Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9331

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
AWB 98/2645
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / Khad / artikel 1F.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gemeend dat de functies van eiser bij de Khad van een zodanig niveau zijn geweest, dat er voldoende redenen zijn om te veronderstellen dat eiser medeverantwoordelijkheid draagt voor de misdrijven tegen de menselijkheid, genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser inzake benoemingen, bevorderingen en promoties advies gaf. Eiser heeft in een later stadium respectievelijk leiding gegeven aan de afdeling onderzoek en aan de afdeling personeelszaken van Ministerie van Staatsveiligheid. Eiser heeft eveneens verklaard dat de stukken van onderzochte zaken betreffende burgers en militairen, welke onder zijn verantwoording werden opgemaakt, naar hem werden gestuurd. Deze stukken werden door eiser bijeengebracht en naar de Afghaanse rechtbank gestuurd. De rechtbank merkt op dat eiser, blijkens zijn promoties (hij is in ongeveer acht jaar van tweede luitenant naar kolonel bevorderd), kennelijk werd gewaardeerd door de organisatie en dat gelet hierop aannemelijk is te achten dat eisers werk in toenemende mate verantwoordelijkheden met zich bracht. De rechtbank verwijst hierbij naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 1999 waarin staat vermeld dat toelating tot de Khad plaatsvond na een zeer strenge selectie en een gedegen loyaliteitsproef. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat promotie louter een kwestie van tijd was zoals eiser stelt. Derhalve acht de rechtbank het dan ook met verweerder aannemelijk dat eiser zijn gestelde werkzaamheden op een hoog niveau binnen de organisatie van de Khad heeft verricht. Tijdens het aanvullend nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij vanuit zijn functie op de hoogte was van het feit dat mensenrechten in Afghanistan werden geschonden. Tevens heeft eiser verklaard dat hij in persoon nooit betrokken is geweest bij schendingen van mensenrechten. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op eisers carrièreverloop en zijn voortdurende werkzaamheid op kernposten waar hij verantwoordelijk was voor benoemingen, bevorderingen en promoties, eiser medeverantwoordelijk moet worden gehouden voor de eerder genoemde Verdragsschendingen binnen de Khad. Hieraan kunnen de verklaringen van de getuigen dat eiser in persoon niet betrokken is geweest bij schendingen van mensenrechten niet afdoen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/38
Ars Aequi RV20000016 met annotatie van H. Battjes

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 98/2645 VRWET

Inzake : A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.W. Scheltema, advocaat te Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1966, bezit de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft naar eigen zeggen sinds 5 december 1993 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 15 december 1993 heeft hij een aanvraag

ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Hierop is door verweerder op 5 juni 1997 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen de afwijzing van

zijn aanvragen op 30 juni 1997 bezwaar gemaakt. Op 11 december 1996 is eiser gehoord door de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV). Verweerder heeft op 6 maart 1998 het bezwaar van eisers, conform het advies van de ACV,

ongegrond verklaard.

2. Op 30 maart 1998 heeft eiser tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 29 april 1998 heeft eiser het beroep van nadere gronden voorzien. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en

in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter

zitting zijn op verzoek van eiser de heren C en D als getuigen gehoord. Als tolk was aanwezig de heer R. Vasseghi.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij in 1972 lid werd van de Democratische Volkspartij in Afghanistan, hierna de DVPA. In 1981 kreeg eiser de opdracht te werken voor de militaire inlichtingendienst (Khad). Eiser heeft

vervolgens een aantal functies binnen de Khad bekleed. Na de omwenteling van het regime werd eiser op 28 maart 1993 aangehouden door de Mudjahedin en tijdens zijn detentie mishandeld. Gedurende een transport wist eiser te

ontsnappen. Eiser benadrukt dat hij immer administratieve functies heeft vervuld en zich niet schuldig heeft gemaakt aan marteling of andere mensenrechtenschendingen. Naar zijn oordeel is hem ten onrechte met een beroep op artikel

1(F) Vluchtelingenverdrag een vluchtelingenstatus onthouden.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 1(F), aanhef en sub a, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Eiser heeft verschillende leidinggevende functies bekleed binnen de Khad. Gelet op zijn

loopbaanontwikkeling en de aard van de leidinggevende functies moet eiser worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de systematische repressie en martelingen die ten tijde van het communistische regime met name door de Khad

plaatsvonden. Op grond hiervan kan eiser medeverantwoordelijk worden gehouden voor het begaan van misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Verdrag, waarbij in het midden kan worden gelaten of eiser zelf op directe wijze als

leidinggevende verantwoordelijk is geweest.

4. In geding is of er voldoende aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat eiser zich vanwege zijn positie bij de Khad schuldig heeft gemaakt aan de in artikel 1(F) van het Verdrag bedoelde misdrijven en derhalve niet in

aanmerking komt voor toelating als vluchteling. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van die vraag, de bepaling van artikel 1(F) van het Verdrag restrictief moet worden uitgelegd.

5. Artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (verder: het Verdrag), bepaalt dat de bepalingen van dit Verdrag

niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven

in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

6. De vraag of betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de in artikel 1(F), aanhef en sub a, van het Verdrag bedoelde misdrijven valt niet slechts in positieve zin te beantwoorden indien zijn rechtstreekse

betrokkenheid bij (het fysiek bedrijven van) martelingen of andere mensenrechtenschendingen komt vast te staan. Verwezen wordt naar de UNHCR 'Guidelines on the application of the exclusion clauses' van 2 december 1996, waarin onder

meer wordt overwogen (par. 43) dat de vrijwillige continuering van het lidmaatschap van een deel van een regering dat betrokken is bij criminele activiteiten onder omstandigheden gronden kan doen ontstaan voor uitsluiting wanneer de

betrokkene er niet in slaagt de vooronderstelde wetenschap en persoonlijke betrokkenheid te weerleggen.

7. Verweerder heeft publicaties aangehaald van Amnesty International, de Speciaal Rapporteur voor Afghanistan van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties. Ter zitting heeft verweerder zich vooral beroepen op het ambtsbericht

van de Minister van Buitenlandse Zaken van 30 november 1998 en 16 september 1999. Eerstgenoemd ambtsbericht sluit uit dat hoge Khad-functionarissen geen kennis droegen van de door de Khad gepleegde mensenrechtenschendingen. Volgens

dit ambtsbericht zijn zij die de organisatie toen niet verlaten hebben hiërarchisch ook verantwoordelijk voor de continuering van de schendingen. Aard en omvang van de mensenrechtenschendingen rechtvaardigen toepassing van de

hiervoor weergegeven paragraaf 43 van de UNHCR 'Guidelines on the application of the exclusion clauses' van 2 december 1996, en wel in die zin dat tegenwerping van artikel 1(F) prima facie is gerechtvaardigd indien de door de

betrokkene beklede functie ligt op een niveau waarvan formele medeverantwoordelijkheid voor - en daarmee wetenschap van - mensenrechtenschendingen mag worden verondersteld.

In zo'n geval ligt het op de weg van de betrokkene om informatie te verschaffen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat bedoelde tegenwerping, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet gerechtvaardigd is.

8. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank ten aanzien van de positie van eiser bij de Khad de volgende feiten als vaststaand aan. In 1981 kreeg eiser van de DVPA de opdracht om te gaan werken bij

de Khad. Na een militaire opleiding van zes maanden werd eiser geplaatst bij personeelszaken van de militaire inlichtingendienst en kreeg hij de rang van tweede luitenant. Hij had als taak dienstovertredingen van mede-militairen

vast te stellen en te rapporteren. Eiser werd op 27 april 1983 bevorderd tot kapitein en overgeplaatst naar de afdeling onderzoek waar hij met vier anderen het secretariaat vormde van die afdeling. Hij nam alle brieven en dossiers

van arrestanten in ontvangst en delegeerde deze. In 1986 werd eiser bevorderd tot majoor en adjunct administratieve zaken van de afdeling onderzoek waar hij, naast het delegeren van inkomende post, ook een adviesfunctie inzake

benoemingen, overplaatsingen en bevorderingen van het personeel binnen de directie-onderzoek had. Op 27 april 1988 en 27 april 1989 werd eiser respectievelijk bevorderd tot luitenant-kolonel en kolonel. Onder zijn verantwoording

werden dossiers gevormd van onderzochte zaken betreffende burgers en militairen welke na aanhouding door operationele eenheden werden overgedragen aan de afdeling onderzoek. De arrestanten werden persoonlijk naar eiser gebracht waar

hij moest zorgen voor de overdracht naar hoorders of verhoorders of naar de gevangenis. Eiser werd in maart 1990 opgedragen de functie van het hoofd van de afdeling onderzoek over te nemen. Hij zat bij de gehoren van arrestanten,

waaronder zich leden van Mudjaheddin bevonden, die door zijn ondergeschikten werden afgenomen. In september 1990 werd hij lid van de commissie welke de val van de stad Khost onderzocht. Van augustus 1991 tot 25 april 1992 vervulde

eiser de functie van adjunct-hoofd van de afdeling personeelszaken van het Ministerie van Staatsveiligheid waar hij verantwoordelijk was voor opleidingen, promoties en straffen.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gemeend dat vorenbeschreven functies van eiser bij de Khad - en de door hem in dit verband verrichte werkzaamheden - van een zodanig niveau zijn geweest, dat er voldoende

redenen zijn om te veronderstellen dat eiser medeverantwoordelijkheid draagt voor de misdrijven tegen de menselijkheid, genoemd in artikel 1(F), aanhef en sub a, van het Verdrag.

De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser inzake benoemingen, bevorderingen en promoties advies gaf. Eiser heeft in een later stadium respectievelijk leiding gegeven aan de afdeling onderzoek en aan de afdeling personeelszaken van

Ministerie van Staatsveiligheid. Eiser heeft eveneens verklaard dat de stukken van onderzochte zaken betreffende burgers en militairen, welke onder zijn verantwoording werden opgemaakt, naar hem werden gestuurd. Deze stukken werden

door eiser bijeengebracht en naar de Afghaanse rechtbank gestuurd.

De rechtbank merkt op dat eiser, blijkens zijn promoties (hij is in ongeveer acht jaar van tweede luitenant naar kolonel bevorderd), kennelijk werd gewaardeerd door de organisatie en dat gelet hierop aannemelijk is te achten dat

eisers werk in toenemende mate verantwoordelijkheden met zich bracht. De rechtbank verwijst hierbij naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 september 1999 waarin staat vermeld dat toelating tot de Khad

plaatsvond na een zeer strenge selectie en een gedegen loyaliteitsproef. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat promotie louter een kwestie van tijd was zoals eiser stelt. Derhalve acht de rechtbank het dan ook met

verweerder aannemelijk dat eiser zijn gestelde werkzaamheden op een hoog niveau binnen de organisatie van de Khad heeft verricht.

Tijdens het aanvullend nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij vanuit zijn functie op de hoogte was van het feit dat mensenrechten in Afghanistan werden geschonden. Tevens heeft eiser verklaard dat hij in persoon nooit betrokken

is geweest bij schendingen van mensenrechten. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op eisers carrièreverloop en zijn voortdurende werkzaamheid op kernposten waar hij verantwoordelijk was voor benoemingen, bevorderingen en

promoties, eiser medeverantwoordelijk moet worden gehouden voor de eerder genoemde Verdragsschendingen binnen de Khad. Hieraan kunnen de verklaringen van de getuigen dat eiser in persoon niet betrokken is geweest bij schendingen van

mensenrechten niet afdoen.

9. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen bescherming van het Verdrag toekomt op grond van het bepaalde in artikel 1(F), aanhef en onder a,

van het Verdrag.

10. Ten aanzien van het beroep, voorzover gericht tegen de afwijzende beslissing op het bezwaar tegen de weigering om eiser een vergunning tot verblijf te verlenen, overweegt de rechtbank het volgende.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet zal worden uitgezet naar Afghanistan. De rechtbank deelt de visie van verweerder dat artikel 3 EVRM op zichzelf niet noopt tot het verlenen van een verblijfstitel. Verweerder

heeft zichzelf beleidsmatig voldoende ruimte verschaft om in een geval als het onderhavige met een beroep op het algemeen belang aan de aanvrager een verblijfstitel te weigeren. Voor wat betreft het algemeen belang dat hierbij in

het geding is, wijst de rechtbank op het in de jurisprudentie aanvaarde "gewichtige belang van de Nederlandse Staat, te weten de integriteit en geloofwaardigheid van Nederland als soevereine staat, met name in relatie tot zijn

verantwoordelijkheden tegenover andere staten."

De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit belang op goede gronden aan zijn - in bezwaar gehandhaafde - weigering aan eiser een vergunning tot verblijf te verlenen ten grondslag heeft kunnen leggen.

12. In hetgeen hiervoor is overwogen is in casu eveneens een toereikende grond gelegen voor het in bezwaar weigeren van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf aan eiser.

13. Het beroep is derhalve ongegrond.

14. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mrs. M.J. van der Ven, M. van Paridon en E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2000, in tegenwoordigheid van mr P.F.H.A. Tillie, griffier.

afschrift verzonden op: