Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9785

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/61519
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / presentatie / zicht op uitzetting.

Duur van de bewaring bedraagt ten tijde van de behandeling van het beroep ongeveer viereneenhalve maand. De geplande presentatie van de vreemdeling bij de Liberiaanse autoriteiten heeft vanwege omstandigheden - die overigens niet aan verweerder zijn toe te rekenen - niet plaatsgevonden.

Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat de presentatie van eiser bij de Liberiaanse autoriteiten naar verwachting over twee weken (namelijk eind september 2000) weer mogelijk zal zijn. De rechtbank stelt vast dat de bewaring op dat moment ongeveer vijf maanden van kracht zal zijn. De rechtbank is van oordeel dat de bewaring thans nog niet onrechtmatig is, doch dat, nu niet is komen vast te staan dat de presentatie van eiser daadwerkelijk binnen de door verweerder gestelde termijn zal kunnen plaatsvinden, de voortduring van de bewaring, gelet op alle aan de orde zijnde belangen, niet meer gerechtvaardigd zal zijn indien blijkt dat de presentatie van eiser niet vóór 1 oktober 2000 heeft plaatsgevonden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht

j° artikel 34a Vreemdelingenwet

reg.nr.: AWB 00/61519 VRWET

inzake: A, van (gestelde) Liberiaanse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 29 april 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet (Vw) in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van

eiser verstrekt.

Eerdere beroepen van eiser waarbij om opheffing van de bewaring werd verzocht, zijn bij uitspraken van 24 mei 2000 en 7 juli 2000 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 4 september 2000 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd, alsmede toekenning van een schadevergoeding alsmede

veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 12 september 2000. Eiser is verschenen bij gemachtigde mr. H.M.L. Brands, advocaat te Alphen aan den Rijn. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H. van Galen, werkzaam

bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft - samengevat -aangevoerd dat er thans geen zicht meer bestaat op de verwijdering nu een presentatie van eiser bij de Liberiaanse autoriteiten nog immer niet heeft plaatsgevonden. Voortduring van de bewaring is op grond

van het vorenstaande dan ook niet rechtmatig.

Verweerder heeft het volgende aangevoerd. Vanwege de omstandigheid dat in de maanden mei en juni van dit jaar personeel van de Koninklijke Marechaussee in Monrovia is bedreigd, zijn de uitzettingen naar Liberia en de presentaties

bij de Liberiaanse vertegenwoordiging te Brussel opgeschort. De Liberiaanse ambassadeur is momenteel in Monrovia om voornoemde problematiek te bespreken. Personeel van de Liberiaanse ambassade te Brussel heeft medegedeeld dat de

presentaties naar verwachting eind september 2000 weer zullen worden hervat. Op grond van het vorenstaande kan dan ook niet worden gesteld dat er geen zicht op de verwijdering van eiser bestaat. De bewaring dient dan ook niet worden

opgeheven.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onderhavig beroep is niet het eerste beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortduring van die maatregel gerechtvaardigd is te achten.

De rechtbank stelt vast dat de bewaring thans ongeveer 4½ maand duurt. Met betrekking tot de vraag of er nog immer zicht op de verwijdering bestaat, overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens de vorige uitspraak van 7 juli 2000 is tijdens de behandeling van het vorige beroep door verweerder medegedeeld dat de presentatie van eiser bij de Liberiaanse autoriteiten waarschijnlijk medio augustus 2000 zou

plaatsvinden. De rechtbank stelt vast dat de presentatie tot op de datum van de behandeling van het onderhavige beroep (12 september 2000) niet heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft tijdens de behandeling van de onderhavige zaak

medegedeeld dat de presentatie van eiser naar verwachting eind september 2000 zal plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat voortduring van de onderhavige maatregel op dit moment nog niet onrechtmatig is, doch merkt daarbij wel

op dat, gelet op de omstandigheid dat uit hetgeen namens verweerder ter zitting is aangevoerd niet met zekerheid kan worden aangenomen dat de presentatie van eiser bij de

Liberiaanse autoriteiten daadwerkelijk eind september 2000 zal plaatsvinden, het belang van eiser bij de invrijheidstelling op 1 oktober 2000 zal prevaleren boven dat van verweerder bij de voortduring van de vrijheidsontnemende

maatregel indien op die datum nog geen presentatie heeft plaatsgevonden.

Uit het vorenstaande volgt dat de voortduring van de bewaring thans nog gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij

afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 34j Vw of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 19 september 2000, in tegenwoordigheid van L.W. Visser, griffier.

afschrift verzonden op:

Conc.: FS/LV

Coll:

Bp:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak, en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.