Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9822

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/61068
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Iran / laissez-passer / zicht op uitzetting.

Uitspraak betreffende het afgeven van reisdocumenten door de Iraanse autoriteiten. Eiser, van Iraanse nationaliteit, weigert vrijwillig naar Iran terug te keren. Bij het ontbreken van vrijwilligheid geven de Iraanse autoriteiten geen laissez-passer af. Echter gedwongen uitzetting is desondanks mogelijk indien er documenten van de vreemdeling aanwezig zijn waaruit voldoende van diens identiteit blijkt. Gelet hierop en op het verhoor van eiser omtrent zijn identiteit en nationaliteit, is er zicht op uitzetting naar Iran.

De sinds begin 2000 lopende onderhandelingen tussen de Nederlandse en de Iraanse autoriteiten bieden zicht op een verdere verruiming van het beleid met betrekking tot de afgifte van reisdocumenten door de Iraanse autoriteiten.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/61068 VRWET

inzake: A, van (gestelde) Iraanse nationaliteit, verblijvende in Penitentiaire Inrichting te Ter Apel, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 25 augustus 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Op 25 augustus 2000 is schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 25 augustus 2000 heeft mr. S.M. Breukels, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning

van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

De behandeling van het beroep is aangevangen ter openbare zitting van 5 september 2000, en voortgezet op 7 september 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.J.C. Valkenaars, kantoorgenoot van mr. Breukels,

voornoemd. Verweerder heeft zich doen

vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Als

tolk was ter zitting aanwezig mevrouw A.S. Datoobar.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

De bewaring is onrechtmatig aangezien zicht op uitzetting ontbreekt. De gemachtigde van eiser heeft er op gewezen dat de Iraanse autoriteiten slechts een laissez-passer afgeven indien de vreemdeling vrijwillig naar Iran wil

terugkeren. Eiser wenst echter niet meer terug te gaan naar Iran.

Eiser verzoekt de bewaring op te heffen zodat hij naar Duitsland kan reizen. De vader van eiser, die in Duitsland verblijft, regelt immers thans aldaar, al dan niet langs legale weg, documenten voor eiser om vanuit Duitsland naar

Canada te reizen. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij van de Iraanse autoriteiten geen paspoort krijgt, maar dat hij wel een laissez-passer kan verkrijgen om terug te keren naar Iran. Tot slot heeft eiser er op gewezen dat

hij enige tijd geleden met de heer Nanninga van de Vreemdelingendienst te Hoogeveen de afspraak heeft gemaakt dat hij de gelegenheid zou krijgen om binnen zes uur Nederland vrijwillig te verlaten.

Zij spraken af dat eiser de heer Nanninga alstoen telefonisch vanuit Duitsland zou berichten om zijn vertrek te bevestigen. Eiser geeft desgevraagd toe dat hij op eigen risico vanuit Duitsland is teruggekeerd naar Nederland.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

De Iraanse autoriteiten geven bij het ontbreken van medewerking van de vreemdeling in beginsel inderdaad geen laissez-passer af, echter gedwongen uitzetting naar Iran is desondanks mogelijk indien er documenten van de vreemdeling

aanwezig zijn waaruit voldoende van diens identiteit blijkt.

Gelet hierop en het op 8 september 2000 te houden verhoor van eiser omtrent zijn identiteit en nationaliteit, is er wel degelijk zicht op uitzetting.

Voorts benadrukt verweerder dat eiser ongewenst is verklaard en het belang van verweerder zwaarder weegt dan het belang van eiser bij opheffing ervan.

Daarnaast benadrukt verweerder dat de sinds begin dit jaar lopende onderhandelingen tussen de Nederlandse en Iraanse autoriteiten uitzicht bieden op een verdere verruiming van het beleid met betrekking tot de afgifte van

reisdocumenten.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat eiser op juiste gronden in bewaring is gesteld. Eiser beschikt immers niet over een geldige titel tot verblijf, zijn identiteit en nationaliteit staan niet vast, hij beschikt niet over een vaste woon-

of verblijfplaats hier te lande noch over voldoende middelen van bestaan en zijn uitzetting is gelast.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerders standpunt dat aannemelijk is dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken, niet ongegrond is. Daarbij heeft de rechtbank met name rekening gehouden met het

feit dat eiser ondanks zijn ongewenst verklaring, toch weer naar Nederland is teruggekeerd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Daartoe is niet slechts van belang hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard, maar ook dat eiser zelf te kennen heeft gegeven dat

hij in het bezit van een laissez-passer kan worden gesteld.

Reeds gelet op het feit dat eiser ongewenst is verklaard is de rechtbank voorts, anders dan eiser, van oordeel dat er geen aanleiding is hem in de gelegenheid te stellen vrijwillig naar Duitsland te vertrekken.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om de bewaring op te heffen.

De rechtbank concludeert dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten.

Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 34j Vw of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 21 september 2000, in tegenwoordigheid van mr. E. Reijnders, griffier.

Afschrift verzonden op: 28 september 2000

Conc.: ER

Coll:

Bp:-

D:C

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.