Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9465

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10875
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 44 van de Associatie-Overeenkomst van de EG met Polen is op eiseres, die stelt als zelfstandig prostituee werkzaam te zijn, niet van toepassing nu zij reeds voor de beslissing in primo was gestopt met werken. Dat zij haar beroep niet meer zelfstandig heeft kunnen uitoefenen enkel omdat bordeelhouders haar ten gevolge van gemeentelijke maatregelen geen werkruimte meer aanboden, leidt tot de conclusie dat er sprake was van een verregaande mate van afhankelijkheid van deze bordeelhouders, waardoor niet aannemelijk is geworden dat eiseres "exclusively selfemployeded" is geweest. Artikel 44 van de Overeenkomst is derhalve op eiseres niet van toepassing. Verweerder heeft haar aanspraak op toelating terecht getoetst aan hoofdstuk B12/4.2.3 Vc-1994. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10875 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1976, bezit de Poolse nationaliteit. Bij schrijven van 25 augustus 1997 ontvangen door verweerder op 3 september 1997 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag

ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: ”het verrichten van arbeid als zelfstandige prostituee”. Bij besluit van 18 januari 1999 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op

12 februari 1999 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 31 augustus 1999 ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van diezelfde dag aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

2. Bij beroepschrift van 27 september 1999 heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiseres verzocht zowel het besluit van 31 augustus 1999, alsook het besluit van 18 januari 1999

te vernietigen, de Staat te veroordelen in de kosten van het geding, het griffierecht te vergoeden en de zaak zelf af te doen en te bepalen dat eiseres aanspraak heeft op een vergunning tot verblijf. De rechtbank heeft partijen

meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 24 december 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 19 mei 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot

ongegrondverklaring van het beroep. Eiseres heeft bij brieven van 10 en 22 mei 2000 verzocht om aanhouding in afwachting van een antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de door deze rechtbank op 15 juli

1999 gestelde prejudiciële vragen (o.a. AWB 98/5592). De rechtbank heeft dit verzoek bij brief van 26 mei 2000 niet ingewilligd. Eiseres heeft haar standpunt nog nader aangevuld bij schrijven van 7 juni 2000.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.J.K. van Andel, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde S.H.J.W. Roelofs, LLM, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres verblijft sedert 7 augustus 1997 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland.

Sinds begin oktober 1998 heeft zij niet langer als prostituee gewerkt.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 44, derde en vierde lid, van de Europa-Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de EG en lidstaten enerzijds en Polen anderzijds (hierna: de

Overeenkomst) aanspraak kan maken op een vergunning tot verblijf wegens haar arbeid als zelfstandige prostituee. In dit artikel is bepaald dat elke Lidstaat vanaf de inwerkingtreding van deze Overeenkomst aan Poolse onderdanen een

behandeling verleent die niet minder gunstig is dan die aan eigen onderdanen wordt verleend, indien het gaat om het recht op toegang tot en de uitoefening van economische activiteiten anders dan in loondienst. Een onderdaan van

Polen ontleent aan deze bepalingen rechtstreeks het recht op toelating en verblijf. Eiseres verwijst hierbij naar literatuur en jurisprudentie met betrekking tot de rechtstreekse werking van bepalingen van het Verdrag tot oprichting

van de Europese Economische Gemeenschap van 1957 (EG-Verdrag). De aanspraken van eiseres zijn onjuist beoordeeld door die aanspraken alleen maar in het kader van nationale regelgeving te beoordelen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij geheel en uitsluitend als zelfstandige werkzaam is. Zij heeft ter ondersteuning van haar aanvraag de volgende stukken overgelegd:

-een aangifte omzetbelasting 1997;

-een aanslag omzetbelasting 1997, waaruit blijkt dat zij in dat jaar een belastbaar inkomen heeft gehad van f. 8.465,00;

-een overzicht van de boekhoudkundige stand van zaken van haar onderneming van over het boekjaar 1997;

-bankafschriften waaruit blijkt dat zij in 1998 f. 3.940,00 omzetbelasting heeft betaald.

Volgens eiseres heeft verweerder haar ten onrechte tegengeworpen dat zij geen aanvullende gegevens heeft overgelegd. Zij heeft in het begin van haar werkzaamheden tijd nodig gehad om haar bedrijf op te zetten en voor een boekhouding

te zorgen. Ter zitting is door eiseres aangevoerd dat zij wel voldoende bescheiden heeft overgelegd met betrekking tot haar bedrijfsvoering.

Eiseres heeft voorts de volgende brieven overgelegd:

- Een brief van 13 juli 1998 van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) aan de gemeente Amsterdam, betreffende verblijfsaanvragen van buitenlandse prostituees die zich beroepen op de Associatieverdragen die door de Europese

Unie zijn gesloten met onder andere Polen. In deze brief staat, zakelijk weergegeven, dat de bezwaarschriften van een aantal van deze prostituees ongegrond zijn verklaard, onder meer omdat de Associatieverdragen tussen de Europese

Unie en de voormalige Oostbloklanden niet van toepassing zijn op arbeid als zelfstandige in de prostitutie. Voorts wordt er op gewezen dat deze prostituees niet in het bezit zullen worden gesteld van een vergunning tot verblijf die

hen in staat stelt arbeid te verrichten. In het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) worden (raam)bordeelhouders aangemerkt als werkgevers, nu prostituees ten dienste van hen arbeid verrichten en deze (raam)bordeelhouders

derhalve meer zijn dan normale verhuurders van bedrijfsruimte. Aangezien prostitutiebedrijven in Amsterdam in het bezit moeten zijn van een gedoogvergunning, kan in de Amsterdamse situatie de gedoogvergunning-houder eveneens worden

aangemerkt als werkgever in de zin van de WAV. Werkgevers die een vreemdeling zonder een tewerkstellingsvergunning tewerkstellen overtreden artikel 2 van de WAV.

- Een brief van 22 juli1998 van de Stadhuisdienst Amsterdam aan de exploitanten van een prostitutiebedrijf en/of een seksinrichting. In deze brief staat, zakelijk weergegeven, dat met prostituees afkomstig uit landen aangesloten

bij de Associatieverdragen uitsluitend een overeenkomst tot het verrichten van arbeid en/of het verhuren van kamers kan worden aangegaan indien zij in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel, die het verrichten van arbeid

toestaat. Het niet naleven van deze gedoogvoorwaarde in een prostitutiebedrijf, kan leiden tot weigering of intrekking van de gedoogbeschikking of, voor zover het om een seksbedrijf gaat tot weigering of intrekking van de

vergunning. Het is de exploitant van een prostitutiebedrijf of seksinrichting verboden prostituees afkomstig uit bovenbedoelde landen te laten werken. Dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding, doet niet

af aan het feit dat een exploitant in de zin van de wet reeds werkgever is indien ten dienste van hem arbeid wordt verricht.

Eiseres stelt dat exploitanten op basis van deze brieven geen ruimte meer aan haar hebben verhuurd, waardoor zij niet meer heeft kunnen werken. Zij heeft dus geen nadere actuele gegevens kunnen verschaffen over haar bedrijfsvoering.

Eiseres is medio augustus 1998 gestopt met werken in Amsterdam en heeft daarna gepoogd om in Den Haag te gaan werken. Aldaar is zij begin oktober 1998 om dezelfde reden eveneens gestopt met haar werkzaamheden. Nadien heeft zij niet

meer als zelfstandig prostituee gewerkt. Eiseres heeft voorts benadrukt dat haar relatie met een exploitant zich beperkte tot een mondelinge huurovereenkomst, op grond waarvan zij huur betaalde in ruil voor ruimte.

Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat de bestreden beschikking is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder heeft ten onrechte afgezien van het horen van eiseres aangezien er op grond van haar

persoonlijke omstandigheden en haar bedrijfsvoering redenen waren om haar te horen.

4.1. Verweerder stelt zich - samengevat - op het standpunt dat artikel 44 van de Overeenkomst geen rechtstreekse werking heeft, nu het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen nog geen antwoord heeft gegeven op de bij

uitspraak van 15 juli 1999 door deze rechtbank gestelde vragen over onder meer de rechtstreekse werking van deze bepaling. Volgens verweerder ziet artikel 44, vierde lid en onder c, van de Overeenkomst slechts op zelfstandig

ondernemers, zijnde personen die zich bezighouden met economische activiteiten anders dan in loondienst. Artikel 44 geeft geen recht op toelating, noch op verblijf, maar slechts een recht op toegang tot en uitoefening van de

bedoelde economische activiteiten. Werkzaamheden in de prostitutie kunnen volgens verweerder niet als zodanig worden aangemerkt. Voorts vallen als zelfstandigen vermomde werknemers niet onder de definitie van artikel 44 vierde lid

onder a, van de Overeenkomst. Bij de beoordeling of er sprake is van zelfstandig ondernemerschap en ter voorkoming van schijnconstructies, dient niet zozeer te worden gekeken naar de juridische verhouding, doch op de feitelijke

omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht. Op grond van de overgelegde stukken heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zelfstandig ondernemerschap, hetgeen met zich meebrengt dat zij niet kan

vallen onder de werking van de Overeenkomst. Verweerder heeft ter zitting in dit verband aangevoerd dat indien het uitoefenen van werkzaamheden als zelfstandig ondernemer voor eiseres onmogelijk is geworden, doordat exploitanten

geen ruimte meer aan haar willen verhuren, er geen sprake is van zelfstandig ondernemerschap.

4.2. De aanvraag van eiseres dient volgens verweerder, gezien het bovenstaande, te worden getoetst aan het nationale beleid ten aanzien van vreemdelingen, die onderdaan zijn van één der landen waarmee de Europese gemeenschappen een

overeenkomst hebben gesloten en die een zelfstandig beroep of bedrijf willen uitoefenen, als omschreven in hoofdstuk B12 onder 4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).

In de beslissing in primo waarop in de bestreden beschikking wordt aangesloten, heeft verweerder hieromtrent het volgende overwogen. Eiseres heeft, ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende gegevens en

bescheiden overgelegd om haar stelling, dat zij arbeid als zelfstandige verricht, voldoende te kunnen onderbouwen. Zij heeft nauwelijks enige informatie overgelegd over haar bedrijfsvoering, maar slechts haar personalia ter

beschikking gesteld en enige bescheiden van de Belastingdienst overgelegd. Verweerder ziet niet in dat eiseres in november 1998 geen actuele gegevens over haar bedrijfsvoering kon overleggen als zij nog tot oktober 1998 als

prostituee heeft gewerkt.

Er zijn voorts geen klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan, in afwijking van het geldende beleid, verblijf aan eiseres dient te worden toegestaan.

4.3. Uit de inhoud van het bezwaarschrift beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiseres is aangevoerd en met de motivering van de bestreden beschikkingen, bleek reeds aanstonds dat het bezwaar ongegrond was,

terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over deze conclusie. Derhalve is op grond van artikel 32, tweede lid, van de Vw afgezien van het horen van eiseres.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. artikel 44 van de Overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"(…)

3. Each Member State shall grant, from entry into force of this Agreement, a treatment no less favourable than that accorded to its own companies and nationals for the establishment of Polish companies and nationals as defined in

Article 48 and shall grant in the operation of Polish companies and nationals established in its territory a treatment no less favourable than that accorded to its own companies and nationals.

4. For the purposes of this Agreement

(a) "Establishment" shall mean

(i) as regards nationals, the right to take up and pursue economic activities as self-employed persons and to set up and manage undertakings, in particular companies, which they effectively control. Self-employment and business

undertakings by nationals shall not extend to seeking or taking employment in the labour market or confer a right of access to the labour market of another Party. The provisions of this chapter do not apply to those who are not

exclusively self-employed."

6. Bij uitspraak van 15 juli 1999 heeft deze rechtbank en zittingsplaats prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. In deze vragen wordt onder andere aan de orde gesteld of er een

rechtstreeks beroep mogelijk is op artikel 44 van de Overeenkomst en of dit artikel toelaat dat prostitutie niet valt onder het begrip economische activiteiten anders dan in loondienst. De rechtbank zal zich eerst een oordeel vormen

over de vraag of op eiseres artikel 44, vierde lid van de Overeenkomst van toepassing is. In dit artikellid wordt onder andere bepaald dat “The provisions of this chapter do not apply to those who are not exclusively

self-employed.” De rechtbank constateert dat eiseres begin oktober 1998, derhalve reeds vóór de beslissing in primo op 18 januari 1999, is gestopt met werken als prostituee. Ten tijde van deze beslissing voldeed zij derhalve reeds

niet meer aan het beoogde verblijfsdoel. Zij stelt dat zij vanaf begin oktober 1998 niet meer heeft kunnen werken vanwege de hierboven aangehaalde brieven van juli 1998 van de IND en de gemeente Amsterdam met betrekking tot

prostituees afkomstig uit de voormalige Oostbloklanden. De rechtbank volgt deze stelling niet. De omstandigheid dat zij haar beroep niet meer zelfstandig kon uitoefenen, enkel omdat zij via de bordeelexploitanten geen werkruimte

meer kon krijgen, dient naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie te leiden dat sprake is van een verregaande mate van afhankelijkheid van de bordeelhouder, waardoor niet aannemelijk is dat eiseres ‘’exclusively

self-employed’’ is geweest. Daar komt bij dat niet is gebleken dat eiseres andere mogelijkheden heeft onderzocht om na begin oktober 1998 eventueel elders, dan wel op andere wijze zelfstandig te werken. Gelet op het bovenstaande is

artikel 44 van de Overeenkomst op eiseres niet van toepassing. Daarmee staat tevens vast dat de rechtbank de antwoorden op de reeds eerder genoemde prejudiciële vragen niet bij de beoordeling van het onderhavige beroep zal

betrekken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op de aanspraken van eiseres op toelating de nationale regelgeving van toepassing is.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

7. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

8. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Het beleid inzake vreemdelingen, afkomstig uit één der landen waarmee de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten

een overeenkomst hebben gesloten, die een zelfstandig beroep of bedrijf willen uitoefenen is omschreven in hoofdstuk B12/4.2.3 Vc 1994.

Hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder rechtsoverweging II.6 leidt eveneens tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet kan worden aangemerkt als zelfstandig ondernemer en

derhalve geen aanspraak op toelating kan ontlenen aan bovengenoemd beleid.

9. Evenmin is gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen. Gesteld noch gebleken is van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond

daarvan aan eiseres verblijf hier te lande had moeten toestaan.

10. De conclusie is dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

11. Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Eiseres heeft dienaangaande aangevoerd dat ten onrechte is afgezien van het horen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat op grond van artikel 32, tweede lid, Vw van het horen is afgezien. Ingevolge artikel 32, tweede lid, Vw kan van het horen worden afgezien, indien verweerder bepaalt dat

uitzetting op grond van het eerste lid niet achterwege blijft.

Verweerder heeft op 12 februari 1999 bepaald dat eiseres de beslissing op het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verweerder is op deze beslissing niet teruggekomen en heeft eiseres evenmin alsnog uitstel van vertrek verleend.

Teneinde te beoordelen of verweerder terecht van het horen heeft afgezien, dient de rechtbank daarom de vraag te beantwoorden of de schorsingsbeslissing ten tijde van de bestreden beschikking rechtmatig was in de zin van artikel 32,

eerst lid, Vw.

Gelet op het gestelde onder punt II.6. had het bezwaar gericht tegen de weigering eiseres een vergunning tot verblijf te verlenen, ten tijde van de bestreden beschikking geen redelijke kans van slagen. De rechtbank concludeert dat

verweerder ten tijde van de bestreden beschikking op grond van artikel 32, tweede lid, Vw van het horen heeft kunnen afzien.

Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

12. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2000, door

mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier.

Afschrift verzonden op: 8 december 2000

Conc.: IK

Coll:

Bp:

D: b

110497