Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9462

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/7656, 99/7657
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Azerbeidzjan / Armenië.

Eisers zijn afkomstig uit Azerbeidzjan. Als gevolg van de oorlog tussen Azerbeidzjan en Armenië hebben zij een aantal jaren in een vluchtelingenkamp in Armenië verbleven. Vanwege de gemengde afkomst van eiseres zijn zij naar Rusland vertrokken. Zij hebben daar enkele jaren illegaal verbleven en zijn gevlucht vanwege problemen met de maffia.

In het bestreden besluit wordt overwogen dat eisers terug kunnen naar Azerbeidzjan. Bij het gehoor door de ambtelijke commissie (ac) is echter verklaard dat eisers niet zullen worden teruggestuurd naar Azerbeidzjan. Nu de aanvraag mede in verband met de terugkeeroptie naar Azerbeidzjan is afgewezen, is het bestreden besluit onjuist gemotiveerd. Voorzover gesteld wordt dat eisers terug kunnen naar Armenië, overweegt de rechtbank dat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse zaken van december 1998 blijkt dat de situatie in Armenië voor etnische Armeniërs, afkomstig uit Azerbeidzjan, niet rooskleurig is. Daarbij is van belang dat niet is vast komen te staan dat eiser de Armeense nationaliteit bezit en dat eiseres van gemengde (Armeense en Azerbeidjzaanse) afkomst is. Gelet hierop is ontoereikend gemotiveerd dat eisers terug kunnen naar Armenië.

Voorts bestrijdt verweerder dat eisers illegaal in Rusland hebben verbleven. De verblijfsstatus van eisers aldaar is echter niet vast komen te staan. Nadere motivering is nodig waarom eisers terug zouden kunnen naar Rusland en waarom het mogelijk is voor eisers om daar een legale status te regelen.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/7656 VRWET

AWB 99/7657 VRWET

Inzake: A, eiser, B, eiseres,

alsmede hun minderjarige kinderen, C en D,

allen verblijvende te E,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1966, en eiseres, geboren op [...] 1968, verblijven naar eigen zeggen sedert 27 juli 1998 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Eiser is staatloos en eiseres bezit de Azerbeidzjaanse

nationaliteit. Op 27 juli 1998 hebben zij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. De aanvraag van eiseres geldt mede voor haar minderjarige kinderen, C, geboren op [...] 1989, van Armeense nationaliteit, en D, geboren op

[...] 1992, van Armeense nationaliteit. Bij bezwaarschriften van 10 maart 1999, aangevuld bij brief van 13 maart 1999, hebben eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag bezwaar gemaakt. Op 3 juni 1999 zijn

eisers gehoord door een ambtelijke commissie (ac). Bij besluiten van 30 juni 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 6 juli 1999, aangevuld bij brief van 10 augustus 1999, hebben eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op

24 november 1999 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 25 september 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2000. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F. van Dijk, advocaat te Assen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.G.F. de

Brauwere, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij in aanmerking komen voor toelating als vluchteling dan wel voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe hebben zij bij de

contactambtenaar -zakelijk samengevat- het volgende aangevoerd.

Eisers zijn afkomstig uit Azerbeidzjan. In 1988 zijn eisers als gevolg van de oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan naar Armenië geëvacueerd. Eisers zijn op 10 juli 1988 getrouwd. Vanwege de gemengde (Armeense en Azerbeidzjaanse)

afkomst van eiseres zijn eisers in 1993 gevlucht naar de Russische Federatie. Eiser is daar gaan werken als schoenmaker. In november 1994 was eiser getuige van de moord op het hoofd van het schoenatelier door de maffia. De maffia

wist dat eiser ooggetuige was. Eiser is na de moord niet meer naar huis gegaan uit angst voor represailles van de maffia. Hij hoorde via een vriend van eiseres dat er naar hem geïnformeerd was. Eisers zijn vertrokken naar Voronesh.

Daar hebben eisers tot 1996 gewoond en gewerkt, totdat eiser bericht kreeg van een vriend dat de maffia achter hun nieuwe verblijfsplaats was gekomen. Daarop zijn eisers naar Perm gegaan. Daar zijn zij tot 1998 gebleven. Eisers

voelden zich in Perm niet veilig en waren bang dat de maffia wederom achter hun verblijfplaats zou komen. Eisers hebben de Russische Federatie verlaten en zijn gevlucht naar het buitenland.

3. In bezwaar en beroep hebben eisers aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat verweerder in het bestreden besluit de situatie in Azerbeidzjan in de beoordeling heeft betrokken. De voorzitter van de ac heeft immers aan eisers

medegedeeld dat een terugkeer naar Azerbeidzjan niet aan de orde was.

Eisers zijn van mening dat de situatie in Armenië wordt onderschat. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van december 1998 blijkt dat er een etnisch probleem is in het geval van een Armeens/Azerbeidzjaans

huwelijk. Personen die een gemengd Armeens/Azerbeidzjaans huwelijk hebben gesloten en die nu nog in Armenië wonen, leiden een teruggetrokken bestaan. De nog in Armenië woonachtige Azeri hebben hun namen veranderd in Armeense namen

om achterstelling, discriminatie, intimidatie en geweld te voorkomen. Indien zij namelijk te maken krijgen met intimidatie en geweld van de zijde van de Armeense bevolking, kunnen zij niet of nauwelijks op bescherming van de politie

rekenen. Blijkens het voornoemde ambtsbericht worden etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan in Armenië als “Turken” beschouwd. Gelet hierop zijn eisers van mening dat zij vanwege hun gemengd huwelijk een reëel gevaar lopen om te worden

blootgesteld aan een behandeling als beschreven in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eisers hebben probleemloos in Armenië kunnen wonen, omdat er toen

nog geen verplichte registratie was en hun gemengd huwelijk niet bekend was. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser het Armeens staatsburgerschap kan aanvragen, miskent verweerder het gevolg hiervan. Immers, dit

zou betekenen dat eiser niet meer met eiseres zou kunnen samenleven. Zij kan vanwege haar gemengde afkomst het Armeense staatsburgerschap niet aanvragen.

Voorts heeft verweerder het gestelde vestigingsalternatief in Rusland onvoldoende gemotiveerd. Eisers hebben daar altijd illegaal gewoond en hebben geen mogelijkheid voor een veilig bestaan. Zij hebben wel degelijk geprobeerd om een

verblijfsvergunning te krijgen door het sparen van geld om zo een huis te kopen en een verblijfsvergunning te krijgen. Door het incident met de maffia was dit niet meer mogelijk. Door de verwevenheid van de maffia en de autoriteiten

was het voor eisers te gevaarlijk om de bescherming van de autoriteiten in te roepen.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers geen aanspraak kunnen maken op toelating als vluchteling, noch in aanmerking komen voor verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire

aard.

Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging. Het enkel behoren tot de bevolkingsgroep van etnische Armeniërs vormt op zichzelf geen reden om te vrezen voor vervolging. Hoewel de situatie voor

etnische Armeniërs en diegenen die een gemengd huwelijk met een etnische Armeniër hebben gesloten of uit een dergelijk huwelijk zijn voortgekomen, in Azerbeidzjan zorgelijk is, kan niet worden geoordeeld dat het enkel behoren tot

één van deze groepen op zichzelf reden vormt te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin.

Eisers zijn nimmer actief geweest voor een politieke partij of beweging en hebben nimmer van de zijde van de Azerbeidzjaanse autoriteiten problemen ondervonden.

Uit de verklaringen van eisers kan niet worden opgemaakt dat de problemen die zij in Armenië hebben ondervonden zodanige ernstige beperkingen in hun bestaansmogelijkheden hebben opgeleverd dat gesproken kan worden van vervolging. De

stelling van eisers dat eiseres als gevolg van haar gemengde afkomst in Armenië discriminatoir bejegend werd, is niet onderbouwd met concrete voorbeelden. Daarbij is van belang dat eisers bij het gehoor door de ac hebben verklaard

dat zij tot 1993 probleemloos in Armenië konden leven. Eisers zijn van 1988 tot 1993 als vluchteling in Armenië opgevangen. Voorts is van belang dat eisers in Armenië nimmer persoonlijke problemen hebben ondervonden, noch dat hun

leven in Armenië als gevolg van discriminatoire behandeling onhoudbaar is geworden, noch dat zij zich in een acute vluchtsituatie hebben bevonden. Eiser is van etnische Armeense afkomst, en kan daarom in Armenië op adequate opvang

rekenen. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 december 1998 (kenmerk: DPC/AM 539269) valt op te maken dat eiser in Armenië het Armeense staatsburgerschap kan aanvragen. Voorts is de gemengde afkomst van

eiseres niet bekend. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de volksregistratie, waarmee de autoriteiten bezig waren, dusdanige gevolgen voor eiseres had dat er sprake zou zijn van vervolging. Tevens is van belang dat de vader

van eiseres de Armeense nationaliteit had.

Niet is gebleken dat eisers zich in de Russische Federatie in een acute vluchtsituatie hebben bevonden, dan wel dat zij zodanig discriminatoir bejegend zijn dat hun leven in de Russische federatie onhoudbaar is geworden. De

verklaringen van eisers dat zij problemen hebben met de maffia zijn niet te herleiden tot een vervolgingsgrond. Voorts is niet gebleken dat eisers de bescherming van de Russische autoriteiten hebben ingeroepen.

Eisers hebben vijf jaar in de Russische Federatie gewoond zonder een poging te hebben ondernomen om een officiële verblijfsstatus te verkrijgen. Hieruit blijkt dat een verblijf mogelijk is in de Russische Federatie en dat eisers

daar een verblijfsalternatief hebben. Niet gebleken is dat er sprake is van een reëel risico dat eisers bij gedwongen terugkeer zullen worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling of bestraffing.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat de overweging over Azerbeidzjan in het bestreden besluit als kennisgeving dient te worden gezien. Een eventuele terugkeer naar Azerbeidzjan is niet aan de orde.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 van de Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die

afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

6. Ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het

beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende

uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire.

7. De rechtbank stelt voorop dat de algemene en mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan dan wel Armenië dan wel de Russische Federatie niet zonder meer tot het oordeel kan leiden dat eisers als vluchteling kunnen worden aangemerkt.

Beslissend is de individuele situatie van eisers, bezien in het licht van de algemene situatie in het land van herkomst. In dat licht zal aannemelijk moeten worden dat er feiten en omstandigheden zijn met betrekking tot eisers

persoonlijk, die hun vrees voor vervolging rechtvaardigen.

8. Uit de verklaring van verweerder ter zitting leidt de rechtbank af dat verweerder zich niet langer op het standpunt stelt dat eisers terug kunnen worden gestuurd naar Azerbeidzjan. Het besluit op bezwaar is op dit punt onjuist

gemotiveerd, hetgeen betekent betekent dat het beroep van eisers op dat punt gegrond is.

9. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep van eisers, voor zover dat betrekking heeft op het niet-inwilligen van hun aanvraag om toelating als vluchteling vanwege hun situatie in Armenië en de Russische Federatie, het

volgende. Uit het relaas van eisers valt niet op te maken dat zij zich politiek, godsdienstig of anderszins hebben geprofileerd. Eisers hebben verklaard dat zij geen problemen hebben ondervonden van de autoriteiten in Armenië.

Voorts hebben zij verklaard dat zij uit angst voor discriminatie gevlucht zijn uit Armenië. Dit is echter onvoldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op het vluchtelingenverdrag.

Eisers gestelde problemen met de maffia in de Russische Federatie zijn niet in verband te brengen met de bedoelde gronden uit het verdrag. Niet gebleken is dat de Russische autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden aan

eisers. Eisers hebben op geen enkele manier bescherming van de overheid geprobeerd te krijgen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht kunnen concluderen dat eisers geen gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in de

zin van het Vluchtelingenverdrag.

10. Met betrekking tot het beroep van eisers op verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, overweegt de rechtbank het volgende.

11. Verweerder heeft gesteld dat eisers terug kunnen keren naar Armenië.

Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van december 1998 vermeldt echter dat veel etnische Armeniërs, afkomstig uit Azerbeidzjan, liever niet hun toevlucht zoeken tot Armenië, of voor langere tijd daar willen

verblijven, aangezien zij daar als “Turken” zouden worden gezien door de plaatselijke bevolking. Hierdoor zouden zij in een nadelige positie komen. Uit het ambtsbericht blijkt aldus dat de situatie in Armenië voor Armeniërs, die uit

Azerbeidzjan zijn teruggekeerd, niet rooskleurig is. De weigering van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard is in het licht daarvan ontoereikend gemotiveerd, mede nu niet is vast komen te

staan dat eiser de Armeense nationaliteit bezit en gebleken is dat eiseres van gemengde (Armeense en Azerbeidzjaanse) afkomst is, zodat het er voor moet worden gehouden dat hun leefomstandigheden in Armenië moeilijk zijn.

12. Verweerder heeft voorgesteld dat eisers ook naar de Russische Federatie kunnen terugkeren. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt verweerder in het verweerschrift dat het zo goed als onmogelijk is dat eisers daar illegaal

verbleven hebben. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt genuanceerd en gesteld dat illegaal verblijf in de Russische Federatie onwaarschijnlijk is. Deze stelling van verweerder is naar het oordeel van de rechtbank kennelijk

gedaan ten einde te beargumenteren dat terugkeer naar de Russische Federatie mogelijk is. Dat eisers in de Russische Federatie een legale status hebben, is echter niet vast komen te staan, zodat de mogelijkheid bestaat dat eisers

daar illegaal hebben verbleven. Op grond hiervan behoeft nadere motivering waarom van eisers verwacht kan worden dat zij naar de Russische Federatie kunnen terugkeren en daarom geen aanspraak hebben op toelating tot Nederland. Voor

zover verweerder heeft bedoeld te betogen dat eisers het aan zichzelf te wijten hebben dat zij in dat land geen legale status hebben gehad, dient nader te worden beargumenteerd waarom het regelen van deze status mogelijk is.

13. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 8 en rechtsoverwegingen 10 tot en met 12, is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd. Mitsdien is het beroep gegrond en dienen de

bestreden besluiten te worden vernietigd. Verweerder dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

15. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 van de Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad ƒ 50,-- (zegge: vijftig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1420,-- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2000, door

mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee, griffier.

Afschrift verzonden op: 13 december 2000

Conc.: JL

Coll:

Bp: -

D: B