Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9332

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10648
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vtv partner / middelenvereiste / positieve verplichting / motiveringsgebrek.

De rechtbank begrijpt uit het bestreden besluit dat verweerder van mening is dat er een positieve verplichting op hem zou rusten om eiseres - van Belgische nationaliteit - in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf indien uitgesloten zou zijn dat referent binnen een redelijke termijn aan het middelenvereiste kan gaan voldoen en/of indien zou zijn uitgesloten dat hij binnen een redelijke termijn over een gelegaliseerde geboorteakte kan beschikken, zodat hij met eiseres in het huwelijk kan treden. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat referent binnen een redelijke termijn aan het middelenvereiste kan gaan voldoen, noch dat hij binnen een redelijke termijn over een gelegaliseerde geboorteakte kan beschikken. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke motivering hieromtrent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 99/10648 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiseres,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, geboren op [...] 1964, bezit de Belgische nationaliteit. Eiseres verblijft sedert 28 januari 1998 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 9 april 1998 heeft eiseres bij de korpschef van de regiopolitie

Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf met als doel: ”verblijf bij de vader van mijn drie Nederlandse kinderen”. Bij besluit van 30 oktober 1998 heeft verweerder op deze aanvraag afwijzend

beslist. Eiseres heeft tegen dit besluit op 24 november 1998 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 24 augustus 1999 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 20 september 1999, aangevuld bij brieven van 16 november 1999 en 10 februari 2000, heeft eiseres tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het

beroep versneld te zullen behandelen. Op 3 februari 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Bij uitspraak van 29 februari 2000 heeft de president van deze rechtbank en zittingsplaats

het verzoek om een voorlopige voorziening van 27 april 1999 (AWB 99/4334 VRWET), gericht tegen de beslissing van verweerder uitzetting hangende de beroepsfase niet achterwege te laten, toegewezen. In het verweerschrift van

5 oktober 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2000. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door mr. F.H. Koers, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F. Heus, advocaat te

's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Eiseres beoogd verblijf bij haar Nederlandse partner C (verder: C), die op [...] 1947 is geboren in Colombia. C ontvangt sedert 1991 een RWW-uitkering, welke op 1 januari 1995 is omgezet in een uitkering krachtens de Algemene

Bijstandswet (Abw). C is sedert 12 februari 1996 vrijgesteld van de arbeidsverplichting op grond van zijn persoonlijke omstandigheden. Eiseres en C hebben drie kinderen, welke in het bezit zijn van de Nederlandse en de Belgische

nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [...] 1994, [...] 1995 en [...] 1997.

3. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet voor toelating in aanmerking komt op grond van het EEG-recht. Voorts komt eiseres geen verblijfsrecht toe op grond van hoofdstuk B4/6 van de

Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994, omdat C niet beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw. Een vrijstelling van het middelenvereiste is in casu niet aan de orde daar een dergelijke vrijstelling slechts van

toepassing is op gehuwden. De enkele omstandigheid dat eiseres voornemens is met haar partner te huwen, kan er niet toe leiden dat aan haar een vergunning tot verblijf wordt verleend omdat het hier een onzekere toekomstige

gebeurtenis betreft waarmee thans geen rekening kan worden gehouden. Er bestaat voorts geen aanleiding om eiseres in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Evenmin

is er in dit geval sprake van bijzondere omstandigheden welke verweerder nopen tot toelating van eiseres. De omstandigheid dat C over een recente gelegaliseerde Colombiaanse geboorteakte dient te beschikken om met eiseres in het

huwelijk te kunnen treden, veranderd het bovenstaande niet. Immers, niet is aangetoond dan wel gebleken, dat het onmogelijk is een dergelijke akte te verkrijgen en vervolgens in het huwelijk te treden. De omstandigheid dat eiseres

en C niet beschikken over de financiële middelen om naar Colombia te gaan om de legalisatie persoonlijk te regelen, leidt niet tot een andere conclusie. De weigering eiseres verblijf hier te lande toe te staan, levert geen schending

op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De omstandigheid dat eiseres en haar gezin zich niet in België zouden kunnen vestigen, daar in België

tenminste dezelfde belemmeringen voor uitoefening van het gezinsleven gelden als in Nederland, kan niet worden aangemerkt als een objectieve belemmering die zich tegen de uitoefening van het gezinsleven buiten Nederland verzet.

Indien echter zou worden aangenomen dat er sprake is van een objectieve belemmering, wordt overwogen dat dit in het onderhavige geval geen positieve verplichting inhoudt om eiseres verblijf hier te lande toe te staan. Afweging van

de betrokken belangen in dit geval leidt tot het oordeel dat in redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht kan worden toegekend, daar C een uitkering ten laste van de openbare kas ontvangt. Niet is gebleken dat het

gezinsleven niet buiten Nederland kan worden uitgeoefend en voorts kan de uitoefening van het gezinsleven –zij het in enigszins gewijzigde vorm- eveneens worden gecontinueerd terwijl eiseres in België verblijft en haar gezin in

Nederland. Om de uitoefening van het gezinsleven in Nederland niet blijvend onmogelijk te maken, is bij de belangenafweging onder meer betrokken of binnen een redelijke termijn veranderingen kunnen optreden in de persoonlijke

situatie van eiseres en C. Immers, niet kan worden uitgesloten dat C binnen een redelijke termijn aan het middelenvereiste kan gaan voldoen. Evenmin is uitgesloten dat hij binnen een redelijke termijn over een gelegaliseerde

geboorteakte kan beschikken, zodat hij met eiseres in het huwelijk kan treden.

4. Eiseres heeft in bezwaar naar voren gebracht dat zij en C reeds geruime tijd voornemens zijn om in het huwelijk te treden doch dat zij tot heden in de uitvoering daarvan belemmerd zijn door het feit dat de burgerlijke stand de

huwelijkssluiting weigert zolang C niet over een recente, gelegaliseerde geboorteakte beschikt, zulks hoewel hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. C beschikt niet over de contacten in Colombia om dit te

bewerkstellingen en de Colombiaanse consulaat wil hem niet assisteren. Voorts beschikken eiseres en C niet over de financiële middelen om de legalisatie van de geboorteakte persoonlijk in Colombia te regelen. Eiseres is van mening

dat verweerder, gezien deze omstandigheden, C dient vrij te stellen van het middelenvereiste. De weigering eiseres verblijf hier te lande toe te staan levert een schending op van artikel 8 EVRM. Verweerder dient in de

belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM de belangen van de drie kinderen van eiseres te betrekken, welke in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit. Het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan is geen

aanvaardbare grond om de kinderen het samenleven met hun moeder te onthouden. Het gezin heeft niet de mogelijkheid om zich in België te vestigen aangezien aldaar tenminste dezelfde belemmeringen voor uitoefening van het gezinsleven

gelden als in Nederland.

Eiseres heeft in beroep naar voren gebracht dat verweerder ten onrecht niet is ingegaan op de stelling dat eiseres niet alleen een beroep doet op de gezinsband met C maar ook met haar kinderen. Ten onrechte heeft verweerder in de

belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM belang gehecht aan het feit dat C een uitkering ten laste van de openbare kas ontvangt. Hij ontvangt immers een uitkering ongeacht eiseres wel of niet bij hem verblijft. Het betrokken

belang van verweerder is feitelijk niet groter dan het verschil tussen de hoogte van een uitkering voor een alleenstaande ouder en de hoogte van een uitkering voor (echt-)paren. Verweerder heeft evenmin rekenschap gegeven van de

betrekkelijkheid van voornoemd financieel belang. Die betrekkelijkheid vloeit voort uit het gegeven dat slechts de formaliteit van een huwelijk naar geldend beleid voldoende zou zijn om ontheffing van het inkomensvereiste te

verlenen. Voorts heeft verweerder ten onrechte overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat C binnen een redelijke termijn aan het middelenvereiste kan gaan voldoen. C heeft van 1991 tot 1994 een RWW-uitkering ontvangen, welke

uitkering per 1 januari 1995 is omgezet in een uitkering krachtens de Abw. C is ontheven van de arbeidsverplichting waardoor het niet aannemelijk is dat hij binnen afzienbare tijd aan het middelenvereiste zal kunnen voldoen.

Tenslotte ontbeert het standpunt van verweerder dat van een werkelijke of volledige belemmering van het familie- en gezinsleven geen sprake is, doordat het familie- en gezinsleven in enigszins gewijzigde vorm kan worden uitgeoefend,

realiteitszin. Bij uitoefening van normaal gezinsleven is immers uitgangspunt dat beide ouders met hun kinderen in één woning bij elkaar wonen.

Eiseres heeft in beroep een (ongedateerde) brief van de huisarts, J.C.A. Groen, van C overgelegd waarin hij schrijft dat C met het oog op zijn psychische toestand niet in staat is om permanent voor de kinderen te zorgen en dit

tevens onverantwoord is te achten.

5. Verweerder heeft in het verweerschrift naar voren gebracht dat het belang bij het handhaven van het middelenvereiste niet beperkt en betrekkelijk is. Dat het huwelijk naar geldend beleid voldoende zou zijn om ontheffing van het

inkomensvereiste te verlenen, is juist. Dit onderscheid berust op zakelijke gronden, aangezien door het huwelijk wettelijke onderhoudsverplichtingen in het leven worden geroepen en dit bij niet-huwelijkse samenlevingsvormen niet het

geval is. Voorzover eiseres met haar stelling in beroep –dat zij verblijf bij haar Nederlandse kinderen beoogt- bedoeld dat zij haar verblijfsdoel heeft gewijzigd, is van belang dat de wijziging van het verblijfsdoel eerst in beroep

naar voren is gebracht en dat deze stelling gezien de ex tunc-toetsing in beroep niet bij de beoordeling van het bestreden besluit kan worden betrokken. Geheel ten overvloede merkt verweerder op dat ook indien verblijf bij kinderen

wordt beoogd het middelenvereiste geldt. Ten aanzien van het gezinsleven tussen eiseres en haar kinderen van Nederlandse/Belgische nationaliteit, merkt verweerder nog het volgende op. De enkele omstandigheid dat de kinderen van

eiseres tevens de Nederlandse nationaliteit bezitten brengt niet met zich dat aan eiseres deswege verblijf in Nederland moet worden toegestaan. Bovendien betekent de weigering eiseres verblijf hier te lande toe te staan niet dat ook

haar kinderen gedwongen zullen zijn naar België te vertrekken. Tevens is van belang dat eiseres voorafgaand aan haar komst naar Nederland in januari 1998 met haar kinderen in België heeft verbleven, terwijl haar partner in Nederland

verbleef. Dat eiseres eerder op deze wijze invulling heeft gegeven aan het gezinsleven wijst er niet op dat haar belangen zich verzetten tegen een dergelijk verblijf in België totdat zij of C aan de middeleneis zal kunnen voldoen.

Dat van eiseres niet gevergd kan worden –eventueel tijdelijk- naar België terug te keren, is niet aannemelijk geworden. Gezien de ex tunc-toetsing in beroep kan aan de overgelegde brief van de huisarts van C geen betekenis toekomen.

6. Ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM de mogelijkheid om het gezinsleven in België uit te oefenen niet als argument kan worden gehanteerd. Verweerder brengt

voorts eerst in het verweerschrift het argument naar voren dat ook niet is uitgesloten dat eiseres binnen afzienbare tijd werk zal vinden. C is niet in staat om de kinderen zonder hulp te verzorgen.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat reeds in het bestreden besluit staat aangegeven dat eiseres in aanmerking kan komen voor verblijf hier te lande op grond van het EG-recht indien zij beschikt over werk.

De rechtbank overweegt het volgende.

7. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

8. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vc.

9. Eén van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van het door verweerder gevoerde beleid inzake de toelating van partners, is dat degene bij wie verblijf wordt beoogd duurzaam en

zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw. Een uitkering waarvoor geen premie wordt afgedragen, zoals de Abw, wordt niet aangemerkt als voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw. Dit

beleid is neergelegd in hoofdstuk B1/3.2.3. van de Vc.

10. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat C niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van de Vw.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het middelenvereiste op goede gronden aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen. Op grond van het toepasselijke partnerbeleid geldt er geen vrijstelling van het middelenvereiste voor

bepaalde categorieën personen. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.

12. Niet is gebleken dat eiseres aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

13. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard die tot toelating van eiseres nopen.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht welke tot de conclusie leiden dat verweerder in dit geval ten gunste van eiseres

van het toepasselijke beleid diende af te wijken.

15. Vaststaat dat in dit geding sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Met betrekking tot het beroep op dit artikel wordt het volgende overwogen.

16. In artikel 8, eerste lid, EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life"). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de

uitoefening van dit recht toegestaan, dan voorzover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land,

het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

17. Op grond van vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geldt daarbij als uitgangspunt dat artikel 8 EVRM geen algemene verplichting met zich brengt gezinshereniging of gezinsvorming mogelijk te maken

door immigratie toe te staan. Teneinde de omvang van de uit deze verdragsbepaling voortvloeiende verplichting van verweerder te bepalen en de door verweerder gemaakte belangenafweging te beoordelen, worden, zowel indien sprake is

van een inmenging in het familie- en gezinsleven als indien de vraag rijst of er een positieve verplichting tot toelating op verweerder rust, de feiten en omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw genomen en dient een

redelijke afweging van wederzijdse belangen plaats te vinden.

18. De rechtbank begrijpt uit het bestreden besluit dat verweerder van mening is dat er een positieve verplichting op hem zou rusten om eiseres in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf indien uitgesloten zou zijn dat

C binnen een redelijke termijn aan het middelenvereiste kan gaan voldoen en/of indien zou zijn uitgesloten dat hij binnen een redelijke termijn over een gelegaliseerde geboorteakte kan beschikken, zodat hij met eiseres in het

huwelijk kan treden.

19. De rechtbank is de opvatting toegedaan dat aan de duur van deze (redelijke) termijn geen stringente eisen moeten worden gesteld. Voor een soepele benadering spreekt dat het middelenvereiste niet wordt tegengeworpen indien

eiseres en C zijn gehuwd. Verder acht de rechtbank het relevant dat de partner van eiser de Nederlandse nationaliteit heeft en het ontbreken van de geboorteakte kennelijk geen beletsel was om het Nederlanderschap te verkrijgen.

20. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat C binnen een redelijke termijn werk zal vinden en aan het middelenvereiste zal voldoen. Hierbij is allereerst de huidige leeftijd (53 jaar) van C van belang.

Voorts is redengevend dat C sedert 1991 een RWW-uitkering ontvangt, welke per 1 januari 1995 is omgezet in een uitkering krachtens de Abw en hij sedert 12 februari 1996 is vrijgesteld van de arbeidsverplichting.

21. Voorts wordt het onaannemelijk geacht dat de C binnen een redelijke termijn over een recente gelegaliseerde geboorteakte kan beschikken. De rechtbank gaat er vanuit dat C deze akte persoonlijk in Colombia moet halen, nu

verweerder dit niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat afdoende is komen vast te staan dat de financiële ruimte voor eiseres en C ontoereikend is voor het persoonlijk halen van de akte in Colombia.

22. Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband dat onaannemelijk wordt geacht dat eiseres op korte termijn door middel van arbeid voldoende inkomsten zal verwerven gelet op de noodzakelijke verzorging van de drie kinderen,

thans 3, 4 en 6 jaren oud. Hierbij acht de rechtbank het onaannemelijk dat de partner van eiseres met deze zorg kan worden belast. Redengevend is hiertoe dat hij sinds zijn 49e levensjaar is vrijgesteld van zijn arbeidsverplichting

hetgeen er op duidt dat bij hem fysieke en/of psychische beletselen aanwezig zijn. Namens eiseres is zulks ter zitting naar voren geacht hetgeen de rechtbank aannemelijk voorkomt. Het vorenstaande wordt bevestigd door een namens

eiseres overgelegde brief van de huisarts van de partner van eiseres waarin deze verzorgingstaak onverantwoord wordt geacht. Weliswaar is deze brief eerst na het instellen van het beroep overgelegd maar de rechtbank wenst de inhoud

daarvan toch bij zijn beschouwingen te betrekken aangezien zulks zijn grond vindt in de hiervoor bedoelde in het dossier opgenomen stukken.

23. In het licht van het vorenstaande had verweerder aanleiding moeten vinden te oordelen dat in de persoonlijke situatie van eiseres en C niet binnen redelijke termijn veranderingen kunnen optreden zodat het bestreden besluit op

deze punten iedere draagkrachtige motivering ontbeert. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Verweerder zal dan ook een nieuw besluit moeten nemen en daarbij moeten bezien of de situatie

van eiseres en C in de tussentijd wezenlijk is veranderd; zo dit niet het geval is, zal de gevraagde vergunning moeten worden verleend.

24. Het bestreden besluit komt derhalve – onder gegrondverklaring van het hiertegen ingestelde beroep- voor vernietiging in aanmerking.

25. Nu het beroep gegrond wordt verklaard is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft

moeten maken. Deze kosten zijn begroot op f 1.420,- als kosten van de verleende rechtsbijstand.

26. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad f 225,- (zegge: tweehonderd en vijfentwintig gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.420,- (zegge: veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2000, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.A.J. Hubel, griffier.

Afschrift verzonden op: 16 november 2000

Conc.:SH

Coll:

Bp:-

D:b

110497