Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0106

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/5786
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / artikel 3 EVRM.

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat hij bij uitzetting vreest voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM en dat hij in Groot-Brittannië een aanvraag voor een vtv wenst in te dienen. Desgevraagd heeft de vreemdeling verklaard geen toelatingsaanvragen voor verblijf in Nederland te willen doen. Aldus ligt beoordeling van een vermeende situatie ex artikel 3 EVRM niet ter toetsing voor, nog afgezien van het feit dat deze stelling op geen enkele wijze zijdens de vreemdeling is - c.q. desgevraagd kon - worden onderbouwd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 00/5786 V3

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1976 en van Joegoslavische nationaliteit, thans verblijvende in het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, hierna te noemen: verweerder.

Zitting: 7 augustus 2000.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan mr. R.A.A. Maat, kantoorgenoot van zijn gemachtigde mr. J. Wouters, beiden advocaat te Middelburg.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. Y.E.A.M. van Hal.

Als tolk in de Albanese taal was aanwezig J. Sahiti.

I. PROCESVERLOOP

Bij bevel tot bewaring van 29 juni 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.

Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit (Vb) van 26 juli 2000, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft zonder beroep te

hebben ingesteld tegen de maatregel tot bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid van de Vw.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende gronden aanwezig zijn die de inbewaringstelling rechtvaardigen.

De vreemdeling beschikte immers ten tijde van de inbewaringstelling (en ook thans) niet over een geldige titel tot verblijf en evenmin over geldige identiteitspapieren of voldoende middelen van bestaan. Voorts is de vreemdeling

illegaal in Nederland aangetroffen en is niet komen vast te staan dat hij zich heeft gemeld bij enige instantie met vreemdelingentoezicht belast. Bovendien is niet gebleken dat de vreemdeling hier te lande beschikt over een vaste

woon- of verblijfplaats.

Onder deze omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond te concluderen dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de voor presentatie bij de Albanese autoriteiten benodigde formulieren door tussenkomst van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Zuid-West op 5 juli 2000

zijn gezonden naar de IND Noord-Oost en aldaar op 13 juli 2000 zijn ontvangen. Vervolgens is de vreemdeling op 18 juli 2000 schriftelijk gepresenteerd bij de Albanese autoriteiten. Hierop is op 28 juli 2000 een negatief resultaat

gekomen.

Ter verkrijging van een EU-document heeft verweerder de vreemdeling op

31 juli 2000 een nationaliteitsverklaring laten invullen en deze verklaring doorgezonden naar de IND Schiphol, waarna via het reisbureau van Schiphol een vlucht is aangevraagd. De vreemdeling zal op 4 september 2000 worden

verwijderd naar Joegoslavië.

Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog voldoende zicht op uitzetting en kan niet worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt.

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat hij bij uitzetting vreest voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat hij in

Groot Brittannië een aanvraag voor een vergunning tot verblijf wenst in te dienen. Desgevraagd heeft de vreemdeling verklaard geen toelatingsaanvragen voor verblijf in Nederland te willen doen. Aldus ligt beoordeling van een

vermeende artikel 3 EVRM-situatie niet ter toetsing voor, nog afgezien van het feit dat deze stelling op geen enkele wijze zijdens de vreemdeling is - c.q. desgevraagd kon - worden onderbouwd.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken

belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond.

Aldus gedaan door mr. I.M.E.A. de Quincey-van Eldonk als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2000.

onmAfschriften verzonden: 14 augustus 2000

SS