Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0079

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/74635
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / voortvarendheid presentatie / schadevergoeding.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vreemdeling op 16 november 2000 in bewaring is gesteld en dat voor de vreemdeling eerst op 13 december 2000 een aanvraag voor presentatie bij de Sierra Leoonse autoriteiten bij de IND is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terzake onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de vreemdeling recht heeft op een schadevergoeding. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder voor het maken van een aanvang van een dergelijke presentatie in beginsel een forfaitaire periode van veertien dagen toekomt. Er bestaat recht op schadevergoeding met ingang van 30 november 2000 tot 19 december 2000, zijnde negentien dagen à f. 150,-- per dag die hij in bewaring heeft doorgebracht. Derhalve komt de vreemdeling een schadevergoeding van f. 2.850,-- toe. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/74635 VRWET

Inzake : A, verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. D. Kuiper, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1964 en de Sierraleoonse nationaliteit te hebben. Op 16 november 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder

a, van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit van 13 december 2000, heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring verblijft, zonder dat hij beroep tegen de maatregel van bewaring

heeft ingesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid, Vw.

Op 19 december 2000 is de bewaring door verweerder opgeheven.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

21 december 2000. De vreemdeling is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de bewaring na ontvangst van bovengenoemde kennisgeving is opgeheven. Gelet hierop is thans nog in geschil of de bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een

schadevergoeding op grond van artikel 34j van de Vw toe te kennen.

2. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.

3. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit het proces-verbaal van bevindingen, gedateerd 15 november 2000 en uit het proces-verbaal van staandehouding eveneens gedateerd op 15 november 2000 waren er

voldoende concrete aanwijzingen dat de vreemdeling illegaal in Nederland verblijft, zodat de verbalisant op grond van artikel 19, eerste lid, Vw bevoegd was hem staande te houden ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit

en verblijfsrechtelijke positie.

4. Verweerder heeft in de periode van ophouding van de vreemdeling op basis van gegevens waarover verweerder beschikte onderzoek verricht naar de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling in Nederland, zonder de vreemdeling te

horen. In dat geval kan niet worden geoordeeld dat verweerder was gehouden tot het doen van de mededeling bedoeld in artikel 73, eerste lid Vreemdelingenbesluit.

5. De rechtbank is van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, wiens uitzetting was gelast, op een juiste grondslag berustte. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikte over een geldige titel

tot verblijf, niet in het bezit was van een geldig identiteitsbewijs, zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop bestond ten aanzien van hem het ernstige

vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.

6. Namens verweerder is meegedeeld dat de bewaring van de vreemdeling is opgeheven wegens onvoldoende voortvarend handelen van de zijde van verweerder. Verweerder ziet echter geen aanleiding voor het toekennen van

schadevergoeding.

7. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de vreemdeling op 16 november 2000 in bewaring is gesteld en dat voor de vreemdeling eerst op 13 december 2000 een aanvraag voor presentatie bij de Sierraleoonse autoriteiten

bij de IND is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terzake onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de vreemdeling recht heeft op een schadevergoeding. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verweerder

voor het maken van een aanvang van een dergelijke presentatie in beginsel een forfaitaire periode van veertien dagen toekomt. Er bestaat recht op schadevergoeding met ingang van 30 november 2000 tot 19 december 2000, zijnde

negentien dagen à f. 150,-- per dag die hij in bewaring heeft doorgebracht. Derhalve komt de vreemdeling een schadevergoeding van f. 2.850,-- toe.

8. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet

van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 710,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is

verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f 2.850,-- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 710,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van

Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van

Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2000, in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.

afschrift verzonden op: