Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9464

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/9051
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijksbeletsel.

In de onderhavige zaak staat vast dat eiseres ten tijde van het huwelijk in Joegoslavië minderjarig was en dat naar Nederlands recht geen geldig huwelijk is gesloten. Ingevolge het ter zake geldende beleid heeft eiseres geen aanspraken op toelating. De rechtbank constateert dat eiseres reeds vóór het bestreden besluit zeventien jaar was en bevallen was van een kind. Ingevolge artikel 31, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vervalt het wettelijk huwelijksbeletsel van het eerste lid, de minderjarigheid, indien de huwelijkspartners de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw aantoonbaar zwanger is, dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een strikte hantering van het leeftijdsvereiste als beleidsuitgangspunt niet onredelijk is, acht zij de motivering van verweerder, zowel in het bestreden besluit als ter zitting, voor die strikte hantering van het leeftijdsvereiste onvoldoende draagkrachtig, gelet op de discrepantie die lijkt te bestaan tussen de huwelijkswetgeving, neergelegd in Titel 5 van Boek 1 van het BW en de toepassing in het onderhavige geval van de hiervoor genoemde vreemdelingrechtelijke beleidsregels. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere motivering vooralsnog niet valt in te zien dat, waar een wettelijk huwelijksbeletsel vervalt indien de huwelijkspartners de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw aantoonbaar zwanger is dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht, aan een dergelijke omstandigheid in het vreemdelingenrecht in het geheel geen betekenis zou toekomen. Aannemende dat bedoeld wettelijk huwelijksbeletsel in het BW eveneens is opgeworpen ter voorkoming van kindhuwelijken, is het de rechtbank vooralsnog niet duidelijk geworden waarin de rechtvaardiging schuilt van de onder de aandacht gebrachte ongelijkheid.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/9051 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1982, bezit de Joegoslavische nationaliteit. Op 27 mei 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie Utrecht een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel “verblijf bij

Nederlandse echtgenoot C”. Bij besluit van 14 oktober 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op 10 november 1998 bezwaar gemaakt. De nadere gronden zijn ingediend bij schrijven van

3 december 1998 en aangevuld bij schrijven van 18 december 1998. Dit bezwaar is bij besluit van 15 juli 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 10 augustus 1999 heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 9 december 1999 zijn de op

de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 16 mei 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 14 juni 2000 heeft eiseres de

gronden van het beroep aangevuld.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. R.L. Braakman, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door

zijn gemachtigde mr. D.J. de Jong, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig C, echtgenoot van eiseres.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiseres is op 20 september 1997 te Plav in de Federatieve Republiek Joegoslavië (FRJ) gehuwd met C, van Nederlandse nationaliteit (hierna:

referent). Op 14 oktober 1997 heeft eiseres een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd voor verblijf bij haar Nederlandse echtgenoot. Bij besluit van 4 december 1997 is deze mvv geweigerd wegens minderjarigheid van

eiseres. Desondanks heeft referent eiseres op 5 maart 1998 naar Nederland laten overkomen. Op 7 december 1998 is eiseres bevallen van een kind, dat de Nederlandse en de Joegoslavische nationaliteit bezit.

3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan de in B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire geformuleerde voorwaarde voor gezinsvorming dat beide echtgenoten 18 jaar of ouder dienen

te zijn. Deze leeftijdseis wordt gesteld omdat het wenselijk is het sluiten van huwelijken op jonge leeftijd vanwege strijd met de openbare orde tegen te gaan. De omstandigheden dat eiseres is gehuwd met een Nederlander, dat staande

dit huwelijk een kind is geboren van Nederlandse en Joegoslavische nationaliteit, noch de bezwaarlijke situatie in het land van herkomst leiden er toe dat in afwijking van voornoemd beleid verblijf aan eiseres moet worden

toegestaan.

Er is niet gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan zij in het bezit zou moeten worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Ten aanzien van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de

Mens (EVRM) wordt overwogen dat weliswaar vaststaat dat tussen eiseres, haar echtgenoot en hun kind familie- of gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 EVRM, doch dat geen sprake is van inmenging in het familie- of gezinsleven.

Er is geen sprake van een positieve verplichting voor verweerder om eiseres hier verblijf toe te staan. Er bestaat voor de staat geen algemene verplichting de keuze van het land van domicilie voor de vestiging van het gezinsleven te

eerbiedigen door eiseres hier verblijf toe te staan. Niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het familie- of gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen, hoe bezwaarlijk de situatie aldaar thans ook is. Verder is

niet gebleken dat eiseres niet naar Turkije kan gaan, alwaar haar familie verblijft. Van het kind dat pas enkele maanden oud is mag worden verlangd dat hij zijn moeder volgt. Voorts is de echtgenoot oorspronkelijk afkomstig uit de

FRJ. Hij is inmiddels tot Nederlander genaturaliseerd en in 1997 teruggekeerd naar de FRJ om met eiseres te huwen. Van hem mag worden verlangd dat hij vanwege het gezinsleven terugkeert naar zijn land van herkomst.

Eiseres heeft, door na de afwijzing van de mvv desondanks naar Nederland te komen, bewust het risico genomen dat haar vergunning tot verblijf zou worden geweigerd.

Op grond van artikel 32, tweede lid, Vw bestond geen verplichting eiseres te horen noch werd dit door de zorgvuldigheid gevorderd.

4. Eiseres meent dat klemmende redenen van humanitaire aard dan wel internationale verplichtingen tot toelating nopen. Daartoe voert zij aan dat er objectieve belemmeringen bestaan om het gezins-of familieleven in haar land van

herkomst, Kosovo, uit te oefenen in verband met de oorlogssituatie. Ten onrechte is gesteld dat eiseres niet verschilt van de vele landgenoten uit Kosovo, die vanwege de situatie aldaar geen verblijf wordt toegestaan. Juist vanwege

de oorlogssituatie in Kosovo zijn vele Kosovaren naar Nederland gehaald in afwachting van een verbetering van de situatie aldaar. De familie van eiseres is naar Turkije gevlucht. Van eiseres en haar echtgenoot kan niet worden

verlangd dat zij naar Kosovo terugkeren om daar het familieleven uit te oefenen.

5. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de stelling van eiseres, dat in verband met de oorlogssituatie in Kosovo vele Kosovaren naar Nederland zijn gehaald en dat haar op grond hiervan verblijf dient te

worden toegestaan, niet wordt gevolgd, nu genoemde Kosovaren niet naar Nederland zijn gehaald met het oog op het verstrekken van een vergunning tot verblijf. Verweerder ziet geen aanleiding om in het licht van de toenmalige

oorlogssituatie in Kosovo ten behoeve van eiseres af te wijken van het in het kader van de openbare orde gestelde leeftijdsvereiste voor gezinsvorming.

6. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat er een discrepantie bestaat tussen het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Vw. Eiseres is thans naar Nederlands recht meerderjarig, nu zij is bevallen van een kind. Eiseres verwijst naar een

uitspraak van 18 maart 1999 van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingshoudende te 's-Hertogenbosch (AWB 97/10207, waarin in een soortgelijk geval de eiseres in het gelijk is gesteld. Daarnaast is sprake van klemmende redenen van

humanitaire aard op grond waarvan eiseres dient te worden toegelaten. Eiseres kan onmogelijk terug naar Kosovo met haar kind. Haar familie verblijft in vluchtelingenkampen. Op 22 juni 2000 bereikt eiseres de achttienjarige leeftijd.

Haar echtgenoot heeft werk. Het is voor haar niet mogelijk in Kosovo een mvv aan te vragen, terwijl zij wel aan de vereisten voldoet. Een mvv-procedure duurt zeker 6 à 7 maanden. Het terugzenden van eiseres naar haar land van

herkomst dient geen redelijk doel. Verweerder kan in redelijkheid niet vasthouden aan het ter zake geldende beleid.

7. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het leeftijdsvereiste strikt wordt gehanteerd, gelet op de ratio van het beleid. De absolute ondergrens van 18 jaar kan niet worden beïnvloed. Het gaat niet zozeer om de juridische

meerderjarigheid, maar om het tegengaan van kindhuwelijken. Weliswaar bestaan er enkele uitspraken waarin de strikte hantering van dit beleid onredelijk werd geacht, maar dit betreft met name gevallen waarin de betrokkene ten tijde

van het bestreden besluit binnen enkele maanden meerderjarig werd. De omstandigheid dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit ouder was dan zestien jaar en van een kind was bevallen, hetgeen ingevolge artikel 31, tweede lid

van het BW het huwelijksbeletsel van de minderjarigheid doet vervallen, heeft geen gevolgen voor de leeftijdseis in het vreemdelingenrecht. Ook de omstandigheid dat eiseres ingevolge een dergelijk huwelijk meerderjarig zou zijn

geworden heeft vreemdelingrechtelijk geen gevolgen.

De rechtbank overweegt het volgende.

8. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

9. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Het op dit punt door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/1 van de Vc 1994. Eén van de

voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor verblijf bij huwelijkspartner is dat beide echtgenoten 18 jaar of ouder zijn. Gelet op de kamerstukken (TK 1992-1993, 22809, nr.19) is de ratio van deze regeling gelegen in het tegengaan

van kind- en schijnhuwelijken. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk is.

10. Vast staat dat eiseres ten tijde van het huwelijk in Joegoslavië minderjarig was en dat naar Nederlands recht geen geldig huwelijk is gesloten. Ingevolge bovengenoemd beleid had eiseres bij de aanvraag om een mvv en ten tijde

van haar binnenkomst geen aanspraken op toelating. De rechtbank constateert voorts dat eiseres reeds vóór het bestreden besluit zeventien jaar was en bevallen was van een kind.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vervalt het wettelijk huwelijksbeletsel van het eerste lid, de minderjarigheid, indien de huwelijkspartners de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw

aantoonbaar zwanger is, dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat een strikte hantering van het leeftijdsvereiste als beleidsuitgangspunt niet onredelijk is, acht zij de motivering van

verweerder, zowel in het bestreden besluit als ter zitting, voor die strikte hantering van het leeftijdsvereiste onvoldoende draagkrachtig, gelet op de discrepantie die lijkt te bestaan tussen de huwelijkswetgeving, neergelegd in

Titel 5 van Boek 1 van het BW en de toepassing in het onderhavige geval van de hiervoor genoemde vreemdelingrechtelijke beleidsregels. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere motivering vooralsnog niet valt in te zien dat,

waar een wettelijk huwelijksbeletsel vervalt indien de huwelijkspartners de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt en de vrouw aantoonbaar zwanger is dan wel haar kind reeds ter wereld heeft gebracht, aan een dergelijke omstandigheid

in het vreemdelingenrecht in het geheel geen betekenis zou toekomen. Aannemende dat bedoeld wettelijk huwelijksbeletsel in het BW eveneens is opgeworpen ter voorkoming van kindhuwelijken, is het de rechtbank vooralsnog niet

duidelijk geworden waarin de rechtvaardiging schuilt van de onder de aandacht gebrachte ongelijkheid. De overige stellingen van eiseres kunnen onbesproken blijven.

11. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit niet voldoet aan het vereiste van artikel 7:12 van de Awb dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Het beroep is mitsdien gegrond en de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

13. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 225,- (zegge tweehonderdenvijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,- (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2000, door mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier.

Afschrift verzonden op: 21 november 2000

Conc.: IK

Coll:

Bp:

D: