Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9586

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-02-2000
Datum publicatie
29-08-2001
Zaaknummer
99/9155 MAWKLA
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Tweede kamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nr.: 99/9155 MAWKLA

Inzake [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen de Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

Het besluit van verweerder van 15 september 1999, kenmerk JURA/99/34251.

2. Zitting.

Datum: 26 januari 2000.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mevrouw

mr. H.M. van der Bij, advocaat te Zevenaar.

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, mevrouw mr. A. Brunt.

3. Feiten.

Eiser, korporaal bij de Koninklijke landmacht (KL), is bij verweerders besluit van 15 april 1997 met ingang van 28 april 1997 voor de duur van vijf jaar aangesteld als militair bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd (verder: BBT). Daarbij is eiser aangewezen voor het volgen van de initiële opleiding tot korporaal technisch specialist categorie B-5, monteur voertuigen. Voorts heeft verweerder bepaald dat eiser tijdens zijn dienstverband als BBT'er in de gelegenheid zou worden gesteld om voor rekening van het Rijk de opleiding te volgen voor het examen ter verkrijging van het certificaat

a. assistent autotechnicus (verder: AAT);

b. bedrijfsautotechnicus (verder: BAT).

Bij rekest van 7 juni 1999 heeft eiser verzocht met ingang van 1 augustus 1999 ontheven te worden van zijn dienverplichting als BBT'er, aangezien hem een functie was aangeboden als chef werkplaats bij een garagebedrijf.

Bij besluit van 8 juli 1999 heeft verweerder, mede op grond van een negatief advies van de plv. commandant van eisers eenheid ([eenheid] te [legerplaats]) van 30 maart [lees: juni] 1999, eisers verzoek afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 1999 is, onder intrekking van het besluit van 8 juli 1999, opnieuw afwijzend beslist.

Bij bezwaarschrift van 12 augustus 1999 heeft eiser tegen dat besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

In het kader van de bezwaarprocedure is eiser op 30 augustus 1999 namens verweerder gehoord.

Bij het thans bestreden besluit van 15 september 1999 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Tegen dat besluit heeft eiser bij beroepschrift van 12 oktober 1999 bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij nader beroepschrift van 26 november 1999 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend alsmede een verweerschrift, gedateerd 23 december 1999.

Bij brieven van 21 december 1999 heeft de rechtbank partijen enkele vragen voorgelegd, die bij brieven van 17 januari 2000 (eiser) en 18 januari 2000 (verweerder), voorzien van bijlagen, zijn beantwoord.

Per faxbericht van 21 januari 2000 heeft eiser nog een productie in het geding gebracht.

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

In dit geding moet worden beoordeeld of verweerder in bezwaar in redelijkheid kon komen tot het besluit zijn afwijzende beslissing inzake het verlenen van vervroegd ontslag aan eiser te handhaven. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft aan zijn rekest en zijn beroep ten grondslag gelegd dat hij is benaderd door de eigenaar van autobedrijf [bedrijf] in [woonplaats], die hem de functie van chef werkplaats in zijn bedrijf heeft aangeboden. Daarbij zou eiser tevens de mogelijkheid krijgen de opleiding eerste bedrijfsautotechnicus (verder: EBAT) te gaan volgen, welke opleiding eiser in militaire dienst niet kan volgen. De mogelijkheid is aanwezig dat eiser als compagnon in de bedrijfsleiding wordt opgenomen. De salariëring als chef werkplaats ligt beduidend hoger dan die als BBT'er.

Eiser heeft verder aangevoerd dat hem tijdens de voorlichting over zijn mogelijkheden als BBT'er door een medewerker van de Banenwinkel van Defensie in [vestigingsplaats 1] is toegezegd dat hij in militaire dienst de EBAT-opleiding zou kunnen gaan volgen. Toen hij, eenmaal in militaire dienst, een verzoek daartoe indiende, bleek die opleiding niet gevolgd te kunnen worden.

Daardoor kan eiser zich op zijn vakgebied binnen zijn dienstverband als BBT'er niet verder ontwikkelen, terwijl autobedrijf [bedrijf] hem die mogelijkheid wel biedt.

Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft eiser verklaringen overgelegd van de BBT'ers [collega 1] en [collega 2], die in dezelfde omstandigheden verkeren als eiser en aan wie door medewerkers van de Banenwinkel van Defensie in Utrecht respectievelijk Eindhoven eveneens de mogelijkheid tot het volgen van de EBAT-opleiding in militaire dienst is toegezegd.

Eiser heeft zijn aanstelling als BBT'er aanvaard in de stellige overtuiging dat hij in dienst de EBAT-opleiding zou kunnen volgen, waarmee hij na zijn diensttijd in de burgermaatschappij verder zou kunnen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de mogelijkheid tot positieverbetering in de burgermaatschappij niet zonder meer aanleiding geeft tot voortijdige ontheffing van een BBT'er van zijn dienverplichting; deze verplichting dient er nu juist toe te voorkomen dat men in dat geval voortijdig de dienst verlaat. Eiser heeft niet aangetoond dat er na afloop van zijn militaire verplichtingen voor hem slechte kansen op de arbeidsmarkt zullen zijn.

Verweerder is voorts van oordeel dat medewerkers van de Banenwinkels van Defensie niet bevoegd zijn tot het doen van toezeggingen over in dienst te volgen opleidingen; deze bevoegdheid lag destijds bij verweerder. Het gaat hier dan ook niet om een rechtens te honoreren toezegging.

Eisers persoonlijk belang is niet zodanig dat dit zou moeten prevaleren boven het dienstbelang. Gelet op een tekort aan wielmonteurs bij eisers eenheid is hij onmisbaar geacht; door zijn voortijdige vertrek uit militaire dienst zou de operationele inzetbaarheid van eisers onderdeel negatief worden beïnvloed. Verweerder meent daarom dat hij op goede gronden het dienstbelang heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eiser bij het kunnen aanvaarden van de hem aangeboden betrekking in de burgermaatschappij.

De rechtbank overweegt thans als volgt.

In de behoefte aan militair personeel in de huidige vrijwilligerskrijgsmacht wordt voor een deel voorzien door het werven van beroepspersoneel voor bepaalde tijd (BBT). Dit personeel verbindt zich voor tenminste 2½ jaar aan de KL, in welke periode men de gelegenheid krijgt opleidingen te volgen voor een erkend diploma, zodat de betrokken BBT'er na het vervullen van zijn militaire verplichtingen in het bezit van goede beroepskwalificaties zijn loopbaan in de burgermaatschappij kan vervolgen danwel definitief kan kiezen voor een verdere loopbaan in de krijgsmacht. Voor de werving van militair personeel beschikt het ministerie van Defensie over 11 Banenwinkels, verspreid over het land. Aan de voorlichting aan gegadigden voor een dienstverband als BBT'er door de medewerkers van deze Banenwinkels moeten hoge eisen worden gesteld. Sedert de afschaffing van de militaire dienstplicht vormen zij immers de enige verbindingsschakel tussen krijgsmacht en gegadigden voor een (tijdelijke of definitieve) militaire loopbaan.

De rechtbank acht uit de voorhanden gedingstukken en uit het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat medewerkers van de Banenwinkels aan gegadigden voor een BBT-verbintenis met een achtergrond als eiser, die is opgeleid als automonteur, hebben toegezegd dat zij, mits zij beschikten over een voldoende vooropleiding, in militaire dienst de mogelijkheid zouden krijgen de EBAT-opleiding te volgen. Blijkens de brief van de Commandant Begeleidings Organisatie Civiel Onderwijs (BOCO) van 28 mei 1999 aan de hoofden van de Banenwinkels wordt de BOCO-organisatie regelmatig geconfronteerd met BBT'ers die zich beroepen op een bij een Banenwinkel verkregen toezegging inzake het kunnen volgen van de EBAT-opleiding, waaraan de Defensie-organisatie echter niet kan voldoen, omdat zij geen erkend EBAT-leerbedrijf is en dus niet beschikt over eigen plaatsen voor de verplichte praktijktraining. In verband daarmee werd verzocht deze situatie aan de medewerkers van de Banenwinkels bekend te maken.

Gelet op de voorgaande overwegingen kan verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet beroepen op de onbevoegdheid van de medewerkers van de Banenwinkels om toezeggingen als thans in geding te doen. Gegadigden voor een BBT-aanstelling die zich tot een Banenwinkel wenden voor nadere inlichtingen moeten er op kunnen vertrouwen dat zij daar een waarheidsgetrouw beeld verkrijgen van de mogelijkheden om in militaire dienst hun beroepskwalificaties door het volgen van opleidingen te verbeteren.

De rechtbank acht eveneens voldoende aannemelijk dat eiser in de door hem gestelde zin is voorgelicht over de mogelijkheid de EBAT-opleiding te volgen. Dat de medewerker die eiser de bewuste toezegging heeft gedaan inmiddels is overleden, zodat geen verificatie meer mogelijk is, doet hieraan niet af.

Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij bij de Banenwinkel te Arnhem eerst een algemeen oriënterend gesprek heeft gevoerd, waarna hij een tweede gesprek heeft gehad met een andere medewerker, gericht op de mogelijkheden bij de Technische Dienst KL. Eiser heeft zijn diploma's meegenomen. Hij beschikte over het diploma tweede monteur. Uit de verklaringen van [collega 1] en [collega 2] en de brief van C-BOCO van 28 mei 1999 blijkt genoegzaam dat het hier geen incident betreft, maar een kennelijk vóór medio 1999 vaker en bij verscheidene Banenwinkels gedane toezegging.

In eisers aanstellingsbrief van 15 april 1997 is onder meer vermeld voor welke vakopleidingen eiser tijdens zijn dienstverband in aanmerking zou komen, namelijk voor de opleidingen AAT en BAT. Zulks roept de vraag op of eiser, mede in het licht van de hem gedane toezegging omtrent de EBAT-opleiding, tegen (dit onderdeel van) de akte van aanstelling geen bezwaar had moeten maken. Ter zitting heeft eiser desgevraagd toegelicht dat hij zich na opkomst tot zijn groepscommandant heeft gewend over het feit dat de EBAT-opleiding niet in de akte van aanstelling vermeld stond. Deze heeft eiser gezegd dat hij zich daarover na plaatsing tot de studieconsulent moest wenden. Deze heeft zich, benaderd door eiser, ook ingezet om toestemming te verkrijgen voor het volgen van de EBAT-opleiding, maar na lange tijd berichtte hij dat toestemming niet was verleend in verband met de hoge kosten en het ontbreken van gelegenheid voor praktijktraining binnen de krijgsmacht. Eiser heeft hierover met twee verschillende studieconsulenten contact gehad; een schriftelijke afwijzing op zijn verzoek heeft hij niet ontvangen. Wel beschikt eiser over een - bij zijn rekest gevoegde - brief van C-BOCO van 15 juli 1998 aan de hoofden van de Educatieve Centra, waaruit blijkt dat genoemde commandant heeft besloten geen toestemming te verlenen voor het volgen van (onder meer) de EBAT-opleiding.

De rechtbank is van oordeel dat eiser zich in voldoende mate heeft ingezet om de EBAT-opleiding ook daadwerkelijk binnen zijn bereik te brengen. Dat hij daarvoor niet de weg van een formeel bezwaarschrift heeft gevolgd, maar zich, vertrouwend op de hem gedane toezegging, met een verzoek om opheldering tot zijn commandant heeft gewend is alleszins begrijpelijk. Het beginsel van de rechtszekerheid brengt immers met zich dat degene aan wie door of namens een bestuursorgaan een rechtens te honoreren toezegging is gedaan in goed vertrouwen op die toezegging zijn gedrag daarop mag afstemmen. Mede gelet op het feit dat de akte van aanstelling geen bezwaarclausule bevat, staat het beginsel van de rechtszekerheid er tevens aan in de weg om er van uit te gaan dat de akte van aanstelling ook ten aanzien van het daarin vermelde, door eiser te volgen opleidingstraject in militaire dienst rechtens onaantastbaar is geworden.

Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder, beslissende op de bezwaren van eiser, in redelijkheid heeft kunnen komen tot het thans bestreden besluit.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

De aanstelling als BBT'er, voorzien in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b., van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), kenmerkt zich naar het oordeel van de rechtbank in sterke mate door een "voor wat, hoort wat-benadering". De KL voorziet daarmee in zijn personeelsbehoefte in bepaalde functies, biedt de BBT'er erkende vakgerichte opleidingen en legt hem als tegenprestatie ingevolge artikel 7, tweede lid, AMAR een dienverplichting op, welke rendement verschaft van de in betrokkene geïnvesteerde opleidingsinspanning. Voor de betrokken BBT'er biedt de aanstelling "vast werk" voor de overeengekomen periode, de mogelijkheid de eigen beroepskwalificaties door het volgen van opleidingen voor rekening van het Rijk verder te vergroten en de keuzevrijheid voor terugkeer (met een erkend diploma en extra beroepservaring) naar de burgermaatschappij of voortzetting van de loopbaan als beroepsmilitair.

In deze "quid pro quo-benadering" komt een groot belang toe aan de mogelijk- heden voor (voortgezette) vakgerichte scholing en ontwikkeling. Het staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat eiser juist met het oog op het volgen van de EBAT-opleiding dienst heeft genomen als BBT'er. Hij beschikte bij indiensttreding immers al over het diploma tweede monteur (CVO). Aangezien het voor eiser geldende opleidingstraject ("spoor bedrijfsautotechnicus") zowel de VAAT (versnelde assistent autotechnicus; gelijk te stellen met LTS autotechniek) als de CVO (tweede monteur) omvat, staat vast dat eiser binnen de krijgsmacht geen mogelijkheden konden worden geboden tot verdere beroepsmatige ontwikkeling. De KL als werkgever heeft eiser op dat vlak niets te bieden en komt zijn toezegging ten aanzien van het volgen van de EBAT-opleiding niet na.

De belangenafweging die zich in dit geval aandiende is een andere dan in vele andere gevallen van verzoeken om ontheffing van de dienverplichting als beroepsmilitair. Doorgaans gaat het om gevallen waarin de betrokken militair, na het volgen en voltooien van de hem toegezegde opleiding voor rekening van het Rijk, in de burgermaatschappij betere arbeidsvoorwaarden kan bedingen en dan in verband met positieverbetering verzoekt om voortijdige ontslagverlening. In dit geval evenwel is het verweerder die zijnerzijds niet aan zijn verplichtingen als werkgever heeft voldaan, zulks in afwijking van een toezegging omtrent het volgen van een opleiding, waarop eiser in goed vertrouwen is afgegaan. Onder deze omstandigheden kon eiser in redelijkheid niet aan zijn dienverplichting tot 28 april 2002 worden gehouden, nu hem elders wel de mogelijkheid werd geboden de door hem gewenste beroepsopleiding te gaan volgen. Het feit dat eiser als monteur wielvoertuigen bij [eenheid] in [legerplaats] moeilijk kon worden gemist legt niet een zodanig gewicht in de schaal dat de rechtbank op grond daarvan tot een ander oordeel komt.

Uit het bestreden besluit blijkt bovendien in het geheel niet dat de in het voorgaande ontvouwde redenering bij verweerders besluitvorming in de bezwaarfase enige rol heeft gespeeld. Verweerder heeft dan ook bij zijn belangenafweging ten onrechte niet alle relevante aspecten in beschouwing genomen.

Het bestreden besluit is mitsdien in strijd met het evenredigheidsbeginsel en lijdt bovendien aan een motiveringsgebrek. Het komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Aangezien over de modaliteiten van de inwilliging van eisers rekest (ontslagdatum, financiële compensatie) nog discussie mogelijk is, ziet de rechtbank thans geen aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, zelf in de zaak te voorzien. In verband daarmee wordt verweerder opgedragen op het bezwaarschrift van eiser opnieuw te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:75 Awb, te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763 en 1997, 796) vastgesteld op f 1.420,=. Daarbij is 1 punt toegekend voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt

f 710,=; gewicht van de zaak: gemiddeld.

u het beroep gegrond zal worden verklaard, zal verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad f 225,= dienen te vergoeden.

6. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond.

Vernietigt het bestreden besluit.

Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Veroordeelt verweerder in de kosten ad f 1.420,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Gelast dat de Staat der Nederlanden (ministerie van Defensie) als rechtspersoon aan eiser het door deze betaalde griffierecht, zijnde f 225,=, vergoedt.

7. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2000, in tegenwoordigheid van M. van Vlodrop als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden:

Coll. :