Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0104

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 00/69864
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / kennisgeving / asielaanvraag.

Ingevolge artikel 18b, eerste lid, Vw dient, indien een vreemdeling vier weken in een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste lid heeft doorgebracht, verweerder de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van het voortduren van de vrijheidsbeneming. Ingevolge artikel 86 Vb is voornoemd artikel van overeenkomstige toepassing op een vreemdeling die vier weken in bewaring heeft doorgebracht. De REK heeft bij uitspraak van 8 juni 1994 bepaald dat onder onverwijld dient te worden verstaan de eerste werkdag na verloop van de vier weken termijn. In het onderhavige geval is de bewaring op 12 oktober 2000 ingegaan. Dit betekent dat de vreemdeling op 9 november 2000 vier weken, 28 volle dagen, in bewaring had doorgebracht, zodat als eerste werkdag dient te worden vastgesteld 10 november 2000. Nu de kennisgeving op 8 november 2000 is verzonden aan de rechtbank is van termijnoverschrijding geen sprake. Een asielaanvraag kan pas in behandeling worden genomen als het daartoe bestemde F-formulier is ingevuld. Gebleken is dat verweerder een F-formulier aan de vreemdeling heeft overhandigd. De vreemdeling heeft toen te kennen gegeven dit formulier niet te willen ondertekenen zonder dat hij eerst met de piketadvocaat had gesproken. De piketadvocaat heeft de vreemdeling bezocht, maar toen heeft de vreemdeling het F-formulier niet ingevuld. De vreemdeling heeft ook nimmer gedurende de verdere periode van de bewaring aangegeven dat hij een asielverzoek wilde indienen. Gelet op vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een asielverzoek. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde onrechtmatigheden bij de uitzetting van de vreemdeling in dit geval buiten de omvang van dit geding gaan en derhalve bij de beoordeling van het beroep geen rol kunnen spelen. Slechts in het geval de onrechtmatigheden bij een uitzetting zijn terug te voeren op enige onrechtmatigheid in de bewaring, kunnen deze onderwerp zijn van een rechterlijke toetsing in het kader van een beroep ex artikel 34 Vw. Nu niet van onrechtmatigheid van de bewaring is gebleken, gaat de rechtbank aan de grieven van de vreemdeling die slechts de rechtmatigheid van de uitzetting betreffen voorbij. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/69864 VRWET

Inzake : A, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M. Verweij, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1972 en de Turkse nationaliteit te hebben.

Op 12 oktober 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit van 8 november 2000 heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft, zonder dat hij beroep tegen de maatregel van bewaring heeft

ingesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid, Vw.

3. De vreemdeling is op 17 november 2000 uitgezet.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 21 november 2000. Namens de vreemdeling is aldaar verschenen mr. J. Hemelaar, kantoorgenoot van de gemachtigde van de vreemdeling. Verweerder heeft zich doen

vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Nu de vreemdeling reeds op 17 november 2000 is uitgezet staat slechts ter beoordeling of de bewaring eerder dan 17 november 2000 onrechtmatig was en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding toe te kennen.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft primair aangevoerd dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest. Hij heeft gesteld dat de vreemdeling bij het gehoor voorafgaand aan de bewaring tot twee maal toe heeft aangegeven

dat hij een asielverzoek wilde indienen, maar dat verweerder hier geen gevolg aan heeft gegeven. Hij heeft in dit verband aangegeven dat een dergelijk verzoek vormvrij is en dat het niet van belang is of de vreemdeling het verzoek

door middel van een A- en F-formulier heeft ingediend. Nu verweerder niet is ingegaan op het asielverzoek van de vreemdeling meent de gemachtigde dat het bevel tot bewaring op een onjuiste grondslag is gebaseerd, hetgeen betekent

dat de vreemdeling gedurende 51/2 week zonder titel is vastgehouden, aldus de gemachtigde van de vreemdeling.

Subsidiair heeft de gemachtigde aangevoerd dat verweerder niet tijdig de kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit aan de rechtbank heeft verzonden. Hij heeft erop gewezen dat de vreemdeling op 12 oktober 2000 om 13.00 in

bewaring is gesteld en dat de kennisgeving is verzonden op 8 november 2000 om 16.15 uur. Daarmee is de kennisgeving naar de mening van de vreemdeling enkele uren te laat bij de rechtbank is ingediend.

Tenslotte heeft de gemachtigde aangevoerd dat de advocaat van de vreemdeling, mr. J. Singh, bij de uitzetting van de vreemdeling heeft aangegeven dat de vreemdeling een asielverzoek wilde doen, maar dat de vreemdeling niettemin

zonder meer is uitgezet zonder in de gelegenheid te zijn gesteld daadwerkelijk een aanvraag te doen.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft gevorderd dat verweerder de vreemdeling terug haalt naar Nederland teneinde hem alsnog in de gelegenheid te stellen een asielaanvraag te doen en de beslissing daarop in Nederland af te

wachten.

De rechtbank is van oordeel dat de kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit tijdig heeft plaatsgevonden. Zij overweegt daartoe dat artikel 18b, eerste lid, Vw bepaalt dat, indien een vreemdeling vier weken in een ruimte op

plaats als bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel heeft doorgebracht, verweerder de rechtbank onverwijld in kennis stelt van het voortduren van de vrijheidsbeneming. Ingevolge artikel 86 Vreemdelingenbesluit is voornoemd

artikel van overeenkomstige toepassing op een vreemdeling die vier weken in bewaring heeft doorgebracht.

De Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 8 juni 1994 (reg. nr. AWB 94/3431) bepaald dat onder onverwijld dient te worden verstaan de eerste werkdag na verloop van de vier weken termijn. In

het onderhavige geval is de bewaring op 12 oktober 2000 ingegaan. Dit betekent dat de vreemdeling op 9 november 2000 vier weken, 28 volle dagen, in bewaring had doorgebracht, zodat als eerste werkdag dient te worden vastgesteld 10

november 2000. Nu de kennisgeving op 8 november 2000 is verzonden aan de rechtbank is van termijnoverschrijding derhalve geen sprake.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de bewaring rechtmatig is geweest.

Zij overweegt dat een asielaanvraag pas in behandeling kan worden genomen als het daartoe bestemde F-formulier is ingevuld. Zolang een dergelijk formulier niet is ingevuld en ondertekend is er geen sprake van een asielverzoek.

Gebleken is dat verweerder, nadat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring de wens had geuit om asiel aan te vragen, een F-formulier aan de vreemdeling heeft overhandigd. De vreemdeling heeft toen te kennen

gegeven dat hij dit formulier niet wilde ondertekenen zonder dat hij eerst met de piketadvocaat had gesproken. De piketadvocaat heeft de vreemdeling vervolgens de dag na de bewaring bezocht, maar ook toen heeft de vreemdeling het

F-formulier niet ingevuld. De vreemdeling heeft ook nimmer gedurende de verdere periode van de bewaring aangegeven dat hij een asielverzoek wil indienen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich

terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een asielverzoek, zodat verweerder terecht de inbewaringstelling van de vreemdeling heeft gegrond op artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de door de vreemdeling gestelde onrechtmatigheden bij de uitzetting van de vreemdeling in dit geval buiten de omvang van dit geding gaan en derhalve bij de beoordeling van het beroep geen

rol kunnen spelen. Zij overweegt dat slechts in het geval de onrechtmatigheden bij een uitzetting zijn terug te voeren op enige onrechtmatigheid in de bewaring deze onderwerp kunnen zijn van een rechterlijke toetsing in het kader

van een beroep ex artikel 34a Vw. Nu in de onderhavige zaak niet van onrechtmatigheid van de bewaring is gebleken gaat de rechtbank aan de grieven van de gemachtigde van de vreemdeling die slechts de rechtmatigheid van de uitzetting

betreffen voorbij.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om tot het oordeel te komen dat de bewaring eerder dan 17 november 2000 onrechtmatig is te achten.

Het beroep is derhalve ongegrond. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. Verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen

van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. M.C.R. Derkx en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2000, in tegenwoordigheid van W.M. Colpa, griffier.

afschrift verzonden op: