Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0068

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
06-08-2003
Zaaknummer
AWB 00/66269
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / visum.

De president stelt vast dat verweerder het beroep van verzoekster op haar vertrek uit België naar Angola en het aldus verlaten van het Dublingebied, beoordeeld heeft aan de hand van artikel 10, derde lid van de Overeenkomst van Dublin (OvD), volgens welke de verplichtingen van de lidstaat die voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijk is, vervallen, indien de betrokken vreemdeling het grondgebied van de lidstaten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten.

Hoewel verzoeksters paspoort met visum naar zij stelt bij terugkeer in Angola in beslag is genomen, wordt door verweerder niet betwist dat zij destijds mét paspoort België is binnengekomen en dat het visum (ten tijde van de asielaanvraag) minder dan zes maanden was verlopen. Gelet op deze grondslag en in aanmerking genomen dat verzoekster zich uitdrukkelijk beroept op hetgeen haar na terugkeer naar Angola is overkomen, heeft de gemachtigde van verzoekster naar het oordeel van de president het gelijk aan zijn zijde als hij stelt dat verweerder zich ervan had behoren te vergewissen of de inhoud van laatstgenoemd voorschrift in dit geval nu juist niet aan het indienen van een claim bij België in de weg stond. De enkele omstandigheid dat de asielzoeker het Dublingebied verlaat, heeft ingevolgde artikel 5, vierde lid, OvD immers tot effect dat de lidstaat die het visum heeft verstrekt niet langer als de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat geldt.

De president overweegt verder dat voor zover verweerder thans in twijfel trekt of verzoekster daadwerkelijk vanuit België naar Angola is gereisd, het bestreden besluit daarentegen veeleer in het teken staat van de conclusie dat althans niet aannemelijk is dat verzoekster gedurende minimaal drie maanden het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Het besluit en verweerschrift doen zelfs bij lezing de indruk ontstaan dat verweerder van opvatting is dat de regeling van artikel 10 van de OvD aan die van artikel 5, vierde lid, OvD derogeert, zijnde een opvatting die naar het oordeel van de president artikel 10 OvD geweld aandoet, nu die bepaling blijkens haar bewoordingen ziet op situaties waarin volgens de regels van de OvD de verantwoordelijke lidstaat is aanwezen. Artikel 10 heeft aldus - naar ter zitting overigens is gebleken ook in de visie van verweerder - geen betekenis voor gevallen waarin de bepalingen van de OvD geen verantwoordelijke lidstaat aanwijzen.

Het gegeven dat België de claim heeft geaccordeerd is een omstandigheid die naar het oordeel van de president verweerder niet ontslaat van de uit de OvD voortvloeiende verplichting om volgens de regels van die overeenkomst te beoordelen welke lidstaat in casu verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Gelijk uit het hiervoor overwogene volgt, heeft verweerder zijn zienswijze dat in het onderhavige geval België als verantwoordelijke lidstaat geldt, niet op een deugdelijke en voor verzoekster kenbare wijze onderbouwd, zodat het aangevallen besluit een wezenlijke tekortkoming vertoont.

Verder acht de president niet van betekenis ontbloot dat het asielrelaas van verzoekster in niet onbelangrijke mate betrekking heeft op omstandigheden die verzoekster eerst na haar vertrek uit België zouden zijn overkomen, hetgeen de vraag doet opkomen of dit onderdeel van verzoeksters asielrelaas door verweerder buiten inhoudelijke behandeling kon worden gelaten.

Weliswaar zou uit de bewoordingen van het bestreden besluit zijn af te leiden dat verweerder zich op dat onderdeel een inhoudelijk oordeel heeft gevormd, maar die veronderstelling verdraagt zich niet met de niet-ontvankelijk verklaring zelve, waarmede een inhoudelijke behandeling onverenigbaar is.

Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet

Reg.nr.: AWB 00/66269 VRWET

Inzake: A, mede namens haar minderjarige zoon, verzoekster, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde mr. E.H. de Vries,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. Y. Kalden.

1. ZITTING

Datum: 17 november 2000.

Zitting hebben:

mr. H. Ollermann, president,

mr. E. Witvoet, griffier.

Ter zitting zijn verschenen verzoekster in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.

Als tolk is verschenen mevrouw M.L. de Keijzer.

Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president onmiddellijk uitspraak gedaan als onder 3. vermeld.

2. OVERWEGINGEN

In geschil is de niet-inwilliging d.d. 18 september 2000 van de aanvraag van verzoekster om toelating als vluchteling wegens de niet-ontvankelijkheid ervan en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar

hier te lande niet mag worden afgewacht.

Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 15b, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet (Vw) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat België, alwaar verzoekster op 19 februari 2000 met een door de Belgische consulaire

autoriteiten in Luanda afgegeven visum is ingereisd, verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de asielaanvraag in Nederland inhoudelijk in behandeling had behoren te worden genomen. Zij heeft daarbij (onder meer) aangevoerd dat zij, na een kort verblijf in België, waar zij op de

Angolese ambassade in Brussel als secretaresse werkzaam was, op 23 maart 2000 is teruggekeerd naar Angola. De terugkeer geschiedde op last van de Angolese autoriteiten en hield volgens zeggen van verzoekster verband met het - onder

verdachte omstandigheden - overlijden van de ambassadeur, korte tijd na verzoeksters indiensttreding. Na aankomst in Angola is verzoeksters diplomatieke paspoort ingenomen. Uit angst voor vervolging heeft verzoekster op 6 april 2000

Angola verlaten en is zij, na een verblijf van drie dagen in Moskou, Nederland ingereisd.

De president stelt allereerst vast dat verweerder blijkens het bestreden besluit het beroep van verzoekster op haar vertrek naar Angola en het aldus verlaten van het Dublin-gebied, geheel en al beoordeeld heeft aan de hand van het

derde lid van artikel 10 van de Overeenkomst van Dublin (OvD). Ingevolge dit artikelgedeelte vervallen de daar aangegeven verplichtingen van de lidstaat die op grond van de OvD verantwoordelijk is voor de behandeling van het

asielverzoek, indien de betrokken vreemdeling het grondgebied van de Lid-Staten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten.

Hoewel verzoeksters paspoort met visum naar zij stelt bij terugkeer in Angola in beslag is genomen, wordt blijkens het verhandelde ter zitting door verweerder niet betwist dat zij destijds m‚t paspoort België is binnengekomen en dat

bedoeld visum (ten tijde van de asielaanvraag) minder dan zes maanden was verlopen. De door verweerder toegepaste claimgrond - artikel 5, vierde lid, OvD - gaat ook van die veronderstelling uit.

Gelet op deze grondslag en in aanmerking genomen dat verzoekster zich uitdrukkelijk beroept op hetgeen haar na terugkeer naar Angola is overkomen, heeft de gemachtigde van verzoekster naar het oordeel van de president het gelijk aan

zijn zijde als hij stelt dat verweerder zich ervan had behoren te vergewissen of de inhoud van laatstgenoemd voorschrift in dit geval nu juist niet aan het indienen van een claim bij België in de weg stond. De enkele omstandigheid

dat de asielzoeker het Dublingebied verlaat, heeft ingevolgde artikel 5, vierde lid, OvD immers tot effect dat de lidstaat die het visum heeft verstrekt niet langer als de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke

lidstaat geldt.

Een onderzoek als evenbedoeld heeft niet plaatsgevonden. Ter zitting is voorts gebleken dat verweerder niet onder ogen heeft gezien of uit artikel 11, derde lid, derde streepje en slot, van het comit‚besluit nr. 1/97 van 9 september

1997 (PB L 281/1 van 14 oktober 1997) niet heeft te volgen dat de tweede lidstaat de verklaringen van de asielzoeker omtrent het verlaten van het grondgebied van de lidstaten, op hun waarheid onderzoekt.

De president overweegt verder dat voor zover verweerder thans in twijfel trekt of verzoekster daadwerkelijk vanuit België naar Angola is gereisd, het bestreden besluit daarentegen veeleer in het teken staat van de conclusie dat

althans niet aannemelijk is dat verzoekster gedurende minimaal drie maanden het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Het besluit en verweerschrift doen zelfs bij lezing de indruk ontstaan dat verweerder van opvatting is dat

de regeling van artikel 10 van de OvD aan die van artikel 5 lid 4 OvD derogeert, zijnde een opvatting die naar het oordeel van de president artikel 10 OvD geweld aandoet, nu die bepaling blijkens haar bewoordingen ziet op situaties

waarin volgens de regels van de OvD de verantwoordelijke lidstaat is aanwezen. Artikel 10 heeft aldus - naar ter zitting overigens is gebleken: ook in de visie van verweerder - geen betekenis voor gevallen waarin de bepalingen van

de OvD (hetzij op grond van artikel 5 lid 4, hetzij om andere reden) geen verantwoordelijke lidstaat aanwijzen.

Het gegeven dat België de claim heeft geaccordeerd is een omstandigheid die naar het oordeel van de president verweerder niet ontslaat van de uit de OvD voortvloeiende verplichting om volgens de regels van die overeenkomst te

beoordelen welke lidstaat in casu verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Verweerder heeft weliswaar de stelling beproefd dat de aangehaalde bepalingen rechtstreekse werking moet worden ontzegd, maar deze stelling baat verweerder niet. De stelling laat immers - wat daarvan zij - onverlet dat in een geval

als het onderhavige eerst tot niet-ontvankelijk verklaring op de door verweerder gebezigde grond (15b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) kan worden overgegaan nadat het bestuursorgaan met toepassing van de OvD heeft

vastgesteld dat een andere lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag verantwoordelijk is. De tekst van deze bepaling sluit een andere uitleg uit.

Dit laatste impliceert dat verweerder zich dient te verantwoorden voor zijn beslissing om verzoekster bij de Belgische autoriteiten te claimen en daarbij niet kan volstaan met te verwijzen naar de positieve reactie die op het

claimverzoek is gevolgd. Daarbij laat de president nog in het midden of, zoals door verweerder is gesuggereerd maar uit de tekst van het verzoek gedateerd 1 augustus 2000 niet onomstotelijk volgt, de Belgische autoriteiten op de

hoogte zijn gebracht van het betoog van verzoekster dat zij België wederom is uitgereisd en via omzwervingen Nederland is ingereisd.

Gelijk uit het hiervoor overwogene volgt, heeft verweerder zijn zienswijze dat in het onderhavige geval België als verantwoordelijke lidstaat geldt, niet op een deugdelijke en voor verzoekster kenbare wijze onderbouwd, zodat het

aangevallen besluit een wezenlijke tekortkoming vertoont.

Verder acht de president niet van betekenis ontbloot dat het asielrelaas van verzoekster in niet onbelangrijke mate betrekking heeft op omstandigheden die verzoekster eerst na haar vertrek uit België zouden zijn overkomen, hetgeen

de vraag doet opkomen of dit onderdeel van verzoeksters asielrelaas door verweerder buiten inhoudelijke behandeling kon worden gelaten.

Weliswaar zou uit de bewoordingen van het bestreden besluit zijn af te leiden dat verweerder zich op dat onderdeel een inhoudelijk oordeel heeft gevormd, maar die veronderstelling verdraagt zich niet met de niet-ontvankelijk

verklaring zelve, waarmede een inhoudelijke behandeling onverenigbaar is.

Een en ander voert tot de slotsom dat het bestreden besluit naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige tekortkomingen vertoont, dat het verzoek om voorlopige voorziening toewijsbaar is.

De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs

heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

f 710,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te

geschieden.

3. BESLISSING

De president:

1. wijst het verzoek toe, in zoverre dat verzoekster niet mag worden uitgezet tot en met vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoekster betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.