Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9730

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-05-2000
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
AWB 99/10548
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vtv geweigerd / begrip langdurige gevangenisstraf.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden kan worden aangemerkt als een langdurige gevangenisstraf in de zin van hoofdstuk B1/3.2.5 van de Vc-1994. Het zou tegen de ratio van verweerders beleid indruisen om te stellen dat een veroordeling tot zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens het plegen van een misdrijf niet voldoende grond oplevert om een vreemdeling een verblijfstitel te weigeren, terwijl deze veroordeling wel voldoende grond oplevert om de vreemdeling ongewenst te verklaren. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi RV20000052 met annotatie van

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10548 VRWET

inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1967, bezit de Surinaamse nationaliteit.

Op 23 oktober 1998 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf voor verblijf bij Nederlandse partner C. Bij besluit van 9 februari 1999 heeft verweerder

op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 2 maart 1999, aangevuld bij schrijven van 16 maart 1999. Op 29 juni 1999 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie.

Het bezwaar is bij besluit van 30 augustus 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 14 september 1999, aangevuld bij schrijven van 15 november 1999, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te

zullen behandelen. Op 22 december 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

In het verweerschrift van 24 maart 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2000.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C. Dekker, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M.J. van den Bosch, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst

van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig C, partner van eiser.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser is op of omstreeks 14 februari 1997 Nederland binnengekomen en verblijft sedertdien als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 20

mei 1997 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Deze veroordeling is op 4 juni 1997 onherroepelijk

geworden. Op 23 oktober 1998 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend.

3.1 Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat verweerder in de Vreemdelingencirculaire (Vc) niet heeft geexpliciteerd wat hij verstaat onder een "langdurige gevangenisstraf". Gelet op de omstandigheid dat uitdrukkelijk in paragraaf

B1/3.2.5 van de Vc, anders dan in paragraaf A4/4.3.2.1, niet is opgenomen dat onder langdurige gevangenisstraffen ook veroordelingen tot dienstverlening moeten worden begrepen, valt niet uit te sluiten dat de beleidsmaker bij

"langdurige gevangenisstraf" een vrijheidsstraf van meer dan zes maanden voor ogen stond. In geval van een veroordeling van meer dan zes maanden doet zich immers de mogelijkheid tot omzetting in dienstverlening niet voor. In dit

verband heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 14 november 1997 (nrs. AWB 97/4620 VRWET en AWB 97/3765 VRWET, JV1998/43). Daaraan voegt eiser nog toe dat het naar

analogie met de regeling betreffende weigering van voortgezet verblijf volgens de "glijdende schaal" niet logisch lijkt een gevangenisstraf van minder dan negen maanden als "langdurig" aan te merken. In de glijdende schaal is "meer

dan negen maanden" immers de laagste trede.

Op het door eiser gepleegde strafbare feit is bovendien een gevangenisstraf van twaalf jaren gesteld, in het licht waarvan de eiser opgelegde gevangenisstraf niet als langdurig is aan te merken. Gelet op verweerders beleidsvrijheid

bij de toepassing van de in paragraaf B1/3.2.5 neergelegde beleidsregel had verweerder bij de belangenafweging de pleegdatum (14 februari 1997), eventuele andere criminele antecedenten en de vraag of gevaar voor recidive bestaat,

moeten betrekken.

3.2 In beroep heeft eiser, in aanvulling van hetgeen in bezwaar is aangevoerd, naar voren gebracht dat in de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (ARRS) van 1 december 1987 (RO2.85.0656) is overwogen dat een

gevangenisstraf van vier maanden geen langdurige gevangenisstraf inhoudt. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de uitspraak van de president van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 6 december 1996 aanknopingspunten zijn

gelegen voor het oordeel dat in zijn geval de belangenafweging moet leiden tot het oordeel dat hem verblijf niet mag worden geweigerd op grond van het gestelde in paragraaf B1/1.2.5 van de Vc (de rechtbank leest: B1/3.2.5.).

Bij de belangenafweging dient verweerder rekening te houden met de pleegdatum en de aard en ernst van het strafbare feit, de omstandigheid dat hij vooraf noch nadien met justitie in aanraking is geweest, zijn huidige gezinssituatie

(op 22 september 1999 is eiser met C gehuwd), de omstandigheid dat het overgrote deel van eisers familie in Nederland woont en dat hij inmiddels via de Vrijwilligerscentrale werkzaam is bij een fietsenmaker te Amsterdam in het kader

van een opleiding.

Ter gelegenheid van de zitting bij de politierechter is door eisers toenmalige gemachtigde namens eiser aangeboden dat de straf zou worden opgelegd in de vorm van dienstverlening ten algemene nutte. Ter zitting is dat aanbod niet

aanvaard door de politiesrechter omdat eiser niet over de Nederlandse nationaliteit dan wel een geldige verblijfstitel beschikte. Verweerder maakt ten onrechte onderscheid tussen oplegging van gevangenisstraf en dienstverlening voor

wat betreft de toepassing van haar openbare orde-beleid.

3.3 Ter zitting heeft eiser aanvullend - kort samengevat - naar voren gebracht dat verweerder de term "langdurige gevangenisstraf" in zijn beleid niet heeft geconcretiseerd. Derhalve moet aansluiting worden gezocht bij wel in wet of

beleid geregelde termijnen zoals de zes maanden termijn die voor de Politierechter geldt. In die gevallen waarin dienstverlening niet mogelijk is -dus bij een gevangenisstraf van meer dan zes maanden-, is sprake van een langdurige

gevangenisstraf als bedoeld in het terzake geldende beleid. Het feit dat de opgelegde zes maanden gevangenisstraf niet is omgezet in dienstverlening had louter en alleen te maken met het feit dat eiser toentertijd niet beschikte

over een vaste woon- en verblijfplaats.

In verband met het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wijst eiser er op dat zijn echtgenote in Nederland duurzaam een medische

behandeling ondergaat wegens chronische vermoeidheid, in verband waarmee zij eiser niet kan volgen naar Suriname.

4.1 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat na afweging van de betrokken belangen, aan de belangen van de Nederlandse Staat meer gewicht dient te worden toegekend dan aan eisers belangen. Eiser is

veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en de politierechter heeft er niet voor gekozen om in plaats van de gevangenisstraf een veroordeling tot dienstverlening uit te spreken, terwijl deze mogelijkheid wel bestond. De

omstandigheid dat eiser geen

andere criminele antecedenten heeft, (voor zover gebleken) niet heeft gerecidiveerd en zich (naar gesteld) in een stabiele relatie bevindt, zijn geen feiten en omstandigheden die opwegen tegen de gemaakte inbreuk op de openbare

orde. Meer gewicht dient te worden toegekend aan het feit dat eiser reeds op de dag van inreis in Nederland het misdrijf, waarvoor hij is veroordeeld, heeft gepleegd. Voorts heeft eiser hier te lande nooit verbleven op grond van een

verblijfstitel in de zin van artikel 9 of 10 Vw. De gevangenisstraf van zes maanden kan mitsdien worden aangemerkt als een "langdurige gevangenisstraf". Daarbij merkt verweerder nog op dat de "glijdende schaal" alleen van toepassing

in geval van voortgezet verblijf.

Van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan eiser tot Nederland zou moeten worden toegelaten, is niet gebleken. De weigering eiser tot Nederland toe te laten is niet in strijd met artikel 8 EVRM.

4.2 In het verweerschrift heeft verweerder nog opgemerkt dat, gezien het feit dat de maximale straf op het door eiser begane strafbare feit twaalf jaar gevangenisstraf bedraagt, moet worden geoordeeld dat eiser zich heeft schuldig

gemaakt aan een ernstig misdrijf. Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 1998 (AWB 97/9445 VRWET). De gevangenisstraf van zes maanden onvoorwaardelijke

gevangenisstraf had reeds aanleiding kunnen zijn om eiser ongewenst te verklaren. Het zou tegen de ratio van het beleid indruisen om te stellen dat een veroordeling van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens het plegen

van een misdrijf aan de ene kant niet voldoende zwaarwegend is om een vreemdeling een verblijfstitel te weigeren, terwijl dezelfde veroordeling wel voldoende grond is om de vreemdeling ongewenst te verklaren. Verwezen wordt naar de

uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 1 oktober 1999 (AWB 98/1901 VRWET).

4.3 Ter zitting heeft verweerder verklaard de overweging in het bestreden besluit met betrekking tot (de mogelijkheid tot) dienstverlening niet te handhaven.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen.

Dit beleid is neergelegd in de Vc.

7. Ten tijde van het bestreden besluit was eiser nog niet gehuwd met C. Verweerder heeft eisers aanvraag dan ook terecht getoetst aan het partnerbeleid, neergelegd in hoofdstuk B1/3.2.5 van de Vc. Ingevolge dit beleid geldt - voor

zover hier van belang - voor de partner van een Nederlander dat, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk A4/4.3.2.1 van de Vc, een eerste toelating slechts kan worden geweigerd, indien ten aanzien van het gezinslid om wiens

toelating wordt gevraagd, sprake is van een onherroepelijke veroordeling tot een langdurige gevangenisstraf wegens een ernstig misdrijf of een onherroepelijke vrijheidsontnemende maatregel wegens een ernstig misdrijf.

8. Vast staat dat eiser op 20 mei 1997 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Tussen partijen is in geschil of deze gevangenisstraf als langdurig moet worden aangemerkt.

9. Bij de beoordeling van deze vraag, ligt het naar het oordeel van de rechtbank meer in de rede aansluiting te zoeken bij verweerders beleid inzake ongewenstverklaring, zoals neergelegd in hoofdstuk A5/6 van de

Vc, dan bij de "zes-maanden-termijn" die voor de politierechter geldt.

In hoofdstuk A5/6.2 is bij de gronden voor ongewenstverklaring bepaald dat, indien het de weigering van een eerste verblijfsaanvraag betreft en de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden of meer, tot

ongewenstverklaring van die vreemdeling kan worden overgegaan.

Hieruit blijkt dat de gevangenisstraf van zes maanden onvoorwaardelijk, waartoe eiser is veroordeeld, reeds aanleiding voor verweerder had kunnen zijn om eiser ongewenst te verklaren.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het tegen de ratio van het beleid zou indruisen om te stellen dat een veroordeling tot zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens het plegen van een misdrijf niet voldoende

grond oplevert om een vreemdeling een verblijfstitel te weigeren, terwijl deze veroordeling wel voldoende grond oplevert om de vreemdeling ongewenst te verklaren.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers veroordeling tot een gevangenisstraf van zes maanden op goede gronden aangemerkt als een "langdurige gevangenisstraf" in de zin van hoofdstuk B1/3.2.5 van de Vc.

Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder bij zijn besluitvorming het motief van de politierechter om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in plaats van de vrijheidsstraf onbetaalde arbeid ten algemene nutte

op te leggen had dienen te betrekken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dit op goede gronden niet heeft gedaan. Een straf die -na afweging van alle daarbij betrokken belangen- is opgelegd in een rechtens onaantastbaar

vonnis is voor zowel eiser als verweerder een vaststaand gegeven.

Gelet op het voorgaande en op de belangenafweging die door verweerder is gemaakt, zoals weergegeven in rechtsoverweging II.4.1, heeft verweerder op grond van hoofdstuk B1/3.2.5 van de Vc eiser de toelating tot Nederland kunnen

weigeren.

10. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan het door verweerder gevoerde beleid inzake gezinsvorming.

11. Evenmin is gebleken dat eiser aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

12. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond daarvan aan eiser verblijf hier te lande had moeten toestaan.

13. Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 8 EVRM overweegt de rechtbank het volgende.

In de onderhavige zaak staat vast dat tussen eiser en C familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 EVRM.

Voorop staat dat het hun toekomende recht op respect voor het familie- of gezinsleven evenwel nog niet met zich meebrengt dat verweerder zonder meer gehouden is eiser(es) hier te lande toe te laten. In dit verband is van belang dat

op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als uitgangspunt geldt dat artikel 8 EVRM voor de staat geen algemene verplichting met zich meebrengt de domiciliekeuze van een vreemdeling te

eerbiedigen of gezinsvorming of -hereniging op haar grondgebied mogelijk te maken door immigratie toe te staan.

Gelet op het feit dat aan eiser nimmer verblijf in Nederland is toegestaan is in dit geval geen sprake van inmenging in het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM.

Of in dit geval uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven niettemin voor verweerder een (positieve) verplichting voortvloeit om eiser verblijf in Nederland toe te staan moet worden vastgesteld aan de hand van een

redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. Die belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit nu niet is gebleken van een objectieve belemmering het familie- of gezinsleven in

Suriname uit te oefenen. Aan eisers stelling dat zijn echtgenote hem niet naar

Suriname kan volgen wegens een medische behandeling in Nederland, gaat de rechtbank voorbij, nu deze -niet met bewijsstukken onderbouwde- stelling eerst ter zitting naar voren is gebracht, hetgeen in strijd is met de goede

procesorde. Het beroep op artikel 8 EVRM kan derhalve niet slagen.

14. De conclusie is dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

15. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

16. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2000, door mr. A. Wolfsen, rechter, in tegenwoordigheid van C.I. Bakker, griffier.

Afschrift verzonden op: 22 juni 2000

Conc.:cbak

Coll:

Bp:-

D:b

110497