Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9783

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2000
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/62827
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / Algemene Wet op het Binnentreden / zolderetage.

Feitelijk wordt vastgesteld dat de zolderetage, waar eiser en zijn broer zijn aangehouden, een woning is in de zin van de Awbi en dat eiser en zijn broer bewoners zijn. Op grond van de Awbi is voor het binnentreden van de zolder de toestemming van (een van) de bewoners zelf vereist. Nu deze toestemming niet is gevraagd aan de bewoner(s), noch kenbaar door deze(n)is gegeven, is het binnentreden onrechtmatig. Dat maakt ook de daaropvolgende aanhouding en de oplegging van de maatregel tot bewaring onrechtmatig.

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer voor Vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 34a van de Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/62827 VRWET

inzake : A, van (gestelde) Bosnische nationaliteit, voorheen bekend als B, van (gestelde) Italiaanse nationaliteit, verblijvende in Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 16 september 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Op dezelfde datum is zijn uitzetting gelast.

Bij beroepschrift van 18 september 2000 heeft mr. J. van Appia, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd, alsmede toekenning

van een schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 29 september 2000.

Verschenen zijn eiser, bijgestaan door mr. O.O. van der Lee, kantoorgenoot van eisers gemachtigde mr. Van Appia, voornoemd, en verweerder bij gemachtigde mr. M.P. Bouma, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van

verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser meent dat de maatregel tot bewaring van meet af aan in strijd met de wet is geweest. Hij is ten onrechte als B in bewaring gesteld. Eisers ware personalia waren al voor de inbewaringstelling bekend. Eerst op 21 september 2000

is de tenaamstelling van het bevel tot bewaring en de last tot uitzetting gewijzigd. Daarbij kon echter niet worden volstaan met het doorhalen en wijzigen van de personalia, zoals is gebeurd. Onduidelijk is wie de doorhaling heeft

geparafeerd. Diens bevoegdheid daartoe staat aldus niet vast. Er had (zo spoedig mogelijk) een nieuw bevel tot bewaring en een nieuwe last tot uitzetting afgegeven moeten worden, op eisers ware personalia. Ook de last tot uitzetting

is gebrekkig. Op de last is niet vermeld aan wie deze is afgegeven. Het is wonderlijk dat ten aanzien van eiser en zijn broer C, die samen met hem is aangehouden, verschillende lasten tot uitzetting zijn afgegeven.

De last ten aanzien van C is afgegeven door hoofdagent Martens aan hoofdagente Codrington; die ten aanzien van eiser is afgegeven door hoofdagente Codrington zelf. Bij de door verweerder ingezonden aanvullende stukken zit een

(gewijzigde) last tot uitzetting die is opgemaakt zoals de last ten aanzien van C

Verweerder heeft kennelijk het gebrek in de last willen herstellen. Ten aanzien van de (gewijzigde) last tot uitzetting is nog van belang dat eiser mogelijk nog in de asielprocedure zit. Tijdens het verhoor op 20 september 2000

heeft hij immers verklaard dat hij niet weet of hij uitgeprocedeerd is. Uit het dossier blijkt niet dat zijn asielprocedure afgerond is. Als hij niet is uitgeprocedeerd, brengt dat mee dat de korpschef niet bevoegd zou zijn de last

tot uitzetting te wijzigen, laat staan om de last tot uitzetting te verstrekken. Dat betekent dat er van meet af aan geen geldige last tot uitzetting zou zijn geweest. Ook de omstandigheid dat eiser een Nederlands kind heeft, leidt

tot die conclusie. Weliswaar heeft eiser zijn dochter niet erkend, maar dat doet aan de bloedverwantschap niet af. De oma van het kind, wier moeder bij de bevalling is overleden, zal bevestigen dat eiser de vader is. Voorts is de

strafrechtelijke aanhouding onrechtmatig geweest. De agenten van politie waren niet bevoegd tot binnentreden op de zolder waar eiser is aangehouden. Zij hadden een last tot binnentreden moeten hebben aangezien de zolder een woning

was. Eiser en zijn broer woonden er met toestemming van de hoofdbewoner; zij hadden een setje sleutels van hem gekregen.

Blijkens het proces-verbaal van de staandehouding hebben de agenten van politie zelf ook geconstateerd dat er op de zolder gewoond werd. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake is geweest van binnentreden met toestemming van de

bewoner(s). De aangeefster kan niet worden aangemerkt als bewoonster. De Algemene wet op het binnentreden (Awbi) beschermt het feitelijk woongenot. Eiser en zijn broer waren de feitelijke bewoners.

Zij hebben geen toestemming tot binnentreden gegeven.

Verweerder meent dat de maatregel tot bewaring formeel en materieel gerechtvaardigd is geweest. In het strafrechtelijk voortraject is niets misgegaan. Voor zover de Awbi van toepassing is, moet ervan worden uitgegaan dat er

toestemming tot binnentreden was. De bewoonster van de derde etage heeft aangifte gedaan van wederrechtelijk verblijf op zolder.

Uit het dossier blijkt overigens niet dat eiser en zijn broer geen toestemming hebben gegeven. Door de aangifte was er grond voor onderzoek door de politie. Bij het onderzoek zijn concrete aanwijzingen voor illegaal verblijf

gevonden. De last tot uitzetting is bevoegd gegeven.

Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling verklaard dat hij uitgeprocedeerd was. Dat is waarschijnlijk juist; het dossier moest voor deze zitting worden opgevraagd uit het archief. Eiser heeft zijn

stelling dat hij een Nederlands kind heeft niet onderbouwd.

Hij heeft in ieder geval zijn kind niet officieel erkend. De wijziging van het bevel tot bewaring leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring aangezien het fysiek dezelfde persoon betreft. Het is inderdaad vreemd dat er twee

verschillende lasten tot uitzetting bestaan. Verweerder wil graag in de gelegenheid worden gesteld de rechtbank nader te informeren over de achtergrond hiervan. Verder bestaat er volgens verweerder zicht op uitzetting en kan niet

worden gezegd dat de voorbereiding van de uitzetting niet met de nodige voortvarendheid ter hand is genomen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, eerste volzin, van de Awbi is degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het

toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het

binnentreden. Ingevolge het vierde lid van dit artikel vraagt de persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet

blijken aan degene die wenst binnen te treden.

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Awbi is voor het binnentreden de toestemming van één bewoner in beginsel voldoende. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit

binnentreden (TK 1984-1985, 19.073, nrs 1-3, blz. 10). Gelet hierop deelt de rechtbank de visie van verweerder in zoverre, dat, indien de betrokken zolderetage deel zou uitmaken van de woning die wordt bewoond door de door

verweerder genoemde bewoonster van de derde etage, uit de door haar gegeven toestemming tot het binnentreden, het vermoeden zou kunnen worden afgeleid dat de bewoner van de zolderetage met het binnentreden heeft ingestemd.

Aan de orde is dan ook de vraag of de betrokken zolderetage als afzonderlijke woning moet worden aangemerkt. Blijkens de wetsgeschiedenis van de Awbi strekt de onschendbaarheid van de woning er toe de huisvrede te beschermen, dat

wil zeggen het ongestoord verblijf in een ruimte die tot exclusief verblijf voor een persoon of voor een beperkt aantal in een

gemeenschappelijke huishouding levende personen ingericht en bestemd is.

Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door de uiterlijke kenmerken maar ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming (TK, 1984-1985, 19.073, nrs 1-3, blz. 20).

Blijkens de processen-verbaal van staandehouding van eiser en zijn broer d.d. 16 september 2000 stonden er op de zolderetage twee bedden en lagen er overal spullen waaronder kleding, eten en brandende kaarsen. Volgens het

proces-verbaal zag de zolderruimte er niet opgeruimd uit en was er duidelijk sprake van bewoning. Volgens de processen-verbaal hebben eiser en zijn broer opgegeven woonachtig te zijn op de desbetreffende zolderruimte.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat de zolderetage afsluitbaar was en dat hij en zijn broer over de sleutels beschikten. Onder deze omstandigheden dient er naar het oordeel van de rechtbank van uit te worden gegaan dat eiser en

zijn broer bewoners zijn van een zolderruimte, die moet worden aangemerkt als een afzonderlijke woning en dat derhalve voor het binnentreden de toestemming van de zolderbewoner(s) zelf, eiser en/of zijn broer, is vereist. Ook indien

juist zou zijn dat eiser en zijn broer geen huur betaalden, zou dit aan het voorgaande niet afdoen aangezien het huisrecht niet strekt tot bescherming van de huur van een woning maar van het ongestoorde gebruik ervan. De rechtbank

stelt vast dat uit genoemde processen-verbaal niet blijkt dat aan eiser en/of zijn broer toestemming is gevraagd de woning binnen te treden, noch dat zij op kenbare wijze toestemming daartoe hebben gegeven.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het binnentreden van de woning als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

Een effectieve bescherming van het bij de Grondwet gegarandeerde huisrecht brengt vervolgens mee dat de op het binnentreden gevolgde staandehouding en oplegging van de maatregel van bewaring eveneens onrechtmatig zijn, nu deze

mogelijk werden door en plaatsvonden na schending van dit huisrecht.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de overigens door partijen ingenomen stellingen buiten bespreking laten.

Nu gelet op het voorgaande de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan in strijd met de wet is geweest, wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevolen,

ingaande 29 september 2000.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 34j van de Vw toe te kennen en wel tot een bedrag van Fl. 200,= per dag dat eiser ten onrechte in het

politiebureau aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en Fl. 150,= per dag dat eiser ten onrechte in een Huis van Bewaring aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal Fl.

2.650,=. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat eiser eerst op maandag 2 oktober 2000 in vrijheid is gesteld, omdat het bevel tot invrijheidstelling niet eerder is ontvangen door de Penitentiaire Inrichting. Gronden tot matiging

acht de rechtbank niet aanwezig.

Gelet op het bovenstaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op Fl. 1.420,= als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Vw wordt opgeheven met ingang van 29 september 2000;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade ad Fl. 2.650,=

(Zesentwintighonderdenvijftig gulden), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad Fl. 1.420,= (veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der

Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, rechter, en door deze uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2000, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.J. Lemmens, griffier.

afschrift verzonden op: 19 oktober 2000

Conc: YL

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak, en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.