Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9493

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
(1) AWB 99/5067 AAWAO, (2) AWB 99/509 AAWAO, (3) A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage

Sector Bestuursrecht

Eerste kamer, meervoudig

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Reg.nrs.: (1) AWB 99/5067 AAWAO, (2) AWB 99/509 AAWAO, (3) AWB 99/5066 AAWAO

Inzake [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

tegen het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam, als rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit.

De besluiten van verweerder (GAK Nederland B.V.) van (1) 27 april 1999, kenmerk B&B nr. 220.016.22, (2) 30 november 1995, kenmerk B&B 220.06.22, (3) 27 april 1999, kenmerk B&B nr. 220.015.22.

2. Zitting.

Datum: 23 mei 2000.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat mr. R.M. Köhne en haar personeelsfunctionaris P.C. Wolf.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

3. Feiten.

Bij besluit van 30 november 1994 heeft verweerder eiseres een geldelijke bijdrage opgelegd krachtens artikel 59i van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) zoals die wet toen luidde, in verband met de arbeidsongeschiktheid van één van haar werknemers (verder: het malusbesluit).

Het namens eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 2 oktober 1995, registratienummer 95/467, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Het tegen deze uitspraak ingestelde verzet is bij uitspraak van deze rechtbank van 18 december 1995, registratienummer AWB 95/467, ongegrond verklaard.

Bij brief van 5 januari 1996 heeft eiseres, voor zover thans nog van belang, verweerders rechtsvoorganger verzocht over te gaan tot restitutie van de malus van 30 november 1994 krachtens artikel 59i, derde lid, van de AAW, zoals dat ten tijde van het malusbesluit luidde.

Bij besluit van 29 maart 1996, voor zover thans nog van belang, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

In haar uitspraak van 3 maart 1997, registratienummer 96/194 AAW/WAO, heeft de rechtbank verzuimd op het tegen dit onderdeel van het besluit gerichte beroep van eiseres te beslissen, reden waarom de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 26 november 1998 in zoverre, onder gegrondverklaring van het hoger beroep, de zaak naar de rechtbank heeft terugverwezen (zaak 2).

Bij brief van 11 september 1998 heeft eiseres verweerder verzocht terug te komen op het malusbesluit van 30 november 1994.

Tevens heeft eiseres verweerder verzocht terug te komen op het besluit van 29 maart 1996.

Bij besluit van 4 november 1998 heeft verweerder deze verzoeken afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 december 1998 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Op 15 april 1999 is eiseres door verweerder gehoord omtrent haar bezwaren.

Bij besluit van 27 april 1999, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 juni 1999, ingekomen bij de rechtbank op 4 juni 1999, beroep ingesteld (zaak 1).

Bij besluit van 22 januari 1999 heeft verweerder nieuwe verzoeken van eiseres om terug te komen op de besluiten van 30 november 1994, 29 maart 1996 en 4 november 1998, alsmede een nieuw verzoek over te gaan tot restitutie van de malus krachtens het (inmiddels vervallen) artikel 59i, derde lid, AAW, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 februari 1999 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Op 15 april 1999 is eiseres ook over deze bezwaren door verweerder gehoord.

Bij besluit van 27 april 1999, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder deze bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 juni 1999, ingekomen bij de rechtbank op 4 juni 1999, beroep ingesteld (zaak 3).

4. Bewijsmiddelen.

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering.

5.1

5.1.1

Materieel is in geschil of verweerder heeft mogen weigeren terug te komen op het besluit van 30 november 1994.

Bij dit besluit is eiseres een zogeheten malusbijdrage opgelegd krachtens artikel 59i van de AAW, zoals die bepaling toen luidde.

Deze malus is opgelegd naar aanleiding van de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan een, naar moet worden aangenomen thans voormalig, werknemer van eiseres.

5.1.2

Vast staat dat het besluit van 30 november 1994 door de hierboven vermelde uitspraak van deze rechtbank van 18 december 1995 onherroepelijk is geworden.

5.1.3

Volgens bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient een weigering van een bestuursorgaan om terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan, dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de weg van de betrokkene, die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van een rechtens onaantastbaar geworden besluit, feiten of omstandigheden aan te dragen, die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.

5.1.4

Uit het vorenstaande volgt dat de inhoudelijke bezwaren van eiseres tegen het malusbesluit van 30 november 1994 en de omstandigheden die hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep daartegen wegens termijnoverschrijding niet tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder gehouden was terug te komen op dat besluit.

5.1.5

Grond voor verweerder om terug te moeten komen op het malusbesluit kan wel zijn gelegen in de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 1998, RSV 1998/173 en AB 1998, 244.

Deze uitspraak ziet op de uitvoering door de rechtsvoorgangers van verweerder, waarvoor verweerder uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend de verantwoordelijkheid heeft aanvaard, van artikel XIV van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Wet Amber).

Voor zover van belang had deze bepaling ten doel de afschaffing van de malusregeling van artikel 59b tot en met 59n van de AAW niet met terugwerkende kracht te doen plaatsvinden teneinde alle betreffende werkgevers zoveel mogelijk gelijk te doen behandelen door hen allen, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, te verplichten tot het betalen van een malus.

Ter uitvoering daarvan zijn door het toenmalige Tijdelijke instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) op 12 december 1995 nadere richtlijnen aan de besturen van de toenmalige bedrijfsverenigingen gegeven, die door verweerder in 1997 zijn neergelegd in beleidsregels.

De Raad is, op grond van het feit dat verweerder, uitvoeringsinstellingen en het Ctsv zich onvoldoende hebben gekweten van hun taak en verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat, na de invoering van de Wet Amber, de malusregeling conform de uitdrukkelijke wens van de wetgever op uniforme wijze zou worden uitgevoerd, tot het oordeel gekomen dat van een zodanig onvoldoende consistente uitvoering sprake is geweest dat grotendeels op basis van toeval een aantal werkgevers een onherroepelijke malusoplegging zal worden bespaard.

Naar het oordeel van de Raad is daardoor de door de wetgever beoogde gelijke en uniforme benadering op evidente wijze in haar tegendeel is omgeslagen.

Dit bracht de Raad tot het oordeel dat het resultaat van de besluitvorming zozeer in strijd moest worden geacht met de eis van een consistente beleidsvoering, dat besluiten tot oplegging van een malus in strijd moesten worden geoordeeld met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

5.1.6

Verweerder heeft, feitelijk terecht, naar voren gebracht dat deze uitspraak betrekking heeft op besluiten tot oplegging van een malus die zijn genomen ter uitvoering van artikel XIV van de Wet Amber, waartoe het malusbesluit van 30 november 1994 niet behoort.

Anders dan verweerder hiermee impliciet stelt betekent dit naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat aan deze uitspraak - en meer bepaaldelijk de aan verweerder toerekenbare handelwijze die daartoe heeft geleid - geen betekenis toekomt voor het thans aan de orde zijnde geschil.

De wetgever heeft bij het totstandbrengen van genoemd artikel XIV er bewust voor heeft gekozen de malusregeling niet met terugwerkende kracht in te trekken. Daarom heeft de wetgever in dit artikel bepaald dat werkgevers aan wie in verband met (toegenomen) arbeidsongeschiktheid van (voormalige) werknemers een onherroepelijke malus had moeten worden opgelegd, die malus alsnog (of, indien een opgelegde malus door de rechter was vernietigd: hernieuwd) opgelegd dienden te krijgen. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Amber was al ongelijke behandeling ontstaan van werkgevers van wie (voormalige) werknemers (toegenomen) arbeidsongeschikt waren geworden. Sommige rechtsvoorgangers van verweerder gingen namelijk wel over tot het opleggen van malusbesluiten en andere niet, terwijl het uitvoeringsbeleid van de malusregeling ertoe leidde dat een groot aantal opgelegde malusbesluiten door de rechter werd vernietigd. De gronden waarop dat gebeurde - in essentie weergegeven in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 februari 1995, AB 1995, 426 - sloten het hernieuwd opleggen van een malus bij een verbeterd besluit niet uit.

Uit het gestelde in paragraaf 2.5 van de Memorie van Toelichting betreffende het overgangsrecht bij de Wet Amber (TK 1994-1995, kamerstuk 24 221, nr.3, blz. 5), blijkt dat de wetgever deze rechtsongelijkheid, die is ontstaan door de toevallige, immers door de werkgever niet te beïnvloeden, omstandigheid bij welke bedrijfsvereniging (rechtsvoorgangers van verweerder) een werkgever was aangesloten, alsnog heeft willen beëindigen. Hieruit blijkt dat ook ten tijde van het nemen van het malusbesluit van 30 november 1994 reeds sprake was van een uitvoeringspraktijk die evenzeer willekeurig was als de uitvoeringspraktijk die vervolgens onder het regime van de Wet Amber is ontstaan.

De wetgever heeft deze rechtsongelijkheid gekwalificeerd als niet te rechtvaardigen en daarom in artikel XIV van de Wet Amber bepaald dat alsnog tot malusopleggingen over diende te worden gegaan.

5.1.7

De rechtbank moet constateren dat de wijze waarop onder verantwoordelijkheid van verweerder uitvoering is gegeven aan deze wettelijke opdracht de rechter heeft genoopt tot de jurisprudentie die heeft geculmineerd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 1998.

Het feitelijk resultaat hiervan is, dat het alsnog opleggen van malusbesluiten zoals door de wetgever gewenst niet heeft plaatsgevonden, immers ofwel de rechtsvoorgangers van verweerder hebben dat verzuimd ofwel de besluiten daartoe moesten als zijnde gebaseerd op willekeurig uitvoeringsbeleid worden vernietigd.

Nu daardoor de uitvoering van artikel XIV van de Wet Amber feitelijk onmogelijk is geworden, is de facto wel degelijk sprake is van een intrekking van de malusregeling met terugwerkende kracht.

Daardoor is de door de wetgever uitdrukkelijk gewraakte rechtsongelijkheid die reeds vóór de inwerkingtreding van de Wet Amber was ontstaan dus feitelijk, door toedoen van verweerder ná dat tijdstip, in stand gebleven.

Deze rechtsongelijkheid tussen werkgevers die reeds vóór de inwerkingtreding van de Wet Amber met een onherroepelijke malus waren geconfronteerd enerzijds en werkgevers die dat niet waren anderzijds is niet minder zwaarwegend dan de rechtsongelijkheid binnen de laatste categorie, die ten grondslag ligt aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 mei 1998, immers het voorkómen van rechtsongelijkheid tussen deze beide categorieën van werkgevers was het uitdrukkelijk beoogde doel van artikel XIV van de Wet Amber.

Het handhaven van een vóór de inwerkingtreding van de Wet Amber opgelegd malusbesluit moet daarom naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de betrokken werkgever als met de doelstelling van deze wet strijdige situatie en mede daarom als met het in artikel 1 van de Grondwet gecodificeerde gelijkheidsbeginsel strijdige vorm van willekeur worden gekwalificeerd.

5.1.8

Deze willekeur is pas aan het licht getreden in het kader van de totstandkoming van deze wet en de daarop gevolgde beroepsprocedures en had derhalve door eiseres niet in beroep naar voren gebracht kunnen worden, ook niet als zij tijdig beroep had ingesteld tegen het besluit van 30 november 1994.

De omstandigheid dat niet alle werkgevers aan wie krachtens artikel XIV van de Wet Amber een malus is opgelegd daartegen (tijdig) in beroep zijn gekomen, mist relevantie, aangezien zij de gelegenheid zich op deze willekeur te beroepen bewust of althans toerekenbaar aan zich voorbij hebben laten gaan, terwijl eiseres deze gelegenheid nimmer heeft gehad.

5.1.9

Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van omstandigheden die maken dat verweerder in redelijkheid niet heeft mogen weigeren terug te komen op zijn malusbesluit van 30 november 1994 en deze weigering evenmin heeft mogen handhaven bij het bestreden besluit van 27 april 1999, kenmerk B&B nr. 220.016.22.

Het beroep tegen dit besluit is daarom gegrond voor zover het is gericht tegen het handhaven van de weigering terug te komen op het besluit van 30 november 1994 en in zoverre dient dit besluit dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

De rechtbank ziet tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door over te gaan tot gegrondverklaring van de bezwaren van eiseres tegen het besluit van verweerder van 4 november 1998, voor zover daarbij is geweigerd terug te komen op het besluit van 30 november 1994, en het besluit van 4 november 1998 in zoverre te herroepen.

Tevens neemt de rechtbank krachtens artikel 8:72, vierde lid, in verbinding met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, in de plaats van verweerder het besluit om terug te komen op het besluit van 30 november 1994 en dit besluit in te trekken.

5.2

Uit het vorenstaande volgt dat bij een inhoudelijke beoordeling van de overige beroepen geen procesbelang meer bestaat, zodat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

5.3

De rechtbank ziet verder aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten in verband met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 27 april 1999 waarbij verweerder de weigering terug te komen op het besluit van 30 november 1994 heeft gehandhaafd.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten bedragen ingevolge artikel 8:75 van de Awb in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht

¦ 1.420,--, bestaande uit de kosten van het door een beroepsmatig rechtsbijstandsverlener instellen van beroep (1 punt) en het verschijnen ter zitting (1 punt), waarbij per punt een bedrag van ¦ 710,-- voor vergoeding in aanmerking komt, bij een wegingsfactor één (gemiddeld).

6. Beslissing.

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 april 1999, kenmerk B&B nr. 220.016.22, voor zover verweerder daarbij heeft gehandhaafd de weigering terug te komen op het besluit van 30 november 1994 tot oplegging van een malus aan eiseres, gegrond.

Vernietigt dit besluit in zoverre.

Verklaart de beroepen voor het overige niet-ontvankelijk.

Verklaart de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 4 november 1998, voor zover daarbij is geweigerd terug te komen op het besluit van 30 november 1994, gegrond, herroept het besluit van 4 november 1998 in zoverre, bepaalt dat het besluit van 30 november 1994 tot oplegging van een malus aan eiseres wordt ingetrokken en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 27 april 1999, kenmerk B&B nr. 220.016.22.

Gelast dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen als rechtspersoon aan eiseres het door deze betaalde griffierecht in zaak (1), zijnde ¦ 420,--, vergoedt.

Veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van ¦ 1.420,--, onder aanwijzing van het Landelijk instituut sociale verzekeringen als rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres dient te vergoeden.

7. Rechtsmiddel.

Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13, juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. J.L. Verbeek, T.M.A. Claessens en D. de Loor en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden:

Coll. :