder dient toe te lichten waarom een verblijfsgat van slechts

45 dagen aan het begin van de referteperiode niet wordt geaccepteerd.

Verweerder dient gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid nu aan de ratio van het beleid is voldaan. De ratio van het beleid is om in gevallen waarin het gaat om een combinatie van bijzondere factoren die er - in

onderlinge samenhang bezien - toe leiden dat de toepassing van het beleid in het concrete geval getuigt van een onbedoelde bijzondere hardheid, toch in het verblijf van de vreemdeling te berusten.

In het besluit is in het kader van de vraag of sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard een andere, zwaardere, maatstaf gehanteerd dan in de brief van 1 februari 1999 is verwoord. Bovendien heeft verweerder geen

onderzoek verricht of bij de burgemeesterscommissie advies ingewonnen naar de mate van inburgering en ander humanitaire omstandigheden.

Verzoeker verblijft al acht jaar in Nederland en is in verregaande mate geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Verzoeker heeft altijd in zijn eigen onderhoud en in dat van verzoekster voorzien. Daarnaast heeft hij door zijn

arbeid een bijdrage geleverd aan de Nederlandse economie. Verzoeker heeft Nederlandse taalles gevolgd en spreekt uitstekend Nederlands. De banden met Turkije zijn afgezwakt tot niet meer dan formele.

Daar komt bij dat verzoekster sedert september 1993 vijf miskramen heeft gehad. Verzoekers staan thans op de lijst voor een IVF-behandeling. Verzoekers zouden deze behandeling in Turkije niet kunnen betalen. Wanneer zij naar Turkije

zouden moeten terugkeren is daarmee hun laatste kans op het krijgen van een kind verkeken. Verweerder is hier in de bestreden beschikking niet op ingegaan. Voorts is geen aandacht besteed aan het feit dat verzoeker bij terugkeer

naar Turkije van de grond af aan een arbeidspositie en een sociaal netwerk moet opbouwen. Verzoeker heeft diverse bescheiden overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat hij is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving.

Gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid Vw juncto A6/4.2.2.2 sub b van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994 diende een vertrektermijn van vier in plaats van twee weken te worden gegeven en diende aan de hand van het

bezwaarschrift te worden bepaald of uitzetting achterwege moet blijven. In dit kader is een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot twee beschikkingen van verweerder van 12 mei 2000 en 27 juni 2000.

De beslissing om geen schorsende werking te verlenen brengt mee dat verweerder reeds ten tijde van de beslissing voornemens was om op een eventueel bezwaarschrift te beslissen zonder te horen. In het besluit is echter niet

gemotiveerd waarom van het horen wordt afgezien hetgeen mede gelet op artikel 7:12, eerste lid, Awb in strijd is met artikel 3:46 Awb.

De beslissing om niet te horen is onder de gegeven omstandigheden in strijd met de artikelen 32, tweede lid, Vw, 7:2 Awb en 7:3 Awb.

Het besluit berust op een onvoldoende draagkrachtige motivering. Dat de bezwaren geen doel kunnen treffen is derhalve niet aan de orde. Verzoekers wensen te worden gehoord.

3.1 Ter zitting is namens verzoekers nog het volgende aangevoerd. Op 6 november 2000 zijn Kamervragen gesteld over de voorwaarde van het sofi-nummer (jr. 2000-2001, 20001021110). De omstandigheid dat in de onderhavige zaak, anders

dan in de zaak Cohen, twee voorwaarden worden tegengeworpen, maakt niet dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Verzoekers hebben bijna geen familie meer in Turkije en zullen bij terugkeer in grote problemen geraken.

Niet alleen zullen verzoekers geen onderdak en inkomen hebben, de gevolgen van kinderloosheid in de Turkse samenleving zijn niet te overzien. Verzoekster zal worden verstoten en verzoekers zullen uit elkaar worden gedreven.

Verzoekers worden aldaar dan ook met de geestelijke ondergang bedreigd. Bovendien levert dit een schending op van artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 16, eerste lid

onder e van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen.

4.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet voor toelating op basis van de tijdelijke regeling witte illegalen in aanmerking komen omdat niet wordt betwist dat verzoekers niet vanaf 1 januari 1992 ononderbroken

woonplaats in Nederland hebben gehad en dat verzoekers niet vanaf die datum tot en met 1 juli 1998 in het bezit zijn geweest van een sofi-nummer.

Voorzover verzoekers met verwijzing naar de zaak Cohen een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, wordt opgemerkt dat niet één maar twee verschillende en zelfstandige voorwaarden worden tegengeworpen. Het beroep op het

gelijkheidsbeginsel kan reeds hierom niet slagen.

Onduidelijk is waarom verzoekers menen dat eenmaal per jaar sprake mag zijn van een verblijfsgat van drie maanden. Noch in TBV 1999/23 noch in de toelichting daarop kan steun worden gevonden voor dit standpunt. Het verblijfsgat kan

evenmin worden aangemerkt als een tijdelijke onderbreking, nu een dergelijke onderbreking niet aan het begin van de toetsperiode, 1 januari 1992, mag bestaan.

Niet gebleken is van een samenstel van bijzondere factoren die in hun onderlinge samenhang bezien er toe leiden dat toepassing van het beleid getuigt van een onbedoelde bijzondere hardheid. De enkele omstandigheid dat hier te lande

verblijvende vreemdelingen, ook tijdens illegaal verblijf, zekere banden met Nederland aangaan, leidt niet tot een dergelijk oordeel. De financieel-economische situatie van verzoekers dan wel hun kinderwens is geen grond om hen

verblijf hier te lande toe te staan. Het is niet onredelijk van hen te verlangen om terug te keren naar hun land van herkomst. Het is niet aannemelijk dat verzoekers bij terugkeer naar hun land van herkomst bedreigd zullen worden

met geestelijke dan wel lichamelijke ondergang.

4.2 Ter zitting is namens verweerder nog het volgende aangevoerd. Het is de Staatssecretaris van Justitie die de voorwaarden van het beleid opstelt. Hetgeen door het Ministerie van Financiën naar voren is gebracht, raakt de

beleidsvrijheid van de Staatssecretaris van Justitie op zichzelf niet. Door het hebben van een sofi-nummer is de schijn van legaliteit gewekt. In de zaak Cohen was geen sprake van een sofi-nummer vanaf 1 januari 1992. Echter

gebleken is dat in die zaak voor 1 januari 1992 wel al omzetbelasting was betaald en dat de betrokkene voor deze datum al een sofi-nummer had aangevraagd. Ook hierom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

De aangevoerde omstandigheden zijn niet voldoende om verzoekers op grond van overige klemmende redenen van humanitaire aard verblijf toe te staan. Bovendien hebben verzoekers al eerdere verblijfsprocedures gevoerd en bevindt zich

een stuk van de medisch adviseur in het dossier. De medische problematiek hoeft in de onderhavige procedure niet aan de orde te komen.

4.3 Desgevraagd is namens verweerder het volgende verklaard. Naar aanleiding van de opmerking van de president dat in het besluit gerelateerd wordt aan een samenstel van verschillende bijzondere factoren als bedoeld in de

Agneskerk-zaken, is aangegeven dat hiermee waarschijnlijk is bedoeld dat getoetst is aan de voorwaarden in TBV 1999/23 en, nadat is vastgesteld dat hieraan niet is voldaan, daarna ruimer is getoetst en gekeken is naar de

Agneskerk-zaken. Deze overweging in het besluit wekt echter een verkeerde indruk. Het is niet nodig om te concluderen tot een ambtelijke misslag omdat de conclusie hetzelfde blijft. De voorwaarde aangaande het sofi-nummer is

duidelijk, een verandering op dit punt wordt niet verwacht.

Toen het besluit werd genomen, was aan twee voorwaarden duidelijk niet voldaan, zodat een eventueel in te dienen bezwaar als kennelijk ongegrond kon worden beschouwd. De hoorplicht is niet geschonden.

De president overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc.

7. Een verzoek om advies wordt alleen in behandeling genomen indien is voldaan aan een achttal, in het TBV opgenomen, voorwaarden. Twee van deze voorwaarden zijn dat de vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992

ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland en dat hij vanaf die datum tot en met 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit is geweest van een sofi-nummer.

8. Niet is in geschil dat verzoeker sedert 16 april 1993 in het bezit is van een sofi-nummer. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers (mede) hierom niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van

TBV 1999/23. Als toelichting op het stellen van de voorwaarde dat een vreemdeling van 1 januari 1992 tot 1 juli 1998 in het bezit moet zijn geweest van een sofi-nummer heeft verweerder ter zitting gesteld dat door het bezit van een

sofi-nummer een schijn van legaliteit is gewekt. In de beantwoording d.d. 15 november 2000 door de Staatssecretaris van Justitie van de door het kamerlid Wijn op 6 november 2000 gestelde vragen is er echter tevens op gewezen dat het

vooral de omstandigheid is geweest dat - in gevallen waarin een sofi-nummer is afgegeven - door toedoen van de overheid een situatie is gecreëerd die er toe heeft geleid dat een illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling zich

hier te lande economisch en maatschappelijk heeft kunnen handhaven. Aldus opgevat is de president van oordeel dat het stellen van de voorwaarde dat een vreemdeling sinds 1 januari 1992 over een sofi-nummer heeft beschikt, de grenzen

van een redelijke beleidsbepaling niet overschrijdt. Uit het voorgaande volgt tevens dat geen doorslaggevende betekenis meer kan worden toegekend aan de omstandigheid dat de Directeur Planning, Financiën en Control van het

Ministerie van Financiën in zijn brief van 20 oktober 1999 (kenmerk: PFC 1999-00933M) aan het Ministerie van Justitie, directie Vreemdelingenbeleid, heeft meegedeeld van oordeel te zijn dat de voorwaarde van het bezit van een

sofi-nummer niet op zijn plaats is. Dit te meer nu de Staatssecretaris van Justitie de Kamervragen van de heer Wijn van 6 november 2000 mede namens de Staatssecretaris van Financiën heeft beantwoord.

Verzoekers hebben voorts betoogd dat de voorwaarde van het sofi-nummer niet is terug te vinden in de criteria zoals geformuleerd bij de Agneskerk-zaken, hetgeen het beleid onredelijk zou maken. De president volgt dit betoog niet.

Mede gelet op het feit dat de regeling in TBV 1999/23 in de Tweede Kamer niet op weerstand is gestuit, dient de president zich met betrekking tot een gevraagd (on)redelijkheidsoordeel over deze regeling dan wel een of meer van de

daarin neergelegde voorwaarden, terughoudend op te stellen. Het door verzoeker gehanteerde argument, wat daar overigens ook van zij, is naar het oordeel van de president niet van dien aard om te concluderen dat de regeling

onredelijk is. Daarbij is hetgeen hierboven is overwogen in aanmerking genomen.

De president is voorts van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen met de zaak Cohen. De president kent hierbij met name belang toe aan hetgeen verweerder in dit verband ter zitting heeft verklaard, hetgeen door verzoekers

niet gemotiveerd is weersproken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder verzoekers op goede gronden tegengeworpen dat zij niet sedert 1 januari 1992 in het bezit zijn van een sofi-nummer.

9. Voorts is niet in geschil dat verzoeker eerst sedert 16 februari 1992 in Nederland verblijft. Verweerder voert in zijn algemeenheid het beleid dat een verblijfsgat van drie maanden per kalenderjaar niet wordt tegengeworpen.

Bezien over twee kalenderjaren mag dit een aaneengesloten periode van zes maanden zijn. De periode van afwezigheid in verband met het vervullen van militaire dienstplicht en zes maanden daarna, wordt evenmin tegengeworpen. Gelet

hierop hebben verzoekers zich op het standpunt gesteld dat verweerder dient te motiveren waarom een verblijfsgat van minder dan drie maanden aan het begin van de referteperiode niet wordt geaccepteerd.

In het verweerschrift is toegelicht dat onder het vereiste dat een vreemdeling vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland, wordt verstaan dat de vreemdeling vanaf die datum feitelijk hoofdverblijf hier te

lande moet hebben gehad. Een tijdelijke onderbreking door bijvoorbeeld vakantie wordt niet aangemerkt als een verplaatsing van het hoofdverblijf (zie: Tweede Kamer, 1999-2000, 16 637, nr. 482, p. 8). De term onderbreking

veronderstelt dat men reeds hier te lande hoofdverblijf heeft. Hieruit volgt dat een tijdelijke onderbreking niet aan het begin van de toetsperiode kan bestaan.

De president acht deze toelichting op het beleid begrijpelijk, en de onderhavige voorwaarde niet onredelijk. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het ontbrekende gedeelte in het geval van

verzoeker niet kan worden aangemerkt als een tijdelijke onderbreking. Hierbij neemt de president mede in aanmerking dat niet in geschil is dat verzoeker vóór 1 januari 1992 in Nederland verbleef, zodat ook om deze reden geen sprake

kan zijn van een tijdelijke onderbreking die aanving voor de toetsingsdatum. De stelling van verzoekers faalt derhalve. De president is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft tegengeworpen dat verzoekers niet

sedert 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland hebben gehad.

10. Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat de verzoeken om advisering door de commissie van burgemeesters op grond van TBV 1999/23 niet in behandeling

behoeven te worden genomen. In dit kader behoeft verweerder derhalve niet toe te komen aan de inburgeringstoets, zoals weergegeven in TBV 1999/23 onder punt 5, daar deze toets door de commissie van burgemeesters plaatsvindt.

11. De president is echter van oordeel dat op voorhand niet valt uit te sluiten dat sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet aan

verzoekers kan onthouden. Uit oogpunt van evenredigheid roept het vragen op dat verweerder enerzijds in geval van een tekort van "slechts" 45 dagen aan het begin van de toetsperiode het woonplaatsvereiste tegenwerpt, terwijl

verweerder anderzijds het beleid voert dat een verblijfsgat van drie maanden - in bepaalde gevallen zelfs van zes maanden of meer -, niet wordt tegengeworpen.

Gelet hierop, in combinatie met de in de bezwaarfase aangevoerde omstandigheden waarom verzoekers terugkeer naar het land van herkomst niet zou kunnen worden verlangd, acht de president de bezwaren, in het licht van artikel 4:84

Awb, niet bij voorbaat kansloos.

12. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het belang van verzoekers bij de gevraagde voorziening prevaleert boven dat van verweerder bij onmiddellijke uitzetting, zodat de verzoeken om een voorlopige voorziening

dienen te worden toegewezen.

13. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten

zijn begroot op ƒ 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

14. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt

vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

III. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekers uit Nederland te (doen) verwijderen zolang niet is beslist op bezwaar;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoekers het griffierecht ad ƒ 225,-

(zegge: tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2000 door

mr. W.J. van Bennekom, fungerend president, in tegenwoordigheid van

mr. I.H.J. van Neer, griffier.

Afschrift verzonden op: 10 januari 2001

Conc.:IvN

Coll:

Bp:-

D:B