Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9443

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2000
Datum publicatie
29-08-2002
Zaaknummer
AWB 99/7394, 99/4363
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Somalië / artikel 8 EVRM / mvv-vereiste. Het samenstel van belemmeringen met betrekking tot de terugkeer van eiser naar Somalië of een van de buurlanden is van dien aard dat niet valt te voorzien dat de afhandeling van de mvv-aanvraag slechts korte tijd in beslag zal nemen. Het is immers te verwachten dat eiser, doordat hij niet in het bezit is van een geldig paspoort en een dergelijk paspoort van de Somalische autoriteiten niet kan krijgen, bij terugkeer naar Somalië en het indienen van de aanvraag in een buurland grote belemmeringen zal ondervinden. Het lijkt er dan ook op dat zijn pogingen om in het bezit te raken van een mvv en vervolgens (legaal) naar Nederland terug te keren geruime tijd zullen vergen, zo het effectief doen behandelen van een mvv-aanvraag al niet geheel onmogelijk zal blijken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder er niet van kan uitgaan dat de scheiding tussen eiser en zijn gezin slechts van korte duur zal zijn. De rechtbank acht het daarbij een miskenning van de werkelijkheid om de onmogelijkheid om in het bezit te komen van reisdocumenten in Somalische zaken volledig in de risicosfeer van de vreemdeling te leggen. Dat geldt temeer in een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene zonder te beschikken over een (geldig, eigen) paspoort Somalië heeft verlaten in een periode waarin Nederland ten aanzien van dat land nog een vvtv-beleid voerde.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/51

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 99/7394 VRWET H (beroepszaak)

AWB 99/4363 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Somalische nationaliteit,

eiser/verzoeker, verder te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. P.M. Berkhof-Sprey, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. C.R.M. Jansen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het beroep tegen het besluit van verweerder van 5 augustus 1999, waarbij de niet-inwilliging van de aanvraag om eiser een vergunning tot verblijf te verlenen buiten behandeling is gesteld.

1.2 Tevens is aan de orde het verzoekschrift van eiser om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2000. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan -onder meer- indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op

verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw blijft uitzetting achterwege, indien het bezwaar tegen de niet inwilliging van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft. Voorts dient uitzetting achterwege te

blijven ingeval deze anderszins in strijd is met het recht.

2.3 Ingevolge 16a, lid 1, Vw wordt een aanvraag om toelating, behoudens de uitzonderingen genoemd in de leden 2, 3, 4 en 6 van genoemd artikel, alsmede de uitzonderingen genoemd in artikel 52a Vb, slechts in behandeling genomen,

indien de vreemdeling beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem is verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van

zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf.

2.4 In artikel 4:5 Awb is bepaald dat, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet

te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2.5 In de onderhavige procedure heeft het volgende zich afgespeeld.

2.6 Eiser is op 21 mei 1995 Nederland ingereisd. Op 22 mei 1995 heeft hij verzocht om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij onherroepelijke

uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 26 november 1998, met kenmerk AWB 96/6978 VRWET Z VR, is beslist tot niet inwilliging van voornoemde aanvragen.

2.7 Op 17 mei 1999 heeft eiser bij de Korpschef een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: " verblijf bij Somalische echtgenote B dan wel het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst",

ingediend. Op diezelfde dag heeft eiser het zogenaamde D-50 formulier ondertekend en te kennen gegeven dat hij niet in het bezit is van een geldige mvv en hij zich evenmin beroept op een van de vrijstellingsgronden. Ook diezelfde

dag heeft de Korpschef eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 31 mei 1999 de aanvraag om toelating aan te vullen.

2.8 Bij beschikking van 31 mei 1999 is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Deze beschikking is op diezelfde dag aan eiser uitgereikt. Daarbij is kenbaar gemaakt dat eiser de behandeling van een eventueel in te dienen

bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

2.9 Bij brief van 31 mei 1999 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de buiten behandeling stelling van de aanvraag. Op diezelfde dag is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij brief van 22 juni 1999

(welke zich niet bij de stukken bevind) en 5 augustus 1999 heeft eiser het bezwaarschrift nader gemotiveerd. Op 2 juli 1999 is het verzoekschrift van nadere gronden voorzien.

2.10 Bij beschikking van 5 augustus 1999 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Deze beschikking is diezelfde dag aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2.11 Bij brief van 5 augustus 1999 heeft eiser een aanvulling gegeven op het bezwaarschrift alsmede op het verzoekschrift.

2.12 Bij brief van 30 augustus 1999 heeft eiser beroep tegen de ongegrond verklaring van het bezwaar ingediend. Diezelfde dag is het petitum van het verzoekschrift gewijzigd in die zin dat thans verzocht wordt de uitzetting van

eiser te verbieden tot dat op het beroepschrift is beslist.

2.13 Bij brief van 5 oktober 2000 heeft eiser ter aanvulling van het beroepschrift de navolgende stukken overgelegd:

- een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 26 maart 1998 inzake het verkrijgen van documenten uit Somalië;

- een brief van de Staatsecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer inzake legalisatie en verificatie van buitenlandse documenten;

- een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 16 februari 1999 inzake het verstrekken van vreemdelingenpaspoorten aan onder meer Somaliërs;

- een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 19 september 1999 inzake de mogelijkheid van het verkrijgen van (reis)documenten voor Somaliërs;

- een naturalisatie beschikking van zijn echtgenote en hun drie minderjarige kinderen van 17 augustus 2000;

- een uitspraak van de president van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 11 augustus 2000, met kenmerk AWB 00/5210 VRWET H.

2.14 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift, en ter zitting zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

2.15 In de onderhavige procedure dient beoordeeld te worden of de aanvraag om toelating op rechtens juiste gronden buiten behandeling is gesteld.

2.16 Eiser heeft zich onder meer aangevoerd dat hij voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt omdat het op grond van individuele omstandigheden van bijzondere hardheid zou getuigen het mvv-vereiste te stellen.

Vanwege het ontbreken van een Nederlandse vertegenwoordiging in Somalië kan hij niet aan het mvv-vereiste voldoen. Bovendien heeft hij in Nederland een asielprocedure doorlopen. Gedurende die procedure heeft hij zijn echtgenote

leren kennen. In 1996 zijn zij in het huwelijk getreden. Staande dit huwelijk zijn drie kinderen geboren. Zijn echtgenote is op 2 september 1998 in het bezit gesteld van een vtv-relevant tijdsverloop. Op 17 augustus 2000 zijn eisers

echtgenote en kinderen tot Nederlander genaturaliseerd. Eiser acht buitenbehandelingstelling onder de geschetste omstandigheden in strijd met art. 8 EVRM.

2.17 Verweerder meent dat de integrale heroverweging van een bezwaarschrift gericht tegen buiten behandeling stelling van de aanvraag niet verder strekt dan de vraag of de aanvraag op juiste gronden buiten behandeling is gesteld. Nu

eiser ten tijde van het indienen van de aanvraag zich niet heeft beroepen op een van de vrijstellingsgronden van artikel 16a Vw dan wel 15a Vb, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld door middel van het D50-formulier

is het bezwaar reeds daarom ongegrond.

Voorts meent verweerder dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan eiser ambtshalve had dienen te worden gewezen op een vrijstellingsgrond die van

toepassing zou zijn. Immers, niet gebleken is dat eiser op grond van zijn huwelijk met zijn echtgenote, houdster van een vtv, in aanmerking komt voor vrijstelling. Dat eiser stelt dat er individuele omstandigheden zijn die een

onevenredige hardheid opleveren omdat hij als vluchteling naar Nederland is gekomen, kan niet worden meegenomen omdat dit eerst in bezwaar is aangevoerd.

Tevens meent verweerder dat het ook in het kader van artikel 8 EVRM niet onredelijk is het mvv-vereiste te stellen.

Tenslotte is verweerder van oordeel dat terecht van het horen van eiser is afgezien.

2.18 De rechtbank deelt niet de visie dat de feitelijke argumenten op grond waarvan op vrijstelling van het mvv-vereiste aanspraak wordt gemaakt in casu niet in bezwaar konden worden aangevoerd/aangevuld,

reeds niet omdat in de procedure in eerste aanleg wat het onderzoek betreft wordt volstaan met het doen invullen van een kruisjesformulier door een ambtenaar van de Vreemdelingendienst. Die procedure is dus niet zodanig is ingericht

dat de plicht van verweerder om zelfstandig te onderzoeken of er gronden zijn waarop de betrokkene voor vrijstelling in aanmerking komt daarin gestalte kan krijgen.

2.19 De rechtbank ziet aanleiding om allereerst te beoordelen of het in artikel 8 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM) vastgelegde recht op eerbiediging van het gezinsleven met zich

meebrengt dat eiser voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt.

2.20 Niet ter discussie staat dat tussen eiser, zijn echtgenote en kinderen sprake is van "family life". Gelet op het feit dat aan eiser nimmer verblijf in Nederland is toegestaan is in dit geval geen sprake van inmenging in het

familie- of gezinsleven als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Of in dit geval uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven niettemin voor verweerder een verplichting voortvloeit om eiser verblijf in

Nederland toe te staan moet worden vastgesteld aan de hand van een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel. Verweerder beroept zich in dit verband op de noodzaak van een

restrictief toelatingsbeleid.

2.21 Bij de afweging van de belangen in de onderhavige zaak moeten de volgende omstandigheden in aanmerking genomen worden. In de bestreden beschikking heeft verweerder overwogen dat handhaving van het mvv-vereiste niet

noodzakelijkerwijze inhoudt dat aan het gezinsleven niet te eniger tijd hier te lande inhoud kan worden gegeven. Verweerder heeft aangevoerd dat in casu geen sprake is van strijdigheid met artikel 8 EVRM, omdat eiser slechts

gedurende een korte periode gescheiden van zijn vrouw en kinderen zal moeten leven om in het land van herkomst een mvv aan te vragen.

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat het feit dat in Somalië geen diplomatieke vertegenwoordiging aanwezig is niet noopt tot vrijstelling van het mvv-vereiste. Op grond van de uitleg die aan artikel 16a Vw dient te

worden gegeven is eiser in dat geval gehouden bij de meest nabijgelegen diplomatieke vertegenwoordiging buiten Somalië een aanvraag in te dienen. Dat eiser niet in het bezit is van een geldig paspoort dient voor zijn risico te

komen. Bovendien is het mogelijk om met behulp van het IOM zonder paspoort naar Somalië terug te keren en van daaruit naar een van de buurlanden te reizen om een mvv aan te vragen. In zijn algemeenheid, zo stelt verweerder, duurt

het drie tot zes maanden voordat tot afgifte van een mvv wordt overgegaan. Dat eiser geen paspoort heeft zal hem aldaar niet worden tegengeworpen. Het is immers mogelijk om op een andere wijze zijn identiteit aan te tonen.

2.22 De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat het samenstel van belemmeringen met betrekking tot de terugkeer van eiser naar Somalië of een van de buurlanden van dien aard is dat niet valt te voorzien dat de

afhandeling van de mvv-aanvraag slechts korte tijd in beslag zal nemen.

Het is immers te verwachten dat eiser, doordat hij niet in het bezit is van een geldig paspoort en een dergelijk paspoort van de Somalische autoriteiten niet kan krijgen, bij terugkeer naar Somalië en het indienen van de aanvraag in

een buurland grote belemmeringen zal ondervinden. Het lijkt er dan ook op dat zijn pogingen om in het bezit te raken van een mvv en vervolgens (legaal) naar Nederland terug te keren geruime tijd zullen vergen, zo het effectief doen

behandelen van een mvv-aanvraag al niet geheel onmogelijk zal blijken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder er niet van kan uitgaan dat de scheiding tussen eiser en zijn gezin slechts van korte duur zal zijn. De

rechtbank acht het daarbij een miskenning van de werkelijkheid om de onmogelijkheid om in het bezit te komen van reisdocumenten in Somalische zaken volledig in de risico-sfeer van de vreemdeling te leggen. Dat geldt temeer in een

geval als het onderhavige, waarin de betrokkene zonder te beschikken over een (geldig, eigen) paspoort Somalië heeft verlaten in een periode waarin Nederland ten aanzien van dat land nog een vvtv-beleid voerde.

In de geschetste constellatie noopt art. 8 EVRM verweerder ertoe aan de belangen van eiser, zijn echtgenote en kinderen om het gezinsleven hier in Nederland uit te oefenen in ieder geval in zoverre een groter gewicht worden

toegekend dan aan het belang van verweerder bij een restrictief toelatingsbeleid dat inhoudelijk wordt getoetst of eiser aanspraak op toelating heeft.

2.23 Het beroep is mitsdien gegrond. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep behoeven de overige grieven van eiser geen beantwoording meer.

2.24 De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een daartoe te stellen termijn.

2.25 Gegeven de beschikking in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.26 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten

bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 2.130,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting,

wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal ƒ 225,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden beschikking;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen veertien weken na datum van verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaarschrift van eiser van 31 mei 1999 dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 2.130,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad twee maal ƒ 225,--.

De president:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Schotman, lid van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, in aanwezigheid van de leden mr. F.M.D. Aardema en mr. H.J.H. van Meegen, leden van deze kamer, en

uitgesproken in het openbaar op 18 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Meesters als griffier.

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.