Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9471

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/6152
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sinds de invoering van de Leemtewet is sprake van een enkelvoudige asielaanvraag. Bij een aanvraag om toelating als vluchteling onderzoekt de staatssecretaris ambtshalve of aan de vreemdeling een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard kan worden verleend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat hiermee asielgerelateerde redenen worden bedoeld. Een aanvraag op reguliere gronden dient vanaf dat moment te worden ingediend bij de korpschef.

Eiseres heeft tijdens haar asielprocedure te kennen gegeven verblijf te wensen bij haar zoons. Verweerder heeft eiseres voor een daartoe strekkende aanvraag in redelijkheid kunnen doorverwijzen naar de korpschef.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/6152 VRWET

inzake: A, wonende te B, eiseres,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1929, bezit de Syrische nationaliteit. Zij verblijft sedert 30 juli 1998 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 30 juli 1998 heeft zij een aanvraag ingediend om toelating als

vluchteling. Bij besluit van 17 november 1998 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid ervan en heeft verweerder na ambtshalve onderzoek geen aanleiding gezien een

vergunning tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij bezwaarschrift van 20 november 1998, aangevuld bij brieven van 27 november 1998 en 27 januari 1999, heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar

gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 8 juni 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 11 juni 1999, aangevuld bij brieven van 12 juli 1999 en 30 december 1999, heeft mr. U. Koopmans, advocaat te Amsterdam, namens eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft

partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 1 november 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 16 juni 2000 heeft verweerder

geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. U. Koopmans, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. J.E.H.M.

Pinckaers, advocaat te 's-Gravenhage. Tevens was ter zitting aanwezig S. Baraya, tolk Arabisch.

4. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden. Aan partijen is toestemming gevraagd de zaak zonder nadere zitting af te doen. Partijen

hebben die toestemming verleend. Op 3 juli 2000 is verweerders reactie ter griffie ontvangen. De reactie van eiseres daarop is ter griffie ontvangen op 7 juli 2000. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daarbij gaat de rechtbank onder meer uit van de volgende feiten. Eiseres heeft vijf stiefzoons die allen woonachtig zijn in Nederland. Twee zoons zijn

als vluchteling toegelaten. Van drie zoons is de verblijfsstatus onbekend.

2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe heeft zij -

zakelijk weergegeven - het volgende verklaard. Eiseres woonde na haar huwelijk met een Irakees ruim dertig jaar in Irak. De vijf zoons van haar overleden man, haar stiefkinderen, hebben Irak in 1993 en 1996 verlaten. Vanwege de

vlucht van haar stiefzoons heeft eiseres problemen ondervonden van de Mukhabarat. Ook toen de zoons nog in Irak woonden kwamen de autoriteiten geregeld aan de deur om te vragen naar hun politieke activiteiten. Eiseres is in de

laatste twee maanden voor haar vertrek naar Syrië een keer naar een gevangenis gebracht en twee keer meegenomen naar een kantoor waarna ze zelf moest zien thuis te komen. Twee maanden voor haar vertrek naar Nederland is ze vanuit

Irak naar Syrië gegaan op de haar bekende reguliere wijze. Bij de grens is haar Iraakse verblijfsvergunning ingenomen. De tijd in Syrië bracht zij door in het huis van haar zus en zwager waar nog een zuster en haar echtgenoot wonen.

De families leven van liefdadigheid en een enkel klusje. In Syrië is eiseres via een tussenpersoon in het bezit gesteld van een op haar naam gesteld Syrisch paspoort. In Syrië heeft zij problemen ondervonden van de Syrische

autoriteiten. Men bleef haar vragen stellen over de reden van haar vertrek uit Irak naar Syrië. In deze maanden zijn de autoriteiten drie tot vijf keer bij haar geweest en is ze drie keer aangehouden. Dit duidt erop dat ze in de

negatieve belangstelling staat van deze autoriteiten. Ook zijn de regelmatige aanhoudingen en ondervragingen te kwalificeren als een behandeling in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de

mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen reden te veronderstellen dat die behandelingen niet meer plaatsvinden als ze moet terugkeren. Eiseres heeft verklaard dat zij niet terug kan naar Irak omdat zij daar geen familie

heeft en ook niet terug kan naar haar familie in Syrië. Haar familieleden zijn arm, oud en hulpbehoevend. Zij is naar Nederland gevlucht omdat haar stiefzoons hier wonen en zij bij hen wil zijn. Bovendien laat haar

gezondheidstoestand te wensen over, hetgeen ook blijkt uit de overgelegde medische informatie. Het feit dat verweerder eiseres voor een aanvraag met een regulier verblijfsdoel verwijst naar de korpschef is niet in overeenstemming

met de Leemtewet. Uit de beslissing op de aanvraag blijkt niet dat verweerder ambtshalve heeft getoetst of klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen.

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres geen aanspraak kan maken op toelating als vluchteling, noch in aanmerking komt voor verlening van een vergunning tot verblijf op

grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Eiseres is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. Bij terugkeer naar Syrië dan wel Noord-Irak loopt eiseres geen reëel

risico te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. De medische problemen van eiseres houden geen verband met de ondervonden problemen in Irak of Syrië. Ten tijde van de beslissing op bezwaar is niet

gebleken dat eiseres hier een medische behandeling moet ondergaan. Ook om die reden kan zij geen aanspraak maken op een vergunning tot verblijf. De in beroep overgelegde medische informatie zal beoordeeld moeten worden in het kader

van een eventuele door eiseres in te dienen reguliere aanvraag. In de afwijzende beslissing op haar aanvraag is eiseres meegedeeld dat zij zich voor een aanvraag om toelating met een regulier verblijfsdoel dient te wenden tot de

korpschef en dat verweerder in het kader van de onderhavige aanvraag bij een afwijzing daarvan ambtshalve slechts onderzoekt of eiseres op asielgerelateerde gronden in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf om klemmende

redenen van humanitaire aard. Eiseres heeft niet een aanvraag met een regulier verblijfsdoel ingediend. In het kader van de door de rechtbank ter zitting gestelde vraag op grond van welke bepaling een vreemdeling naar de korpschef

wordt verwezen indien deze in de asielprocedure een beroep doet op een reguliere grond voor toelating, kan worden verwezen naar de IND-werkinstructie 174 en enkele kamerstukken. Hieruit blijkt dat met het onderscheid ten aanzien van

de plaats waar een aanvraag moet worden ingediend stroomlijning van de asielprocedure is beoogd. Aanvragen worden dan behandeld door ambtenaren die een zekere expertise op het betreffende beleidsterrein hebben opgebouwd.

De rechtbank overweegt het volgende.

4. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig

zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

5. Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, wordt de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan indien deze is gegrond op omstandigheden die hetzij op

zichzelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating als vluchteling bestaat.

6. Nu eiseres de Syrische nationaliteit bezit, is aan de orde de vraag of eiseres in Syrië gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging.

7. De rechtbank stelt voorop dat de algemene en mensenrechtensituatie in Syrië niet zonder meer tot het oordeel kan leiden dat eiseres als vluchteling kan worden aangemerkt. Beslissend is de individuele situatie van eiseres, bezien

in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst. In dat licht zal aannemelijk moeten worden dat er feiten en omstandigheden zijn met betrekking tot eiseres persoonlijk, die haar vrees voor vervolging rechtvaardigen.

8. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanknopingspunten te vinden zijn die duiden op een gegronde vrees voor vervolging. Eiseres heeft in Syrië nooit het regime

onwelgevallige politieke activiteiten ontplooid. Er is geen directe relatie tussen de door haar geschetste gebeurtenissen en haar vertrek uit Syrië. Evenmin is gebleken dat eiseres in de bijzondere negatieve belangstelling staat van

de autoriteiten aldaar. Het feit dat eiseres verschillende keren is ondervraagd en meegenomen is naar een bureau, waarna ze zelf moest zien thuis te komen, is voor die conclusie onvoldoende toereikend, nu zij na enkele uren steeds

weer is vrijgelaten.

9. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen vluchteling is. Uit het voorgaande volgt tevens dat verweerder op goede gronden heeft kunnen oordelen dat eiseres

bij terugkeer niet zal worden onderworpen aan een behandeling die strijd zou kunnen opleveren met artikel 3 EVRM. Nu derhalve vaststaat dat er in dit opzicht geen belemmeringen zijn voor eiseres terug te keren naar Syrië, kunnen de

door haar aangevoerde asielgronden ten aanzien van Irak buiten beschouwing blijven,

10. Niet is gebleken dat eiseres om andere redenen in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

11. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd met de Leemtewet heeft gehandeld door haar ten aanzien van de door haar opgeworpen reguliere redenen voor verblijf in Nederland bij haar (stief)zoons te

verwijzen naar de korpschef, en hierop in het bestreden besluit niet inhoudelijk in te gaan. De vraag is of verweerder hiertoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

12. Voor zover hier van belang is bij de invoering van de Leemtewet met ingang van

1 juli 1998 de volgende bepaling veranderd.

Op grond van artikel 15a, eerste lid, van de Vw geldt vanaf die datum de enkelvoudige asielaanvraag, waarbij de minister ambtshalve bij een aanvraag om toelating als vluchteling onderzoekt of aan de vreemdeling een vergunning tot

verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard kan worden verleend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat hiermee asielgerelateerde (ter onderscheiding van reguliere) redenen worden bedoeld.

13. In het, ten tijde van het bestreden besluit toepasselijke, Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1998/15 is bepaald dat een asielzoeker die meent tevens in aanmerking te komen voor verlening van een vergunning tot

verblijf onder beperking, hiervoor een aanvraag moet indienen bij de korpschef.

14. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres ten aanzien van de door haar geuite wens verblijf bij haar (stief)zoons in Nederland te verkrijgen in redelijkheid naar de korpschef heeft kunnen verwijzen

voor het indienen van haar aanvraag. Noch uit de wet noch uit een andere regel vloeit voort dat eiseres het recht heeft om een tweeledige aanvraag bij één instantie te kunnen doen, en dat verweerder niet de mogelijkheid heeft

hieromtrent zelf regels op te stellen. Voor zover eiseres heeft bedoeld dat een dergelijk recht voortvloeit uit artikel 15a, tweede lid, van de Vw, overweegt de rechtbank dat dit niet het geval is, reeds omdat deze bepaling geen

voorschriften geeft ten aanzien van de aanvraagfase zelf maar een instructienorm betreft voor het geval meerdere aanvragen blijken te zijn ingediend.

De door verweerder gevolgde werkwijze is voorts voldoende kenbaar en duidelijk neergelegd in TBV 1998/15, en eiseres is hier bovendien in het primaire besluit nogmaals van op de hoogte gesteld. Dat eiseres desondanks geen

afzonderlijke aanvraag voor verblijf bij haar zoons heeft ingediend komt dan ook voor haar eigen risico.

15. Niet is gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

16. De conclusie is dan ook dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

17. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

18. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2000, door

mr. D. Radder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.

Afschrift verzonden op: 30 november 2000

Conc.: HL

Coll:

Bp: -

D: B