Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9318

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/61812
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder nader onderzoek doen

naar de herkomst van de vreemdeling. Immers, naar aanleiding van het

rapport van nader gehoor waren er twijfels gerezen omtrent de opgegeven

nationaliteit. Het getuigt van zorgvuldigheid dat verweerder, alvorens de

vreemdeling in bewaring te stellen, die twijfel omtrent de opgegeven

nationaliteit onderbouwt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat pas na

het onderzoek herkomstbepaling er voldoende gronden aanwezig waren om de

inbewaringstelling te rechtvaardigen. Immers, uit dat onderzoek bleek de

gebrekkige kennis van de vreemdeling over geografie, leefomgeving, cultuur

en taal van het opgegeven land van herkomst. Op grond hiervan kon

verweerder de conclusie trekken dat de vreemdeling evident niet uit Sudan

afkomstig was en dat er derhalve sprake was van manifest bedrog. Nu de

vreemdeling volhardt in zijn Sudanese nationaliteit, terwijl hij

waarschijnlijk uit Nigeria afkomstig is, is de rechtbank van oordeel dat

er voldoende grond is te concluderen dat er een ernstig vermoeden bestaat

dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en vordert het

belang van de openbare orde de inbewaringstelling.

Niet gesteld kan worden dat verweerder discriminatoir handelt door alle

vreemdelingen die claimen de Sudanese nationaliteit te bezitten in

bewaring te stellen indien blijkt dat zij onjuiste verklaringen hebben

afgelegd omtrent hun nationaliteit. Verweerder heeft ter zitting verklaard

dat uit onderzoek gebleken is dat tachtig procent van alle Engelstalige

vreemdelingen die claimen de Sudanese nationaliteit te bezitten uit een

derde land afkomstig zijn. Dit gegeven heeft voor verweerder aanleiding

gevormd vreemdelingen die stellen de Sudanese nationaliteit te hebben aan

een nader onderzoek te onderwerpen teneinde misbruik van de asielprocedure

te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze niet een

direct onderscheid naar nationaliteit inhoudt, zodat er geen sprake is van

strijd met artikel 1 van de Grondwet. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Grondwet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 00/61812 V3

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 34a juncto 34j van de

Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op (...) 1982 en van

Soedanese nationaliteit, thans verblijvende in het Justitieel Complex

Koning Willem II te Tilburg, hierna te noemen: de vreemdeling

en

de Staatssecretaris van Justitie, hierna te noemen: verweerder.

Zitting: 18 september 2000.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.C.

Gillese, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde mr. F.L. Teerling,

advocaat te 's-Hertogenbosch.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde drs. H.W. Pieters.

I. PROCESVERLOOP

Bij bevel tot bewaring van 6 september 2000 is de vreemdeling op grond

van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet (Vw)

in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 7 september 2000, op diezelfde datum ontvangen ter

griffie van de rechtbank, is namens de vreemdeling verzocht de bewaring

met onmiddellijke ingang op te heffen. Voorts is om schadevergoeding

verzocht.

II. OVERWEGINGEN

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de

vreemdeling op 7 juni 1999 een aanvraag heeft ingediend om toelating als

vluchteling. Daarop is nog niet beslist. Op 6 september 2000 heeft

verweerder de vreemdeling aan en onderzoek herkomstbepaling onderworpen.

Hieruit is gebleken dat de vreemdeling niet uit Soedan afkomstig is.

Verweerder heeft zich op grond hiervan op het standpunt gesteld dat er

sprake is van manifest bedrog en de vreemdeling op grond van het

bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw in

bewaring gesteld.

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat hij ten onrechte in bewaring is

gesteld. Immers, het had verweerder reeds na het nader gehoor van

22 juli 1999 duidelijk kunnen zijn dat de vreemdeling niet uit Soedan

afkomstig was, gelet op zijn gebrekkige kennis van dat land. Een

onderzoek herkomstbepaling was daarvoor niet nodig. Derhalve valt niet

in te zien dat de vreemdeling thans wel wegens vrees voor onttrekking in

bewaring wordt gesteld terwijl dat eerder achterwege is gelaten. Daarbij

dient in aanmerking te worden genomen dat de vreemdeling zich altijd aan

de meldplicht heeft gehouden.

Verder wordt aangevoerd dat manifest bedrog alleen niet voldoende grond

vormt voor inbewaringstelling. Daarvoor is vrees voor onttrekking van

uitzetting vereist, manifest bedrog vormt niet meer dan een aanwijzing

dat daarvan sprake is.

Tenslotte is aangevoerd dat verweerder alle vreemdelingen die claimen de

Soedanese nationaliteit te hebben aan een nader onderzoek onderwerpt en

bij gebleken onjuiste verklaringen in bewaring stelt, terwijl andere

vreemdelingen, die niet stellen uit Soedan afkomstig te zijn een

dergelijke behandeling niet te behoeven ondergaan. Een dergelijke

handelwijze is in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals dat is

neergelegd in artikel 1 van de Grondwet.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder nader onderzoek doen

naar de herkomst van de vreemdeling. Immers, naar aanleiding van het

rapport van nader gehoor waren er twijfels gerezen omtrent de opgegeven

nationaliteit. Het getuigt van zorgvuldigheid dat verweerder, alvorens

de vreemdeling in bewaring te stellen, die twijfel omtrent de opgegeven

nationaliteit onderbouwt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat pas na

het onderzoek herkomstbepaling er voldoende gronden aanwezig waren om de

inbewaringstelling te rechtvaardigen. Immers, uit dat onderzoek bleek de

gebrekkige kennis van de vreemdeling over geografie, leefomgeving,

cultuur en taal van het opgegeven land van herkomst. Op grond hiervan

kon verweerder de conclusie trekken dat de vreemdeling evident niet uit

Soedan afkomstig was en dat er derhalve sprake was van manifest bedrog.

Nu de vreemdeling volhardt in zijn Soedanese nationaliteit, terwijl hij

waarschijnlijk uit Nigeria afkomstig is, is de rechtbank van oordeel dat

er voldoende grond is te concluderen dat er een ernstig vermoeden

bestaat dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en

vordert het belang van de openbare orde de inbewaringstelling.

Het feit dat de vreemdeling zich altijd aan zijn meldplicht heeft

gehouden vormt geen aanleiding te veronderstellen dat van vrees voor

onttrekking aan uitzetting geen sprake kan zijn. De situatie zoals die

was tot 6 september 2000 was geheel anders dan de situatie na die datum.

Na 6 september 2000 wist de vreemdeling dat verweerder op de hoogte was

van het feit dat hij onjuiste informatie had verschaft omtrent zijn

nationaliteit. Dat de vreemdeling zich vóór 6 september 2000 altijd aan

zijn meldplicht heeft gehouden vormt dan ook geen garantie dat hij dat

ook in de toekomst zal blijven doen.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat

verweerder discriminatoir handelt door alle vreemdelingen die claimen de

Soedanese nationaliteit te bezitten in bewaring te stellen indien blijkt

dat zij onjuiste verklaringen hebben afgelegd omtrent hun nationaliteit.

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat uit onderzoek gebleken is dat

tachtig procent van alle Engelstalige vreemdelingen die claimen de

Soedanese nationaliteit te bezitten uit een derde land afkomstig zijn.

Dit gegeven heeft voor verweerder aanleiding gevormd vreemdelingen die

stellen de Soedanese nationaliteit te hebben aan een nader onderzoek te

onderwerpen teneinde misbruik van de asielprocedure te voorkomen. De

rechtbank is van oordeel dat deze handelwijze niet een direct

onderscheid naar nationaliteit inhoudt, zodat er geen sprake is van

strijd met artikel 1 van de Grondwet.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet gesteld kan

worden dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de

vreemdeling werkt. De vreemdeling heeft immers een asielaanvraag

ingediend, waarop nog niet is beslist. Hangende de asielprocedure kan

verweerder de uitzettingsactiviteiten opschorten, hetgeen in het

onderhavige geval is gebeurd. Gelet op het vorenstaande kan evenmin

gesteld worden dat er geen reëel zicht op uitzetting bestaat. Pas als op

de asielaanvraag is beslist zal verweerder zich moeten beraden omtrent

de vraag bij de autoriteiten van welk land de vreemdeling gepresenteerd

zal worden.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het

verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de

bewaring niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle

daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te

achten.

Het namens de vreemdeling ingediende verzoek om schadevergoeding zal

worden afgewezen, nu in gevolge artikel 34j van de Vw een dergelijk

verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing

van de bewaring beveelt, hetgeen in casu niet het geval is.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten

worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is

de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. E.C.M. de Klerk, in tegenwoordigheid van

mr. J.P.W. Manders als griffier en uitgesproken in het openbaar op

19 september 2000.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te

's-Gravenhage, voorzover het betreft de beslissing inzake

schadevergoeding.

Verweerder kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling

binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep

instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de

artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

(zittingplaats: 's-Hertogenbosch).

Afschriften verzonden: 23 oktober 2000

SS