Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9456

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10089
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tweede asielverzoek / nova.

In de eerste asielprocedure heeft verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofswaardig geacht, welk oordeel overwegend was gebaseerd op de inhoud van twee individuele ambtsberichten. In de tweede procedure brengt eiser twee brieven van een deskundige in het geding, waarin gemotiveerd een van de conclusies van een van de ambtsberichten wordt betwist. Voorts stelt eiser dat verweerder gemotiveerd moet ingaan op de situatie in de Democratische Republiek Congo (DRC) na de machtswisseling. Verweerder is bij het nemen van de bestreden beslissing voorbijgegaan aan zowel de brieven van de deskundige als aan de machts-wisseling in de DRC, omdat geen sprake zou zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Daartoe voert verweerder onder andere aan dat ter zake van de ambtsberichten in de eerdere procedure reeds onherroepelijk is beslist.

De rechtbank volgt het betoog van verweerder niet. Verweerder dient inhoudelijk op de brieven in te gaan. De brieven van de deskundige zijn pas na de totstandkoming van de beslissing op bezwaar in de eerste procedure naar voren gekomen, en konden derhalve, gezien het ex-tunckarakter van de beoordeling in beroep, in die procedure niet meer worden meegenomen. Dat op de ambtsberichten reeds in de eerdere procedure is ingegaan doet er niet aan af dat zij, op basis van nieuwe informatie, in de tweede procedure opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld. Nu verweerder het asielrelaas van eiser in de eerste procedure (in overwegende mate) op basis van de ambtsberichten als ongeloofwaardig heeft afgedaan, moet de aantasting van (een deel van) de ambtsberichten door een deskundige tot een ander oordeel omtrent het vluchtelingschap van eiser kunnen leiden. In het nieuw te nemen besluit dient verweerder bovendien de machtswisseling in de DRC te betrekken.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr. : AWB 99/10089 VRWET

Inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1961 is burger van de Democratische Republiek Congo (DRC). Op 17 december 1997 heeft hij (wederom) aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van

klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 28 augustus 1998 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet-ontvankelijk verklaard en de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 8 september 1998, aangevuld bij brieven van 18 september 1998 en

22 september 1998. Bij besluit van 18 augustus 1999 heeft verweerder het bezwaar, voor zover gericht tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling ongegrond verklaard en aan eiser, met ingang van 30 november

1998, een vergunning tot verblijf zonder beperkingen verleend, geldig tot 30 november 1999.

2. Bij beroepschrift van 25 augustus 1999, aangevuld bij brief van 28 augustus 2000 heeft eiser tegen dit besluit, voor zover hierbij de weigering eiser als vluchteling toe te laten is gehandhaafd, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Op 18 januari 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 16 oktober 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage. Tevens was ter zitting aanwezig

J. Bongaerts, tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiser is naar eigen zeggen, tezamen met zijn echtgenote en drie van hun kinderen, op

16 december 1993 Nederland binnengekomen. Eiser en zijn echtgenote hebben op

13 januari 1994 aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf. Bij bezwaarschrift van 14 juli 1994 hebben eiser en zijn echtgenote bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op

hun aanvragen.

Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 24 februari 1997 de bezwaren van eiser en zijn echtgenote ongegrond verklaard en hen beiden uitstel van vertrek verleend tot

3 oktober 1997. Deze besluiten zijn op dezelfde dag aan de gemachtigde van eiser en diens echtgenote gezonden. Bij beroepschrift van 27 maart 1997 hebben eiser en diens echtgenote tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de

rechtbank. Bij uitspraak van

13 november 1997 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Eisers onderhavige aanvraag betreft derhalve zijn tweede asielaanvraag.

Gebleken is dat verweerder bij besluit van 18 augustus 1999 met ingang van 30 november 1998 aan de echtgenote van eiser een vergunning tot verblijf zonder beperkingen heeft verleend, geldig tot 30 november 1999.

In het dossier bevindt zich een tweetal individuele ambtsberichten van 4 maart 1996 resp. 14 november 1996 van de Minister van Buitenlandse Zaken.

In het dossier bevindt zich voorts een tweetal brieven van 17 maart 1997, resp. 28 maart 1997 van G.J. Onvlee, orthopaedisch chirurg n.p. (hierna: Onvlee). Hierin staat vermeld dat Onvlee van juni 1986 tot eind september 1991 als

orthopaedisch chirurg in Zaïre heeft gewoond en gewerkt. Voorts bestrijdt Onvlee hierin gemotiveerd een van de conclusies van het individuele ambtsbericht van 4 maart 1996.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers tweede asielaanvraag

niet-ontvankelijk is vanwege de niet-ontvankelijkheid van eisers beroep in zijn eerste procedure. Verweerder kan niet het Vluchtelingenverdrag opzij zetten, omdat zulks impliceert dat voorbij gegaan kan worden aan de gegrondheid van

de reden tot vrees voor vervolging. Eiser heeft in bezwaar aangegeven welke nieuwe feiten en omstandigheden een rol spelen bij zijn nieuwe asielaanvraag. Ten onrechte heeft verweerder hieraan geen aandacht besteed. Eiser betwist de

inhoud van de individuele ambtsberichten waarop verweerder zijn oordeel heeft gebaseerd. Onder die omstandigheden kan verweerder niet volstaan met een standaardbrief als resultaat van gedegen onderzoek naar de zorgvuldigheid waarmee

de ambtsberichten tot stand zijn gekomen.

4. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet voor toelating als vluchteling in aanmerking komt. Daartoe heeft verweerder het navolgende overwogen.

De gronden die eiser ten grondslag heeft gelegd aan zijn hernieuwde aanvraag om toelating als vluchteling leiden niet tot een ander oordeel dan verwoord in de beschikking van 24 februari 1997, welke verweerder als ingelast

beschouwd.

Niet is gebleken dat eiser bij zijn tweede aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd.

Er bestaat geen aanleiding om ten aanzien van de uitgebrachte individuele ambtsberichten tot een ander oordeel te komen, nu reeds onherroepelijk is beslist op de door eiser op

13 januari 1994 ingediende aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Eiser is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb niet gehoord.

In het verweerschrift handhaaft verweerder zijn standpunt en voert voorts het navolgende aan.

Eiser heeft in de tweede procedure een aantal documenten als zijnde nova overgelegd. In het bestreden besluit is hierop reeds ingegaan. Het beroepschrift werpt hier geen ander licht op. Eisers stelling omtrent de zorgvuldigheid van

de totstandkoming van de ambtsberichten ziet op de eerste procedure nu deze ambtsberichten in die procedure zijn uitgebracht. Derhalve is gaan sprake van een novum. Voorzover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel onder

verwijzing naar de door hem in beroep overgelegde jurisprudentie dient dit te falen nu geen sprake is van gelijke gevallen.

4. Ter zitting heeft eiser nog het navolgende naar voren gebracht.

Nu het eisers tweede asielaanvraag betreft, dient beoordeeld te worden of sprake is van nova. Eiser heeft in dat kader in bezwaar en beroep gewezen op stukken uit zijn eerdere procedure die in die procedure niet meer meegewogen

konden worden. Deze dienen thans als nova beschouwd te worden. Eiser verwijst hierbij naar de brieven van Onvlee. Voorts wijst eiser op het feit dat de Medisch Adviseur van het Ministerie van Justitie heeft geoordeeld dat de

littekens van eiser alleen maar van marteling afkomstig kunnen zijn. Verweerder kan na de machtswisseling in voormalig Zaïre niet volstaan met een enkele verwijzing naar het algemeen ambtsbericht 12 mei 1999 van de Minister van

Buitenlandse Zaken inzake de algemene situatie in de DRC ter staving van zijn standpunt dat eiser onder het nieuwe regime niets te vrezen heeft. Bij lezing van dat gehele ambtsbericht wordt duidelijk dat de relatie tussen Kabila en

de politieke partij van eiser helemaal niet goed is.

5. Verweerder heeft ter zitting nog het navolgende aangevoerd.

Er is in deze tweede procedure geen sprake van nova nu de door eiser overgelegde stukken zijn ingebracht in de eerste procedure en daarop onherroepelijk is beslist.

Met betrekking tot de in de eerste procedure uitgebrachte individuele ambtsberichten stelt verweerder zich primair op het standpunt dat daarover geen discussie meer gevoerd kan worden nu die procedure is afgerond. Subsidiair stelt

verweerder zich op het standpunt dat die ambtsberichten -hoewel er misschien gebreken zijn in de totstandkomingsprocedure- inhoudelijk juist zijn. De ambtsberichten vormen bovendien niet de dragende factor voor verweerders

beslissing op bezwaar in de eerste procedure nu het relaas van eiser sowieso niet aannemelijk is. Verweerder heeft zich nimmer op het standpunt gesteld dat de situatie in de DRC goed is, ook niet na de machtswisseling. Niet is

evenwel gebleken dat eiser singled out is en om die reden voor vervolging te vrezen heeft.

Desgevraagd heeft verweerder medegedeeld dat hij zich ten aanzien van de vraag of de machtsovername door Kabila op zichzelf als novum dient te worden beschouwd primair op het standpunt stelt dat geen sprake is van een novum omdat er

niets is veranderd. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat als er vanuit gegaan moet worden dat in het besluit in primo eiser niet niet-ontvankelijk verklaard had kunnen worden omdat de machtswisseling als een novum

moet worden beschouwd, dit gebrek geheeld wordt door artikel 8:72, derde lid, van de Awb en de rechtsgevolgen in stand gelaten kunnen worden.

De brieven van Onvlee zijn niet te beschouwen als nova aangezien zij in de eerste procedure aan de orde hadden kunnen komen.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (het Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 15 van de Vw kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die

afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

7. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid

het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen

voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

8. Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in de DRC niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Het beroep op het vluchtelingschap moet mitsdien worden

beoordeeld aan de hand van eiser persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden.

9. In deze zaak staat centraal de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de (tweede) asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 15b, eerste lid en onder b, van de Vw niet-ontvankelijk te verklaren. Bij de

beantwoording van die vraag is met name van belang of er bij eisers tweede aanvraag sprake is van nova.

10. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. Daartoe is het navolgende redengevend.

Verweerder heeft in zijn besluit op bezwaar in eisers eerste procedure overwogen dat eisers relaas ongeloofwaardig is. Dat oordeel heeft verweerder -anders dan hij ter zitting heeft betoogd- in overwegende mate gebaseerd op de

inhoud van twee individuele ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken, uitgebracht op 4 maart 1996 en 14 november 1996. Eiser heeft evenwel twee brieven van Onvlee in het geding gebracht, waarin (een deel van) de inhoud

van het ambtsbericht van 4 maart 1996 gemotiveerd wordt betwist. Onder die omstandigheden kon verweerder niet zonder inhoudelijk op deze brieven en het daarin vervatte standpunt van een als op dit gebied deskundige aan te merken

persoon in te gaan besluiten eisers aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren onder verwijzing naar de onherroepelijk geworden beslissing op bezwaar in eisers eerste procedure. Verweerders betoog dat die brieven reeds in de eerste

procedure aan de orde hadden kunnen komen volgt de rechtbank niet. De brieven van Onvlee zijn immers eerst na de totstandkoming van de beslissing op bezwaar in eisers eerste procedure naar voren gekomen. Om die reden hadden de

brieven van Onvlee, ware het beroep in die procedure ontvankelijk geweest, niet door de rechtbank bij haar oordeel betrokken kunnen worden, gelet op het ex-tunc karakter van de beoordeling in beroep.

11. Verweerders betoog dat de individuele ambtsberichten in deze tweede procedure niet meer ter discussie kunnen staan en -zo begrijpt de rechtbank- de brieven van Onvlee om die reden niet als nova kunnen worden aangemerkt, volgt de

rechtbank evenmin. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 7 juli 1997 van de president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (AWB 96/11245 VRWET). Daarin heeft de president geoordeeld dat het

overleggen van stukken die er kennelijk toe strekken de geloofwaardigheid van het relaas te versterken niet tot een ander oordeel omtrent eisers vluchtelingschap kon leiden nu eisers relaas eerder, zoal geloofwaardig, als

onvoldoende zwaarwegend was aangemerkt. De rechtbank neemt dit oordeel van de president over en komt -a-contrario redenerend- in het onderhavige geval tot het oordeel dat -nu verweerder eisers relaas in de eerste procedure heeft

afgedaan als ongeloofwaardig en dit oordeel in overwegende mate heeft gebaseerd op de inhoud van de twee individuele ambtsberichten- de aantasting van (een deel van) een van die ambtsberichten door iemand die als deskundige op het

desbetreffende onderdeel beschouwd dient te worden tot een ander oordeel omtrent zijn vluchtelingschap moet (kunnen) leiden. Dat laatste brengt met zich dat verweerder gehouden was inhoudelijk op deze brieven in te gaan en aan te

geven waarom deze -naar het oordeel van verweerder- niet tot een ander oordeel omtrent eisers vluchtelingschap kunnen leiden. Nu verweerder dit heeft nagelaten dient derhalve te worden geoordeeld dat sprake is van een

motiveringsgebrek.

12. Verweerder kan evenmin gevolgd worden in zijn betoog dat de machtswisseling in voormalig Zaïre geen rol speelt, dan wel (subsidiair) dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

Eiser heeft gemotiveerd betoogd dat uit het algemeen ambtsbericht van 12 mei 1999 (kenmerk: DPC/AM 640330) van de Minister van Buitenlandse Zaken betreffende de algemene situatie in de DRC kan worden afgeleid dat de positie van

eisers politieke partij -de UDPS- minder rooskleurig is dan door verweerder is gesteld. Het ligt dan ook op de weg van verweerder om bij de totstandkoming van zijn nieuw te nemen besluit tevens in te gaan op dit betoog en daarbij in

te gaan op de consequenties hiervan voor eisers beroep op vluchtelingschap.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Onder de

gegeven omstandigheden is er geen aanleiding de rechtsgevolgen van het thans bestreden besluit in stand te laten.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

15. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1.420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 50,- (zegge: vijftig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2000, door

mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P. Zweedijk, griffier.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 8 december 2000

Conc.:PZ

Coll:

Bp:

D:B