Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9830

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/69765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Algerije / zicht op uitzetting.

Het aantal uitzettingen naar Algerije dat binnen een bepaalde periode kan plaatsvinden is beperkt omdat de Algerijnse autoriteiten er maximaal één per vlucht accepteren. Onder die omstandigheden doet een tijdsverloop van enkele weken niet af aan het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting. Beroep ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/69765 VRWET

Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. M.S.C. Leistra, advocaat te Zoetermeer

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. T. Ponte, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1971 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

Op 16 oktober 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Bij kennisgeving ex artikel 86 Vreemdelingenbesluit van 10 november 2000, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op dezelfde datum, heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling sedert vier weken in bewaring

verblijft, zonder dat hij beroep tegen de maatregel van bewaring heeft ingesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid, Vw.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 21 november 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens was ter zitting aanwezig de heer H. el Mouttahid, tolk in de Arabische taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet

gerechtvaardigd is te achten.

2. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan door de uitzetting niet eerder dan 1 december 2000 te plannen, terwijl het Algerijnse paspoort van de vreemdeling reeds op 31 oktober

2000 is bezorgd bij de Vreemdelingendienst te Rotterdam. De gemachtigde is van mening dat een termijn van niet meer dan twee weken acceptabel zou zijn geweest, zodat de bewaring in het onderhavige geval sinds 14 november 2000

onrechtmatig geacht moet worden.

3. Namens verweerder is aangevoerd dat er niet gesproken kan worden van een gebrek aan voortvarendheid nu er na ontvangst van het paspoort van de vreemdeling een vlucht naar Algerije is geboekt.

4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank vloeide uit de feiten en omstandigheden als weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding een redelijk vermoeden voort dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een

strafbaar feit. Gelet op het bepaalde in artikel 52 jo. artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bestond derhalve de bevoegdheid hem aan te houden. Aangezien hierna is gebleken van concrete aanwijzingen over illegaal verblijf

als bedoeld in artikel 19, eerste lid, Vw, is de vreemdeling na de beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek terecht staandegehouden ingevolge die bepaling.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, wiens uitzetting is gelast, op een juiste grondslag berust. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige

titel tot verblijf, zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal

onttrekken.

Bovendien wordt de vreemdeling verdacht van het plegen van een strafbaar feit.

6. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld door direct in aansluiting op de ontvangst van het geldige Algerijnse

paspoort van de vreemdeling te bewerkstelligen dat de vreemdeling zo snel mogelijk kon worden uitgezet.

Verweerder heeft nader bericht dat op 31 oktober 2000 aan de Koninklijke Marechaussee is gevraagd om op de kortst mogelijke termijn een vlucht naar Algerije te boeken. De Algerijnse autoriteiten hebben meegedeeld dat zij maximaal

één déporté per vlucht naar Algerije accepteren. Hierdoor is het aantal uitzettingen dat binnen een bepaalde periode kan plaatsvinden beperkt.

Onder die omstandigheden moet het er voor worden gehouden dat een tijdsverloop van enkele weken niet afdoet aan het oordeel dat verweerder met voortvarendheid heeft gewerkt aan de uitzetting van de vreemdeling.

7. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid

ongerechtvaardigd is te achten.

8. Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven. Er bestaat dan ook geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen

van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. N. Hobby, griffier.

afschrift verzonden op: