Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9466

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/3126
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / sofi-nummer.

Beroep op TBV 1999/23. De ter zitting nader onderbouwde stelling dat de Belastingdienst herhaaldelijk heeft geweigerd verzoekster in kennis te brengen van haar sofi-nummer, komt de president niet onaannemelijk voor, nu het sofinummer volgens het Ministerie van Financiën vooral is aan te merken als een nummer voor de interne administratie van de Belastingdienst, alsmede omdat verzoekster niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel. Onder die omstandigheden ligt het op de weg van verweerder om in het kader van zijn onderzoeksplicht bij de Belastingdienst na te gaan of verzoekster daadwerkelijk in de periode van 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 in het bezit is geweest van een sofi-nummer. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/3126 VRWET

inzake : A, wonende te B, verzoekster,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoekster, geboren op [...] 1958, bezit de Surinaamse nationaliteit. Op 30 november 1999 heeft zij, mede ten behoeve van haar minderjarige zoon C, bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend

om verlening van een vergunning tot verblijf op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen (als weergegeven in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23). Bij besluit van 24 april 2000 heeft verweerder op

de aanvraag afwijzend beslist. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 8 mei 2000. Bij de bekendmaking van het besluit in primo heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat uitzetting gedurende de

periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten. Verzoekster moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij verzoekschrift van 8 mei 2000 heeft verzoekster de president van de rechtbank verzocht de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen totdat op bezwaar is beslist op de aanvraag om verlening

van een vergunning tot verblijf. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 6 juni 2000 ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 15 juni 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek

en, met toepassing van artikel 33b van de Vw, tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2000. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen bijgestaan door mr. S.V. Ramdihal, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde

mr. A. Venekamp, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de beslissing om de uitzetting niet achterwege te laten te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verweerder

bij onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing niet opweegt tegen het belang van verzoekster bij de gevraagde voorziening. De beslissing de uitzetting niet achterwege te laten is evenzeer onrechtmatig indien die beslissing in

strijd is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder b Vw onrechtmatig indien er

aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

2. Het in dit kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de uitzettingsbeslissing is niet bindend in de bodemprocedure.

3. De president gaat uit van de volgende feiten. Verzoekster verblijft sedert 24 oktober 1990 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Uit een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de

gemeente Amsterdam blijkt dat verzoekster van 14 maart 1991 tot 4 februari 1997 ingeschreven heeft gestaan. Verzoekster heeft in Nederland twee kinderen, te weten C, geboren op [...] 1985, en D, geboren op [...] 1993. D heeft de

Nederlandse nationaliteit. Op 30 november 1999 heeft verzoekster onderhavige aanvraag ingediend.

4. Verweerder heeft zich in het besluit in primo op het standpunt gesteld dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf in het kader van de Tijdelijke regeling witte illegalen, omdat niet afdoende kan

worden vastgesteld dat zij sedert 1 januari 1992 tot heden ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad. Op 4 februari 1997 is verzoekster uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgevens. Verzoekster heeft

geen bescheiden overgelegd waaruit afdoende blijkt dat zij sedertdien in Nederland heeft heeft verbleven. Voorts heeft verzoekster niet aan de hand van bescheiden aangetoond dat zij sedert 1 januari 1992 tot heden (rechtmatig) in

het bezit is geweest van een sofinummer. Reeds daarom, en nog daargelaten of aan de overige voorwaarden wordt voldaan, heeft verweerder onderhavige aanvraag niet ter advisering voorgelegd aan de commissie van burgemeesters. Er zijn

geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan verzoekster om klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit zou moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. De weigering verzoekster tot Nederland

toe te laten is niet in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij sedert 1992 onafgebroken verblijf in Nederland heeft gehad. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij de volgende bescheiden overgelegd:

- afgifte verzekeringspasje van het Zilveren Kruis van 1 maart 1997

- beleggingscertificaat van Amev van 11 juli 1997

- een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf door verzoekster ondertekend op 7 september 1997

- kopie van het paspoort van verzoekster ter verificatie van haar handtekening

- urenverantwoording Thuiszorg van 26 november 1997 en 23 december 1997

- urenverantwoording Thuiszorg van 23 januri 1998, 17 april 1998 en 30 oktober 1998

- zilvercard met een geldigheidsduur tot 3 maart 1998

- brief van voormalig gemachtigde aan de IND van 16 oktober 1998

- urenverantwoording Thuiszorg van 22 februari 1999, 7 juli 1999 en 22 december 1999

- brief van Wehkamp van 6 april 1999, gericht aan verzoekster

- brief van uitgeverij Educatief van 7 november 1999, gericht aan verzoekster.

Voorts stelt verzoekster dat destijds door de Belastingdienst een sofinummer aan haar is afgegeven. Verzoekster heeft zich tot twee keer toe gemeld bij de belastingdienst en verzocht om afgifte van een bewijsstuk. Omdat zij

vreemdeling is, is haar dit bewijsstuk geweigerd. De desbetreffende ambtenaar heeft ook geweigerd om verzoekster mondeling het sofinummer te verstrekken. Verzoekster heeft wel de bevestiging gekregen dat zij over een sofinummer

beschikt. Verweerder heeft ten onrechte niet ambtshalve onderzocht of verzoekster een sofinummer heeft.

6. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat verzoekster geen bewijzen uit objectieve en verifieerbare bron heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij ononderbroken in Nederland heeft verbleven gedurende de periode van 4

februari 1997 tot 30 november 1999. Daarnaast hebben de in bezwaar overgelegde bescheiden geen betrekking op een aaneengesloten tijdvak. Voorts heeft verzoekster haar stelling dat zij over een sofinummer beschikt niet onderbouwd met

bewijzen uit objectieve en verifieerbare bron.

7. Ter zitting is namens verzoekster naar voren gebracht dat in het kader van de aanvraag om verlening van een een vergunning tot verblijf van 12 september 1997 door de voormalige gemachtigde van verzoekster, mr. A. Barada, een

dossier is aangelegd, waarin zich stukken bevinden, waaruit blijkt dat verzoekster ononderbroken in Nederland is geweest. Inmiddels werkt mr. Barada bij een ander kantoor, maar de stukken kunnen worden opgevraagd bij het oude

kantoor van mr. Barada. Verzoekster werkt al meerdere jaren voor Thuiszorg Amsterdam. Ze krijgt haar geld rechtstreeks van de cliënten. Thuiszorg Amsterdam draagt belasting af en verstrekt jaaropgaven.

De vreemdelingendienst heeft verzoekster op 4 februari 1997 in het kader van een schoningsactie laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Omdat verzoekster niet beschikte over een vergunning tot

verblijf is het haar niet gelukt zich nadien weer in te laten schrijven. Dit betekent echter niet dat zij niet ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Verzoekster wenst haar bezwaar toe te lichten bij een hoorcommissie.

Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat het voor verzoekster toch mogelijk zou moeten zijn om ter onderbouwing van haar stelling een huurcontract en rekeningen van het Gemeentelijk Energiebedrijf (GEB) over te leggen.

De president overweegt het volgende.

8. Ingevolge TBV 1999/23 moet een verzoek om in aanmerking te komen voor advisering door de commissie van burgemeesters -onder meer- voldoen aan de volgende voorwaarden:

- De vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland;

- De vreemdeling dient in ieder geval vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit te zijn geweest van een sofinummer.

9. Tussen partijen is in geschil of verzoekster in de periode van 4 februari 1997 tot

30 november 1999 ononderbroken woonplaats in Nederland heeft gehad. De president acht het aannemelijk dat verzoekster, nadat de vreemdelingendienst haar in het kader van een schoningsactie op 4 februari 1997 heeft laten uitschrijven

uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zich niet opnieuw heeft kunnen laten inschrijven, omdat zij niet over een geldige verblijfstitel beschikte. Anders dan verweerder is de president van oordeel dat verzoekster

met de in bezwaar overgelegde stukken een begin van bewijs heeft geleverd dat zij na haar uitschrijving ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Niet valt uit te sluiten dat het voormalige kantoor van mr. Barada nog over nadere

bewijsstukken beschikt, waarmee kan worden aangetoond dat verzoekster sinds 4 februari 1997 daadwerkelijk in Nederland woonachtig is geweest. Te denken valt daarbij onder anderen aan een huurcontract over de in geschil zijnde

periode, dan wel een verklaring van de onderwijsinstelling dat de kinderen, die ten laste van verzoekster komen, in de betrokken periode onderwijs hebben gevolgd.

10. Verzoekster heeft niet aangetoond dat zij in ieder geval vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit is geweest van een sofinummer. Zij stelt dat haar destijds wel een sofinummer is verstrekt, maar dat

zij hiervan geen bewijsstuk meer heeft. De ter zitting nader onderbouwde stelling dat de Belastingdienst herhaaldelijk heeft geweigerd verzoekster in kennis te brengen van haar sofinummer komt de president niet onaannemelijk voor,

nu het sofinummer volgens het Ministerie van Financiën vooral is aan te merken als een nummer voor de interne administratie van de Belastingdienst alsmede omdat verzoekster niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel. Onder

die omstandigheden ligt het op de weg van verweerder om in het kader van zijn onderzoeksplicht bij de Belastingdienst na te gaan of verzoekster daadwerkelijk in de periode van 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 in het bezit is

geweest van een sofinummer.

11. Op grond van het voorgaande komt de president tot het voorlopige oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve

voor toewijzing in aanmerking.

12. De president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 33b van de Vw.

13. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op f 1.420,- als kosten van verleende

rechtsbijstand. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of

gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

III. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat het verweerder wordt verboden verzoekster te (doen) verwijderen totdat op bezwaar is beslist;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekster begroot op f 1.420,- (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 225,-.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2000 door

mr. Y.A.A.G. de Vries, fungerend president, in tegenwoordigheid van C.I. Bakker, griffier.

Afschrift verzonden op: 24 november 2000

Conc.:cbak

Coll:

Bp:-

D:b