Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9452

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/5683
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voortgezet verblijf na overlijden echtgenote. Uit het huwelijk is een Nederlands kind geboren. In hoofdstuk B1/2.4 Vc-1994 wordt gesproken van schrijnende gevallen, zonder dat daarvan een nadere omschrijving, behoudens enkele aandachtspunten, wordt gegeven. In zijn beoordeling dient verweerder gemotiveerd weer te geven hoe alle door eiser aangevoerde omstandigheden, in combinatie met elkaar, bij de belangenafweging zijn betrokken. Daarbij dienen met name te worden betrokken de schrijnende omstandigheden rondom het verbreken van eisers huwelijk alsmede het gegeven dat eiser de zorg draagt voor zijn kind die in Nederland is geboren en die de Nederlandse nationaliteit heeft. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/5683 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1971, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Op 25 maart 1998 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem

verleende vergunning tot verblijf onder wijziging van de beperking waaronder deze is verleend in "het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst na verbreking huwelijk." Op grond van artikel 4:8, eerste lid, Awb, is eiser in de

gelegenheid gesteld zijn zienswijze omtrent een eventuele intrekking van zijn verblijfsvergunning, naar voren te brengen. Bij brief van 16 september 1998 heeft eiser hierop gereageerd. Bij besluit van 24 september 1998 heeft

verweerder op eisers aanvraag afwijzend beslist en de aan hem verleende vergunning tot verblijf ingetrokken. Eiser heeft tegen dit besluit op 21 oktober 1998 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 6 mei 1999 ongegrond

verklaard.

2. Bij beroepschrift van 1 juni 1999, aangevuld bij brief van 19 juli 1999, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep heeft eiser verzocht het bestreden besluit te vernietigen. De

rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. Op 28 oktober 1999 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 6 maart 2000 heeft

verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.A. de Jonge, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr.

A.P. Stipdonk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

4. Bij beslissing van 31 maart 2000 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het onderzoek heropend. Daarbij heeft de enkelvoudige kamer de verdere behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Bij brief van 30 mei 2000

heeft de rechtbank verweerder vragen voorgelegd. Bij brief van 21 juni 2000 heeft verweerder de gestelde vragen beantwoord.

5. Het onderzoek is voortgezet en het beroep is behandeld ter openbare zitting van de meervoudige kamer op 30 juni 2000. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door mr. de Jonge, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen

door gemachtigde mr. G.M.G. Hink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser verblijft sedert 1 oktober 1991 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 6 mei 1996 is hij gehuwd met C (verder: C), die de

Nederlandse nationaliteit bezat. Met ingang van 1 december 1996 is aan eiser een vergunning tot verblijf verleend onder de beperking "verblijf bij echtgenote", welke vergunning laatstelijk werd verlengd tot 1 december 1998. Uit het

huwelijk van eiser en zijn echtgenote werd op 12 november 1997 een dochter geboren, genaamd D (verder: D), die zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit heeft.

Op 24 februari 1998 is C overleden. Eiser heeft dit overlijden op 25 maart 1998 gemeld bij de korpschef, waarbij hij om wijziging van de beperking van de aan hem verleende vergunning heeft verzocht. Bij brief van 28 augustus 1998

heeft verweerder aan eiser meegedeeld voornemens te zijn de aan hem verleende vergunning in te trekken en hem, op grond van artikel 4:8, eerste lid, Awb, in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken. Bij

brief van 16 september 1998 heeft eiser hierop gereageerd. Bij besluit van 24 september 1998 heeft verweerder vervolgens beslist dat eisers verzoek, dat door verweerder tevens is aangemerkt als een verzoek om verlenging van de

geldigheidsduur van de aan hem verleende vergunning tot verblijf, niet werd ingewilligd en dat de aan hem verleende vergunning tot verblijf werd ingetrokken.

Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij beschikt over een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ter hoogte van f 1.813,07 per maand.

Bij brief van 11 januari 2000 heeft verweerder aan eiser uitstel van vertrek verleend.

3. Eiser is van mening dat hem voortgezet verblijf dient te worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard en internationale verplichtingen. Er is sprake van schrijnende omstandigheden als bedoeld in hoofdstuk

B1/2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994 die maken dat in redelijkheid niet van hem verlangd kan worden dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst. Verweerder heeft zich bij toetsing van de klemmende redenen van

humanitaire aard ten onrechte beperkt tot de persoonlijke omstandigheden van eiser in het geval hij terugkeert naar Marokko. Door zijn lange verblijf in Nederland en door het door hem gevolgde onderwijs is eiser sterk geïntegreerd

in de Nederlandse samenleving. Zijn huwelijk met een Nederlandse is na bijna twee jaar verbroken door het overlijden van C aan kanker. Uit zijn huwelijk is een dochter geboren, D, welke zowel de Nederlandse als de Marokkaanse

nationaliteit heeft. Zij heeft het recht, op grond van artikel 3, eerste lid, van het vierde protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), om te wortelen en op te

groeien in Nederland. D wordt mede verzorgd door eisers schoonmoeder en haar familieleden die allen sedert lange tijd in Nederland woonachtig zijn. Ook zijn schoonzuster is intensief betrokken bij de dagelijkse verzorging van D.

Verder heeft eiser een Nederlandse vriendin die hem ook dagelijks bijstaat bij de verzorging en opvoeding van D. D heeft zich inmiddels gehecht aan degenen die haar dagelijks verzorgen. Eiser beschikt niet over adequate opvang voor

D in Marokko, terwijl het niet mogelijk voor hem is om in Marokko wederom een bestaan op te bouwen zonder dergelijke opvang. Gelet hierop zal eiser, bij een eventuele uitzetting naar Marokko, genoodzaakt zijn D in Nederland achter

te laten. Verweerder heeft in zijn primaire beslissing gesteld dat deze inmenging in de uitoefening van zijn gezinsleven gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn van Nederland. Eiser meent dat verweerder hier niet

mee kan volstaan, nu het in het geval van eiser gaat om voortgezet verblijf en niet om een eerste toelating. In zijn belangenafweging is verweerder met name voorbij gegaan aan het feit dat sprake is van een intensieve omgang tussen

D en meerdere in Nederland verblijvende familie- en gezinsleden en aan het feit dat eiser over bestaansmiddelen beschikt voor hemzelf en zijn dochter.

Ten slotte heeft eiser gesteld dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden in zijn geval, verweerder hem had moeten horen alvorens tot een besluit te komen, waarbij eiser heeft verwezen naar een uitspraak van de Rechtseenheidskamer

(REK) van deze rechtbank van 19 februari 1998 (JV 1998, 46).

Ter zitting van 17 maart 2000 heeft eiser verwezen naar een antwoord van verweerder op kamervragen gesteld op 12 oktober 1999 (Handelingen TK 1999-2000, aanhangsel 101) inzake de zogenoemde Poolse weduwen, waarin verweerder toezegt

om het geldende beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking huwelijk of relatie door overlijden nader te zullen bestuderen en de resultaten daarvan te zullen meenemen in een reeds aan de Tweede Kamer toegezegde notitie.

Verweerder zegt in die notitie tevens toe in voorkomende gevallen uitstel van vertrek te zullen verlenen. In het geval van eiser is dit inderdaad bij brief van 11 januari 2000 geschied, waarmee verweerder naar de mening van eiser

duidelijk heeft gemaakt niet langer achter het bestreden besluit te staan.

Eiser heeft ter zitting van 30 juni 2000 gesteld dat verweerder op zijn besluit dient terug te komen. Verder heeft eiser gesteld dat in zijn belangenafweging verweerder niet alleen aandacht dient te besteden aan de concrete belangen

van het kind, maar ook inzicht dient te geven welke concrete belangen van de staat in het geding zijn.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen aanspraak kan maken op het beleid inzake voortgezet verblijf na verbreking huwelijk, omdat hij niet voldoet aan de eis dat het huwelijk minstens drie jaar moet hebben bestaan.

Verblijf zou uitsluitend kunnen worden toegestaan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Hiertoe overweegt verweerder dat bij toelating op die grond de klemmende redenen primair in de persoonlijke omstandigheden van

betrokkene in het land van herkomst gelegen moeten zijn. Eiser heeft op volwassen leeftijd zijn land van herkomst verlaten. De banden die hij met Nederland heeft opgebouwd zijn voor de grootste deel opgebouwd tijdens illegaal

verblijf en vormen derhalve geen aanleiding om voortgezet verblijf toe te staan. Hetzelfde geldt voor het feit dat eiser niet ten laste komt van de openbare kas. De uitkering van eiser is transferabel. Gelet op de leeftijd van eiser

kan hij in staat worden geacht zichzelf, al dan niet samen met zijn dochter, zelfstandig te handhaven in zijn land van herkomst. Niet is gebleken dat eiser, in het geval hij zijn dochter meeneemt, geen enkel beroep zou kunnen doen

op familie of daar te lande aanwezige hulpverleners bij haar verzorging.

Verder stelt verweerder dat er sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en D als bedoeld in artikel 8 EVRM, maar dat afweging van de belangen van eiser en van de staat in dit geval niet in het voordeel van eiser uitvalt.

Weliswaar bezit D de Nederlandse nationaliteit, doch, gelet op haar zeer jeugdige leeftijd, is er geen sprake van worteling in de Nederlandse samenleving en kan van haar gevergd worden eiser te volgen. Bovendien bezit zij naast de

Nederlandse ook de Marokkaanse nationaliteit. Niet is gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Eiser is niet gehoord omdat daartoe, gelet op artikel 32, tweede lid, Vw, geen verplichting

bestond en dit evenmin door de zorgvuldigheid werd gevorderd.

5. Ter voorbereiding van de zitting van 30 juni 2000 heeft de rechtbank aan verweerder enkele vragen gesteld met betrekking tot de bij brief van 25 april 2000 van verweerder aan de Tweede Kamer aangeboden "Notitie over de

vreemdelingenrechtelijke rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid" (verder te noemen: vrouwennotitie), alsmede over de wijze waarop in het onderhavige geval de belangenafweging heeft plaatsgevonden in het kader van

artikel 8 EVRM. Voornoemde notitie, alsmede het antwoord van verweerder, van 21 juni 2000, op de door de rechtbank gestelde vragen, zijn ter zitting nader besproken.

Met betrekking tot de vrouwennotitie heeft verweerder gesteld dat er nog geen duidelijkheid is over de vraag in hoeverre de voorgenomen beleidswijzigingen met terugwerkende kracht zullen worden ingevoerd. Desgevraagd heeft

verweerder bevestigd dat het feit dat een huwelijk of relatie door overlijden is ontbonden ook thans als een schrijnende omstandigheid wordt beschouwd. Het verschil tussen het huidige beleid en de voorgenomen beleidswijziging is dat

het overlijden van de echtgenoot of partner thans niet op zichzelf als voldoende reden voor toestemming in voortgezet verblijf wordt beschouwd, maar alleen in combinatie met andere omstandigheden. In het geval van eiser hebben met

name zijn jonge leeftijd, zijn sterke banden met Marokko en de korte duur van zijn legaal verblijf in Nederland de doorslag gegeven.

Waar het de relatie tussen een minderjarig kind en overige familieleden betreft is het vast beleid van verweerder om alleen dan uit te gaan van familie- of gezinsleden in de zin van artikel 8 EVRM indien er sprake is van meer dan

emotionele banden. Verweerder persisteert in zijn standpunt dat er geen sprake is van een dergelijk familie- of gezinsleven tussen D en haar in Nederland verblijvende familieleden. Ook als wel moet worden uitgegaan van familie- of

gezinsleven, dan nog is inmenging gerechtvaardigd.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder d, van de Vw kan een vergunning tot verblijf worden ingetrokken ingevolge een beperking waaronder de vergunning is verleend.

7. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc 1994.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser, als gevolg van het overlijden van zijn echtgenote, niet meer voldoet aan de beperking waaronder aan hem een vergunning tot verblijf werd verleend. Verweerder

had derhalve in beginsel de bevoegdheid om de aan eiser verleende vergunning tot verblijf in te trekken.

In dit geding staat de vraag centraal of verweerder aan eiser voortgezet verblijf diende toe te staan, onder wijziging van de beperking waaronder de vergunning was verleend. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, had

verweerder geen gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid om de vergunning tot verblijf in te trekken.

9. Het huwelijk van eiser, op grond waarvan hem verblijf was toegestaan, heeft korter dan drie jaar geduurd. In dat geval komt eiser, volgens hoofdstuk B1/2.2 Vc 1994, in beginsel niet in aanmerking voor voortgezet verblijf, tenzij

er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard of internationale verplichtingen. Volgens hoofdstuk B1/2.4 Vc 1994 komen schrijnende gevallen direct na de verbreking van het huwelijk in aanmerking voor zelfstandig voortgezet

verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard. Tevens worden in dat hoofdstuk enkele aandachtspunten genoemd voor de beoordeling van situaties welke mogelijk als schrijnend kunnen worden aangemerkt. Onder andere dient daarbij

te worden meegewogen de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die hier te lande zijn geboren en/of getogen. Het enkele feit dat een vreemdeling de zorg heeft over minderjarige kinderen leidt echter niet per definitie tot

verblijfsaanvaarding.

10. De rechtbank zal allereerst beoordelen of er in het onderhavige geval sprake is van een zodanige schrijnende situatie als bedoeld in hoofdstuk B1/2.4 Vc 1994 dat deze voor verweerder aanleiding had moeten zijn om tot

verblijfsaanvaarding over te gaan.

11. Door eiser is een beroep gedaan op de vrouwennotitie van 25 april 2000 van verweerder, waarbij verweerder nieuw beleid in het vooruitzicht heeft gesteld. In dat beleid zal in alle gevallen waarin het huwelijk wordt verbroken

door het overlijden van één van de echtgenoten voortgezet verblijf worden toegestaan.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het feit dat voornoemde notitie is verschenen (ruim) na het bestreden besluit, deze van geen betekenis kan zijn bij het beoordelen van het bestreden besluit.

12. Ter zitting van 30 juni 2000 heeft verweerder aangegeven dat ook thans het verbreken van een huwelijk of relatie door overlijden een bijzondere en onbeïnvloedbare omstandigheid vormt van schrijnende aard, die wordt meegewogen in

de beoordeling van klemmende redenen van humanitaire die tot verblijf kunnen nopen. In de toekomst zal deze schrijnende situatie op zichzelf voldoende reden zijn om in te stemmen met voortgezet verblijf. Zo lang het beleid op dit

punt nog niet is gewijzigd, wordt een vergunning tot verblijf verleend als deze situatie in combinatie met andere factoren daartoe noopt.

13. In het bestreden besluit heeft verweerder slechts de persoonlijke omstandigheden van eiser in zijn land van herkomst betrokken bij de beoordeling van de door eiser aangevoerde klemmende redenen van humanitaire aard. De rechtbank

is van oordeel dat verweerder daarmee niet heeft kunnen volstaan. In de desbetreffende passage in de Vc 1994 wordt gesproken van schrijnende gevallen, zonder dat daarvan een nadere omschrijving, behoudens enkele aandachtspunten,

wordt gegeven. In zijn beoordeling dient verweerder gemotiveerd weer te geven hoe alle door eiser aangevoerde omstandigheden, in combinatie met elkaar, bij de belangenafweging zijn betrokken. Daarbij dienen met name te worden

betrokken de schrijnende omstandigheden rondom het verbreken van eisers huwelijk alsmede het gegeven dat eiser, gezamenlijk met anderen hier te lande, de zorg draagt voor D, die in Nederland is geboren en die de Nederlandse

nationaliteit heeft. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, dat eist dat de beslissing op het bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke

motivering.

14. Het vorenstaande leidt de rechtbank bovendien tot het oordeel dat in dit geval niet van het horen kan worden afgezien, nu verweerder zijn besluit niet alleen kan baseren op toepassing van geschreven regels, maar tevens een

afweging dient te maken van belangen waarin persoonlijke omstandigheden van de betrokkenen ten tijde van het besluit op bezwaar een rol spelen. In dergelijke gevallen zal verweerder zich op zorgvuldige wijze dienen te vergewissen

van die persoonlijke omstandigheden ten tijde van de beslissing op bezwaar, en zal daarom in de regel niet van het horen kunnen worden afgezien. Dit brengt mee dat verweerder zich bij het bestreden besluit ten onrechte met een

beroep op artikel 32, tweede lid Vw op het standpunt heeft gesteld dat van het horen van eiser naar aanleiding van zijn bezwaar kan worden afgezien.

15. Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, terwijl daarnaast de hoorplicht is geschonden. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven en zal worden

vernietigd.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn begroot op ƒ 2130,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

17. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,- .

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 2130,- (zegge eenentwintighonderd en dertig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffie.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2000, door

mr. J.P. Smit, voorzitter, mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter, en mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van Walsum, griffier.

Afschrift verzonden op: 11 december 2000

Conc: SvW

Coll:

Bp:-

D: B