Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0078

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/74217
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / politiecel.

De rechtbank stelt dat het in het algemeen onwenselijk moet worden geacht dat de bewaring in een politiecel wordt tenuitvoergelegd. De rechtbank constateert dat verweerder in casu niet consistent heeft gehandeld door de vreemdeling op 11 december 2000 aan te melden bij het Rayonbureau van de Huizen van Bewaring, echter niet met de bedoeling de vreemdeling zo spoedig mogelijk te plaatsen, doch de vreemdeling voorshands in een politiecel te laten verblijven in afwachting van de verwachte bereidheid tot overname door de Belgische autoriteiten. De stelling van verweerder dat uit efficiencyoverwegingen de vreemdeling niet hoefde te worden geplaatst in een Huis van Bewaring deelt de rechtbank derhalve niet. Beroep ongegrond, toekenning schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/74217 VRWET

Inzake : A, verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. drs. J. Hemelaar, advocaat te Hoofddorp,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1963 en de Indiase nationaliteit te hebben.

Op 8 december 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Op 10 december 2000 heeft de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld en daarbij tevens verzocht om toekenning van een schadevergoeding.

3. Op 19 december 2000 heeft verweerder de bewaring ambtshalve opgeheven en de vreemdeling uitgezet. Namens de vreemdeling is het beroep beperkt tot het verzoek om schadevergoeding voor iedere dag dat de bewaring onrechtmatig moet

worden geacht.

4. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op

19 december 2000. De vreemdeling is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de bewaring na indiening van het beroepschrift is opgeheven. Gelet hierop is thans nog in geschil of de bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op

grond van artikel 34j van de Vreemdelingenwet toe te kennen.

2. De gemachtigde van de vreemdeling voert aan dat de verbalisanten een onderzoek hebben ingesteld op basis van slechts het enkele bericht dat een uitgeprocedeerde asielzoeker in dat pand zou verblijven. Voornoemde melding is te

algemeen en te vaag om een onderzoek in dat woonhuis te rechtvaardigen. Voorts voert de gemachtigde van de vreemdeling aan dat de bewaring meteen opgeheven had moeten worden, zodra men wist dat de vreemdeling beschikte over een

geldige verblijfstitel in België. Tevens stelt de gemachtigde dat zijn cliënt meer dan 10 dagen heeft verbleven in een politiecel. Bij vaststelling van het schadebedrag dient derhalve uitgegaan te worden van het tarief van f. 200,-

per dag.

3. Namens verweerder is aangevoerd dat na de melding onderzoek is gedaan in het GBA-systeem. Een anonieme tip in combinatie met voornoemd onderzoek volstaat derhalve. Verweerder erkent dat de dienst op 11 december 2000 beschikte

over Belgische documenten waaruit kon blijken dat de vreemdeling een rechtsgeldige verblijfstitel had aldaar, doch op basis van kopieën mogen geen conclusies getrokken worden. Op 18 december 2000 is de echtheid van de documenten

bevestigd, waarna de vreemdeling de dag daarop is uitgezet naar België. Verweerder voert tevens aan dat binnen de gestelde termijn van 10 dagen bekend is geworden dat de vreemdeling op de 11e dag uitgezet kon worden. Indien blijkt

dat de uitzetting op korte termijn gerealiseerd kan worden, is overschrijding van de maximale termijn van 10 dagen voor verblijf in een politiecel met een dag derhalve niet fataal.

4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.

Op 8 december 2000 kwam een recente anonieme tip binnen bij de afdeling vreemdelingenzorg omtrent het verblijf van een illegale vreemdeling op het adres [...]laan 37 te B. Nadat de gegevens waren geverifieerd bij de Gemeentelijke

Basisadministratie persoonsgegevens, hebben de verbalisanten een onderzoek ingesteld op voornoemde adres. De vreemdeling trachtte middels een geldige identiteitskaart die niet aan hem toebehoorde, zich te legitimeren. Gelet op de

feiten en omstandigheden zoals die naar voren komen uit voornoemde geschetste gang van zaken waren er voldoende concrete aanwijzingen dat de vreemdeling illegaal in Nederland verbleef, zodat de verbalisant op grond van artikel 19,

eerste lid, Vw bevoegd was hem staande te houden ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

5. De rechtbank is van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, wiens uitzetting was gelast, op een juiste grondslag berustte. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikte over een geldige titel

tot verblijf, niet in het bezit was van een geldig identiteitsbewijs en niet beschikte over voldoende middelen van bestaan.

Bovendien heeft de vreemdeling zich hier te lande bediend van authentieke identiteitspapieren die hem niet toebehoorden. Gelet hierop bestond ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. Aan

dit oordeel doet niet af dat de vreemdeling te kennen had gegeven dat hij Nederland zelf zou verlaten. Immers, niet is gebleken dat hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestond, zodat er geen grond aanwezig was de bewaring met

toepassing van artikel 26, tweede lid, Vw op te heffen.

De rechtbank deelt de opvatting van verweerder dat de geldigheid van de Belgische documenten eerst geverifieerd diende te worden.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk is gegaan. Nadat verweerder op 18 december 2000 de toezegging had gekregen van de Belgische autoriteiten dat men de vreemdeling aan de grens zou over nemen,

heeft verweerder de uitzetting op de volgende dag bewerkstelligd.

7. De rechtbank stelt dat het in het algemeen onwenselijk moet worden geacht dat de bewaring in een politiecel wordt tenuitvoergelegd. De rechtbank constateert dat verweerder in casu niet consistent heeft gehandeld door de

vreemdeling op 11 december 2000 aan te melden bij het Rayonbureau van de Huizen van Bewaring, echter niet met de bedoeling de vreemdeling zo spoedig mogelijk te plaatsen, doch de vreemdeling voorshands in een politiecel te laten

verblijven in afwachting van de verwachte bereidheid tot overname door de Belgische autoriteiten. De stelling van verweerder dat uit efficiencyoverwegingen de vreemdeling niet hoefde te worden geplaatst in een Huis van Bewaring

deelt de rechtbank derhalve niet. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet onredelijk is de vreemdeling een schadevergoeding toe te kennen ter grootte van een dag onrechtmatig verblijf in een politiecel

ten bedrage van 1 x f. 200,-.

8. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid

ongerechtvaardigd is te achten.

9. Het beroep is derhalve ongegrond. Wel bestaat aanleiding tot toekenning van een schadevergoeding.

10. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. Verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f. 200,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen

van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2000, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.

afschrift verzonden op: