Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9821

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99-12333
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Noord-Irak / Koerd / risicocategorieën.

Eiser behoort tot de Koerdische bevolkinggroep uit Noord-Irak. Eiser heeft gewerkt als peshmerga voor de PUK. Daarnaast is hij dichter een heeft hij voor een zaal met publiek een gedicht voorgedragen waarin hij zich kritisch heeft uitgelaten over de PUK. Daarna werd eiser door de PUK met de dood bedreigd. Toch heeft hij nogmaals een kritisch gedicht voor een zaal met publiek voorgedragen. Daarbij richtte zijn kritiek zich ook op de KDP. Eiser heeft zijn gedichten voorgedragen in Sulaymania. Volgens verweerder had eiser een binnenlands vestigingsalternatief in KDP-gebied, nu de KDP niet op de hoogte was geraakt van eisers kritische gedichten.

De rechtbank overweegt dat eisers vluchtrelaas niet zondermeer ongeloofwaardig is en past in hetgeen bekend is over de situatie in Irak. In het ambtsbericht van 31 maart 1998 wordt als een van de risicogroepen genoemd "intellectuelen die een onafhankelijke positie ten opzichte van de beide Koerdische partijen innemen". De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat eiser tot die risicogroep behoort en om die reden had eiser op bezwaar gehoord moeten worden. Gegrond beroep. Vernietiging bestreden besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

regnr.: Awb 99-12333 VRWET Z VR

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1968,

verblijvende te B,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 9808.02.2015,

eiser,

gemachtigde: mr. H.B. Boogaart, advocaat te Groningen;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. B.Th. Moerkoert, advocaat te 's-Gravenhage.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 3 augustus 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 12 mei 1999, uitgereikt aan eiser op 5 juli 1999, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser

geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

1.2 Eiser heeft daartegen bij brief van 29 juli 1999 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 1 december 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 23 december 1999 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 augustus 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.3 Het vluchtrelaas van eiser komt op het volgende neer.

Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en is afkomstig uit Noord-Irak. Vanaf 1985 tot mei 1998 heeft eiser gewerkt als peshmerga voor de PUK. In april 1991 is eiser door de Iraakse autoriteiten opgepakt in Arbil en

overgebracht naar Kirkuk. Begin 1992 werd hij tijdens onderhandelingen tussen Barzani en de autoriteiten weer vrijgelaten. Op 23 oktober 1997 werd een neef van eiser, genaamd C, tijdens gevechten tussen de PUK en de KDP gedood. C

was een stafchef van het leger. Toen de broer van C bij Kosrat - de president van het Koerdische gebied - informeerde waar zijn broer was gebleven, werd er door de president gesuggereerd dat C een lafaard was en dat hij

waarschijnlijk zat ondergedoken. Als reactie hierop heeft eiser in februari 1998 een gedicht voorgedragen in een zaal met publiek, waarin hij zich kritisch heeft uitgelaten over de PUK. Naar aanleiding van deze gebeurtenis moest

eiser zich melden bij de derde afdeling van de PUK, waar hij van de PUK de waarschuwing kreeg dat hij een fout had gemaakt en dat hij deze fout niet moest herhalen omdat hij anders gedood zou worden. In april 1998 heeft eiser

wederom een gedicht voorgelezen, waarin hij de Koerdische politieke partijen heeft bekritiseerd. Vanaf mei 1998 werd eiser als peshmerga ontslagen. In juni 1998 heeft een vriend van de familie van eiser een rapport van de

vertegenwoordiger van de PUK-kunstenaren aan eiser getoond, waarin stond dat eiser in het geheim moest worden gedood. Op 7 juli 1998 besloot eiser daarop Irak te verlaten laten.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiser gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat eiser te vrezen heeft voor vervolging

in vluchtelingenrechtelijke zin van de Iraakse autoriteiten heeft verweerder overwogen dat de detentie en de mishandelingen in 1991/1992 toentertijd geen aanleiding hebben gevormd Irak te verlaten.

Ten aanzien van de gestelde problemen van de zijde van de PUK-autoriteiten heeft verweerder gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet kan worden afgeleid dat zijn gedichten dermate kritisch jegens de PUK waren dat hij hierdoor

in de negatieve belangstelling van de PUK-autoriteiten is komen te staan. Tevens heeft verweerder dienaangaande gesteld dat niet valt in te zien dat hij niet meteen is vastgenomen nadat hij het tweede gedicht had voorgedragen indien

hij door de PUK werd gezocht.

Voorts valt volgens verweerder niet in te zien dat eiser zonder problemen op zijn adres is kunnen blijven wonen tot zijn vertrek op 7 juli 1998, waarbij het door verweerder uiterst bevreemdend wordt geacht dat eiser op dit adres is

blijven wonen terwijl hij al op 24 juni 1998 op de hoogte was van het rapport van de vertegenwoordiger van de PUK-kunstenaren. Daarnaast heeft eiser zijn verklaringen niet met documenten ondersteund.

Verweerder heeft tevens onder verwijzing naar de ambtsberichten van 31 maart 1998 en 13 november 1998 medegedeeld dat eiser een binnenlands

vestigingsalternatief in Noord-Irak heeft, waarbij is aangegeven dat eiser niet behoort tot één van de risicogroepen. Eiser kan zich (tijdelijk) in KDP-gebied vestigen. Daarbij acht verweerder van belang dat niet is gebleken dat de

KDP op de hoogte is geraakt van zowel het feit dat eiser als peshmerga actief was voor de PUK als de door eiser voorgedragen gedichten in februari en april 1998, waarin hij kritiek uitoefent op de Koerdische politieke partijen.

Evenmin komt eiser in aanmerking voor een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard. Niet aannemelijk is dat van eiser als gevolg van de traumatische ervaringen niet in redelijkheid kan worden verwacht terug

te keren naar het land van herkomst.

Voorts faalt een beroep op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Ten slotte heeft verweerder gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf onder verwijzing naar de brief van 20 november 1998 van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer.

2.5 Eiser stelt zich in bezwaar op het standpunt dat de politieke en mensenrechtensituiin Noord-Irak slecht is zodat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de aanvraag kennelijk ongegrond is. Ten aanzien van de detentie en

mishandelingen in 1991/1992 heeft eiser gesteld dat hij destijds ernstig is mishandeld en dat daarvan de sporen nog zichtbaar zijn. Niet ondenkbaar is dat eiser als gevolg hiervan blijvend psychische en lichamelijk letsel heeft

overgehouden.

In bezwaar heeft eiser tevens gesteld dat het rapport waarin hij wordt beschuldigd beschikbaar is en dat een vertaling zal worden toegezonden.

Voorts is gesteld dat terugzending een schending inhoudt van artikel 3 EVRM dan wel artikel 3 van het Anti-Folterverdrag.

Ten slotte is gesteld dat eiser in aanmerking dient te komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf.

In beroep heeft eiser afschriften overgelegd van het rapport waarin hij wordt beschuldigd van subversieve activiteiten met een vertaling daarvan alsmede een afschrift van een verklaring van het overlijden van eerder genoemde Kosrat

met eveneens een vertaling. Tevens is door eiser aangevoerd dat kritiek op autoriteiten, zoals eiser die heeft geuit, niet wordt aanvaard door de autoriteiten en dat dit gevolgen kan hebben voor eiser. Dit wordt volgens eiser erkend

in de ambtsberichten van 31 maart en 13 november 1998, waar gesproken wordt over personen die zich onafhankelijk opstellen.

Tevens is het tegenwerpen van een binnenlands vestgingsalternatief niet juist, nu de situatie in Noord-Irak zeer instabiel is, waarbij door eiser is verwezen naar opvattingen elders, zoals in Duitsland die er op neer komen dat

Noord-Irak niet als veilig verblijfsalternatief kan gelden.

Voorts bestond er volgens eiser een rechtsplicht hem te doen horen.

2.6 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk

moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.7 De rechtbank oordeelt als volgt.

Aangaande de hoorplicht overweegt de rechtbank allereerst dat blijkens de overgelegde stukken eiser inderdaad niet is gehoord. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 11 juli 1996, inzake

Awb 96/1770, is er sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar, wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

De inhoud van het bezwaarschrift moet worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de

primaire beslissing.

Eisers vluchtrelaas is niet zonder meer ongeloofwaardig en het verhaal past in voldoende mate in hetgeen bekend is over de situatie in Irak.

Eiser heeft in het nader gehoor onder andere gesteld dat hij naast peshmerga eveneens zanger en dichter is. Dienaangaande heeft eiser onder andere gesteld dat hij in 1993 heeft gezongen over de Intifadah en dat hij daarvan

cassettebandjes heeft meegenomen. Voorts heeft eiser medegedeeld dat hij, nadat voornoemde C op 23 oktober 1997 werd gedood, in februari en april 1998 in het openbaar in de Rushbenbiri-zaal in Sulaymaniyah kritische gedichten heeft

voorgedragen. In april 1998 heeft eiser een gedicht voorgedragen, waarin hij zich kritisch heeft uitgelaten over beide Koerdische politieke partijen.

In het ambtsbericht van 31 maart 1998 (kenmerk:DPC/AM 568758) wordt een aantal risicogroepen in Noord-Irak genoemd die het risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Een van die groepen is de groep

intellectuelen, die een onafhankelijke positie ten opzichte van beide leidende Koerdische fracties innemen. Gelet op het bovenstaande is het naar het oordeel van de rechtbank niet ondenkbaar dat eiser behoort tot deze risiscogroep.

Teneinde daarover meer duidelijkheid te krijgen had het op de weg van verweerder gelegen om eiser te doen horen.

2.8 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 7:2 juncto 7:3 Awb door het horen van eiser achterwege te laten.

2.9 Het beroep is derhalve gegrond.

2.10 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eiser alsmede het griffierecht. Nu ten behoeve van eiser

een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van deze kosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,-.

3 BESLISSING

De rechtbank:

a. verklaart het beroep gegrond;

b. vernietigt de beschikking van 1 december 1999;

c. draagt verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;

d. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad f 50,00 aan eiser te vergoeden;

e. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad f 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C.P. Venema en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2000 in tegenwoordigheid van L. Nijenhuis als griffier.

-------------------

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: