Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9784

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/60750
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / voortvarendheid.

Bij hernieuwde inbewaringstelling na een recente langdurige strafrechtelijke detentie waarin geen voorbereidingen zijn getroffen voor verwijdering en waarna niet is uitgezet, werkt hoofdstuk A4/6.9.9 van de Vc-1994 niet zodanig door dat het eerdere stilzitten verweerder kan worden tegengeworpen, tenzij sprake is van een vooropgezet plan van verweerder. Wél is verweerder in deze situatie te meer gehouden voortvarendheid te betrachten bij de beoordeling of bewaring ter fine van uitzetting opportuun is en bij de voorbereiding van de uitzetting.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer voor Vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht jo artikel 34a van de Vreemdelingenwet

reg.nr.: AWB 00/60750 VRWET

inzake: A, alias A, van (gestelde) Algerijnse nationaliteit, verblijvende in Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 18 augustus 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Op dezelfde datum is zijn uitzetting gelast.

Bij beroepschrift van 21 augustus 2000 heeft mr. J.W.L. Nillisen, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd, alsmede

toekenning van een schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 29 augustus 2000.

Verschenen zijn eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Nillisen, voornoemd, en verweerder bij gemachtigde mr. M. Verweij, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft zich ten aanzien van het zicht op uitzetting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Eiser meent dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser is vijf maanden strafrechtelijk gedetineerd geweest

vlak voordat hij in vreemdelingenbewaring is gesteld.

Verweerder heeft in die vijf maanden in het geheel niets gedaan om eisers uitzetting voor te bereiden of zijn identiteit vast te stellen. Dit klemt te meer nu eiser een maatregel tot ongewenstverklaring op 3 december 1998 is

opgelegd. Ook sinds 22 augustus 2000, toen eiser in een verhoor zijn ware personalia heeft gegeven en zijn medewerking heeft toegezegd, heeft verweerder onvoldoende voortvarendheid betracht. Eiser heeft inmiddels telefonisch van

zijn zus begrepen dat het niet mogelijk is om zijn paspoort te laten opsturen. Verweerder had al lang een afspraak voor presentatie bij de Algerijnse autoriteiten kunnen maken.

Verweerder meent dat de maatregel tot bewaring formeel en materieel gerechtvaardigd is geweest. Verder bestaat er zicht op uitzetting en kan niet worden gezegd dat de voorbereiding van de uitzetting niet met de nodige

voortvarendheid ter hand is genomen. Eiser heeft tijdens het verhoor op 22 augustus 2000 verklaard dat zijn echte naam B is, hij heeft het adres van zijn woning in Algiers gegeven en hij heeft verklaard dat hij graag terug wil naar

Algerije en familieleden zal verzoeken zijn paspoort op te sturen. Eiser krijgt de gelegenheid contact op te nemen met zijn familieleden. Als dit deze week niet tot resultaten leidt, zal verweerder zelf ook actie ondernemen.

Verweerder moet enige tijd worden gegund om een afspraak met de Algerijnse autoriteiten te maken.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, dat hij niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs, dat zijn nationaliteit niet vaststaat, dat hij ervan verdacht werd een misdrijf te hebben

gepleegd, dat niet vaststaat dat hij beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland of over voldoende middelen van bestaan en dat zijn uitzetting is gelast. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er

voldoende aanleiding is om aan te nemen dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken.

Voorts is niet gebleken dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt.

Eiser heeft tijdens het verhoor op 22 augustus 2000 nieuwe gegevens over zijn identiteit opgegeven en zich bereid verklaard alle medewerking te verlenen aan zijn uitzetting.

Aan de orde is vervolgens of verweerder het onderzoek met voldoende voortvarendheid ter hand heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat eiser, vlak voor de strafrechtelijke aanhouding die heeft geresulteerd in de huidige

vreemdelingenbewaring, vijf maanden strafrechtelijk gedetineerd is geweest. Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk A6/9.9 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994 moet verweerder alles in het werk stellen om bewaring ter fine van

uitzetting van vreemdelingen die strafrechtelijk gedetineerd zijn te voorkomen of althans zo kort mogelijk te houden.

Tijdens de hiervoor genoemde strafrechtelijke detentie heeft verweerder geen voorbereidingen voor de uitzetting van eiser getroffen. Eiser is na afloop van zijn strafrechtelijke detentie niet in vreemdelingenbewaring gesteld, noch

uitgezet. In een dergelijke situatie werkt de verplichting van eiser op grond van het bepaalde in de Vc zoals hiervoor gememoreerd in beginsel niet zodanig door dat, indien de vreemdeling kort nadat hij in vrijheid is gesteld

wederom binnen het bereik van verweerder komt, het verweerder wordt tegengeworpen dat dergelijke activiteiten tijdens de detentieperiode achterwege zijn gebleven. Dat zou anders kunnen zijn indien sprake is van een vooropgezet plan

van verweerder, doch daarvan is in deze niet gebleken nu eiser weer binnen het bereik van verweerder is gekomen vanwege het plegen van een strafbaar feit, hetgeen voor zijn eigen rekening en risico komt. Het enige gevolg dat in deze

zou kunnen worden verbonden

aan het stilzitten van verweerder tijdens de genoemde strafrechtelijke detentie zou kunnen zijn dat verweerder in het onderhavige geval te meer gehouden is voortvarendheid te betrachten, in de eerste plaats bij de beoordeling van de

vraag of bewaring ter fine van uitzetting opportuun is en in de tweede plaats bij de voorbereiding van de uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken dat verweerder het onderzoek met onvoldoende

voortvarendheid ter hand heeft genomen. Op 22 augustus 2000 is eiser nader gehoord, terwijl verweerder ter zitting heeft toegezegd op zeer korte termijn een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten te regelen. Bij dit alles speelt

voorts mee dat eiser ongewenst is verklaard ex artikel 21 van de Vw, zodat aan het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring derhalve een zwaar gewicht moet worden toegekend.

De rechtbank concludeert dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet, noch bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

Derhalve wordt het beroep strekkende tot opheffing van de bewaring ongegrond verklaard.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank niet bevoegd een vergoeding als bedoeld in artikel 34j van de Vw toe te kennen, en is er geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, en door deze uitgesproken in het openbaar op 12 september 2000, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.J. Lemmens, griffier.

afschrift verzonden op: 25 september 2000

Conc: YL

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak, en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.