Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9322

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/61577
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / zicht op uitzetting.

Tijdens de behandeling van de zaak is namens eiser aangevoerd dat er geen zicht op de verwijdering bestaat aangezien eiser ongeveer 15 jaar in Nederland verblijft en dat hij gedurende die periode meermalen in vreemdelingenbewaring heeft verbleven, zonder dat deze maatregel heeft geleid tot daadwerkelijke verwijdering. Verweerder heeft tijdens de behandeling van de zaak bevestigd dat eiser meermalen, zonder resultaat, bij diverse autoriteiten is gepresenteerd. De rechtbank is, nu de zich in het dossier bevindende stukken geen duidelijkheid bieden met betrekking tot de vraag welke activiteiten verweerder tijdens de vorige bewaringsprocedures heeft verricht om te komen tot de uitzetting van eiser, van oordeel dat er onvoldoende mogelijkheden bestaan om vast te kunnen stellen of de verwijdering van eiser (nog) tot de mogelijkheden behoort. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht

j? artikel 34a Vreemdelingenwet

reg.nr.: AWB 00/61577 VRWET

inzake : A (onder meerdere aliassen bekend), van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te

Ter Apel, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 4 juli 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet (Vw) in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van

eiser verstrekt.

Een eerder beroep van eiser waarbij om opheffing van de bewaring werd verzocht, is bij uitspraak van 18 juli 2000 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 5 september 2000 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd, alsmede toekenning van een schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 12 september 2000. Eiser is verschenen bij gemachtigde mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H. van Galen, werkzaam bij de

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft - samengevat - aangevoerd dat hij thans ongeveer 15 jaar in Nederland verblijft en dat hij gedurende die periode in totaliteit ongeveer vijf jaar in vreemdelingenbewaring heeft verbleven. Eiser is in het verleden bij

diverse autoriteiten, is gepresenteerd, zonder dat zulks ooit tot resultaten heeft geleid. Nu de stukken met betrekking tot de vorige

presentaties van eiser zich niet in het dossier bevinden, valt niet vast te stellen of er zicht op de verwijdering van eiser bestaat. De bewaring dient dan ook te worden opgeheven.

Verweerder heeft aangevoerd dat eiser op 13 juli 2000 schriftelijk is gepresenteerd bij de Tunesische autoriteiten. Naar aanleiding daarvan is door die vertegenwoordiging een onderzoek ingesteld. Het valt geenszins uit te sluiten

dat dit onderzoek in de onderhavige zal leiden tot de verstrekking van een reisdocument. Eiser is zelf verantwoordelijk voor de herhaaldelijke toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel omdat hij weigert Nederland te verlaten.

Voorts acht verweerder met betrekking tot de vraag of voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel gerechtvaardigd is te achten, van belang dat eiser bij besluit van 29 juli 1992 tot ongewenst vreemdeling is verklaard als

bedoeld in artikel 21 Vw. De omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt welke handelingen verweerder in het verleden in het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser heeft verricht, dient niet te leiden tot de

opheffing van de bewaring.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onderhavig beroep is niet het eerste beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortduring van die maatregel gerechtvaardigd is te achten.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of er nog immer zicht op de verwijdering van eiser bestaat. Eiser heeft onbetwist aangevoerd dat hij sedert 1985 in totaliteit vijf jaar in vreemdelingenbewaring heeft verbleven en dat

hij gedurende die periode bij verschillende vertegenwoordigingen is gepresenteerd. De rechtbank stelt vast dat het vorenstaande niet blijkt uit het door verweerder overgelegde dossier. De rechtbank is van oordeel dat de in het

dossier bevindende stukken dan ook onvoldoende beeld geven met betrekking tot de vraag of de verwijdering van eiser thans (nog) tot de mogelijkheden behoort. Daardoor is onvoldoende gebleken van feiten of omstandigheden op grond

waarvan kan worden aangenomen dat er thans nog een reëel zicht bestaat op verwijdering van eiser.

Derhalve dient het beroep gegrond te worden verklaard en wordt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevolen, ingaande 12 september 2000.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wordt het volgende overwogen. De rechtbank stelt vast dat indiening van het onderhavig beroepschrift heeft geleid tot de opheffing van de bewaring. Gezien het vorenstaande bestaat er

aanleiding eiser schadevergoeding tot te kennen over de periode van de indiening van het beroepschrift

(5 september 2000) tot de invrijheidstelling van eiser (12 september 2000), hetgeen neerkomt op een bedrag van Fl. 1.050,- (7 maal Fl. 150,-).

Gelet op het bovenstaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op Fl. 1.420,- als kosten van

verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingevolge artikel 26, eerste lid, Vw ingaande 12 september 2000 wordt opgeheven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent ten laste van de Staat der Nederlanden aan de vreemdeling een schadevergoeding toe van Fl. 1.050,- (zegge: één duizend en vijftig gulden)

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot Fl. 1.420,- (zegge: veertienhonderdentwintig gulden) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en

aan de griffier dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 12 september 2000, in tegenwoordigheid van L.W. Visser, griffier.

afschrift verzonden op: 26 oktober 2000

Conc.: FS/LV

Coll:

Bp:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak, en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.