Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0100

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/65957
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ¿S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr: AWB 00/65957 VRWET

Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.P. Stipdonk, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1974 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Op 3 april 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet (Vw). Op 5 april 2000 heeft verweerder de vreemdeling vervolgens met toepassing van

het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. in bewaring gesteld.

2. Bij uitspraken van 4 mei 2000 ( reg.nr. AWB 00 / 4317 VrWet), 24 mei 2000 ( reg.nr. AWB 00 / 5303 VrWet) en van 26 juni 2000 (reg.nr. AWB 00 / 6062 VrWet) heeft deze rechtbank de beroepen inzake opheffing van de bewaring

ongegrond verklaard.

Op 13 oktober 2000 heeft de vreemdeling opnieuw tegen de vrijheidsbenemende maatregel beroep ingesteld en tevens verzocht om schadevergoeding.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2000. De vreemdeling is verschenen bij zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig reeds - in rechte onaantastbaar - is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 4 mei 2000. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of

verdere voortzetting van de bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.

2. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat, aangezien verweerder ten onrechte heeft nagelaten aan de rechtbank te verzoeken het verzoek om voorlopige voorziening van 3 augustus 2000 in verband met verzoekers bewaring met voorrang te

behandelen, de bewaring onverwijld dient te worden opgeheven.

3. De rechtbank stelt vast dat verzoeker op 5 april 2000 hier te lande om toelating heeft verzocht. Tegen de afwijzende beslissing op dat verzoek d.d. 1 mei 2000 heeft de vreemdeling op 2 mei 2000 een verzoek tot het treffen van een

voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek is bij uitspraak van 13 juni 2000, verzonden op 4 juli 2000, niet-ontvankelijk verklaard, zulks op de grond dat niet aannemelijk is dat verzoeker tegen het besluit van 1 mei 2000 een

bezwaarschrift heeft ingediend.

Op 3 augustus 2000 heeft de vreemdeling andermaal een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, op welk verzoek nog niet is beslist.

Gebleken is dat verweerder alsnog heeft onderkend dat de vreemdeling wel degelijk - zoals hij steeds heeft gesteld en door verweerder ter zitting van 5 juni 2000 uitdrukkelijk was betwist - op 29 mei 2000 een bezwaarschrift tegen

voormeld besluit van 1 mei 2000 heeft ingediend. Op 23 augustus 2000 is de vreemdeling door verweerder in de gelegenheid gesteld dit bezwaarschrift te motiveren.

Naar het oordeel van de rechtbank had het verweerder - minst genomen - gesierd indien hij, na te hebben ontdekt dat verzoeker tijdig een bezwaarschrift had ingediend en verweerder derhalve dienaangaande ter zitting van 5 juni 2000

onjuiste informatie aan de rechtbank had verstrekt als gevolg waarvan het verzoek is afgewezen, de rechtbank van deze betreurenswaardige gang van zaken eigener beweging op de hoogte had gebracht. Dit is niet geschied.

Wat hier echter ook van zij, door deze gang van zaken had naar het oordeel van de rechtbank niets meer voor de hand gelegen dan dat verweerder naar aanleiding van het 2e verzoek om voorlopige voorziening aan de rechtbank zou hebben

verzocht het verzoek met voorrang te behandelen, zoals verweerder (overeenkomstig de vreemdelingencirculaire) gewoon is te doen met 1e verzoeken. Uit de hiervoor geschetste toedracht volgt immers dat het 1e verzoek van de

vreemdeling door toedoen van verweerder buiten inhoudelijke behandeling gebleven. Verweerder heeft een degelijk verzoek evenwel niet gedaan.

De vreemdeling stelt zich onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 1997 (reg nr AWB 97/5692 VrWet) op het standpunt dat, nu verweerder heeft nagelaten om pogingen in het werk te stellen de behandeling van het

(als 1e verzoek aan te merken) 2e verzoek naar voren te halen, de bewaring niet langer mag voortduren.

De rechtbank volgt de vreemdeling niet in die gedachtegang.

Anders dan de gemachtigde van de vreemdeling veronderstelt, volgt uit zojuist genoemde uitspraak niet dat opheffing van de bewaring automatisch volgt indien het bestuursorgaan nalaat aan de rechtbank te verzoeken het (eerste)

verzoek om voorlopige voorziening "naar voren te halen". De uitspraak doet integendeel zien dat in een dergelijk geval een belangenafweging op zijn plaats is, waarin onder meer gewicht toekomt aan de omstandigheid of de vreemdeling

over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt, en dat de vreemdeling er (als regel) belang bij heeft zich hangende de beslissing op zijn aanvraag (of bezwaarschrift) niet aan het toezicht te onttrekken.

In het onderhavige geval is niet alleen geen sprake van een vaste woon- of verblijfplaats, de vreemdeling heeft bovendien verzuimd te reageren op het verzoek van verweerder van 23 augustus 2000 om te gronden van het bezwaarschrift

binnen twee weken aan te vullen. Het bezwaarschrift is wegens het uitblijven van een reactie op dat verzoek op 20 september 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat een verzoek om versnelde behandeling - hetwelk overigens ook namens de vreemdeling zélf had kunnen worden gedaan - in het onderhavige geval naar verwachting niet tot een behandeling ter

zitting zou hebben geleid indien en zolang de indiener van het verzoek nog geen gemotiveerd bezwaarschrift had ingediend. Doordat de (toenmalige) gemachtigde van de vreemdeling niet binnen de hem geboden termijn tot inzending van

gronden is overgegaan moet bij deze stand van zaken de ontvankelijkheid van het 2e verzoek om voorlopige voorziening eveneens in twijfel worden getrokken.

Het geheel van deze overwegingen leidt ertoe dat de besproken grief niet tot opheffing van de bewaring kan leiden.

4. Tevens blijkt uit het faxbericht van 4 oktober 2000 gericht aan de Consulaat-Generaal van Marokko, dat de vreemdeling op 14 juli 2000 bij de Marokkaanse autoriteiten is gepresenteerd en dat toen te kennen is gegeven dat de

Consulaat-Generaal bereid was een laissez-passer voor de vreemdeling af te geven. Nadat de toenmalige gemachtigde van de vreemdeling op 18 juli 2000 erop had aangedrongen geen laissez-passer af te geven, is bij voornoemd faxbericht

verzocht opnieuw om afgifte van een laissez-passer verzocht. Niet is kunnen blijken dat laatstbedoeld verzoek geen redelijke kans op succes biedt. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende zicht op

uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat en dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat.

5. Niet is gebleken dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

6. Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

7. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. Verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen

van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2000, in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.

afschrift verzonden op: 10 november 2000