Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9317

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-09-2000
Datum publicatie
06-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/3058
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / valse documenten.

De in de TBV opgenomen voorwaarden voor toelating op basis van het beleid voor witte illegalen lijken niet overeen te komen met hetgeen de staatssecretaris in de Tweede Kamer over deze voorwaarden heeft gezegd. In de TBV geldt de voorwaarde dat de aanvrager niet in het bezit mag zijn geweest dan wel gebruik mag hebben gemaakt van valse c.q. vervalste documenten en dat hij geen onjuiste gegevens heeft verstrekt. Uitlatingen van de staatssecretaris wekken evenwel de indruk dat valse documenten, die in een eerdere procedure zijn overgelegd, niet meer kunnen worden tegengeworpen bij een aanvraag om toelating op basis van het witte illegalenbeleid. Voorts stelt de staatssecretaris dat het gebruik van valse documenten in een proces-verbaal wordt opgenomen. Het is echter vooralsnog onduidelijk op welke wijze het gebruik van valse documenten in een proces-verbaal moet worden opgenomen en wat de consequenties zijn voor het niet opmaken van een proces-verbaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/3058 VRWET

inzake : A, verblijvende te B, verzoeker,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op (...) 1964, bezit de Israëlische nationaliteit. Hij verblijft sedert 1991 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 18 oktober 1999 heeft hij een aanvraag ingediend voor verlening van een

vergunning tot verblijf op basis van de tijdelijke regeling witte illegalen als bedoeld in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Bij besluit van 20 april 2000 heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist.

Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 3 mei 2000, aangevuld bij schrijven van 16 mei 2000 en 7 juni 2000. Bij de uitreiking van het bestreden besluit heeft verweerder meegedeeld dat uitzetting

gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten. Verzoeker moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.

2. Bij verzoekschrift van 3 mei 2000, aangevuld bij schrijven van 19 mei 2000, 7 juni 2000, 22 augustus 2000 en 1 september 2000, heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht de beslissing van verweerder om uitzetting niet

achterwege te laten, te schorsen totdat op bezwaar is beslist op de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 26 juni 2000 ter griffie ontvangen. In het

verweerschrift van 29 augustus 2000, aangevuld bij schrijven van 4 september 2000, heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en met toepassing van artikel 33b Vw, tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.

Oversluizen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de beslissing om de uitzetting niet achterwege te laten te schorsen en een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen. Dit is het geval indien het belang van verweerder

bij onmiddellijke uitvoering van zijn beslissing niet opweegt tegen het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening. De beslissing de uitzetting niet achterwege te laten is evenzeer onrechtmatig indien die beslissing in strijd

is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder b Vw onrechtmatig indien er aanleiding

bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

2. Het in dit kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de uitzettingsbeslissing is niet bindend in de bodemprocedure.

3. Verzoeker meent dat klemmende redenen van humanitaire aard tot toelating nopen.

Daarbij beroept hij zich op de tijdelijke regeling witte illegalen. Voorts stelt hij dat hij niet in de gelegenheid is geweest om te reageren op de conclusie van verweerder dat hij een vervalste verklaring als bedoeld in artikel 3

van de Wet arbeid buitenlandse vreemdelingen (thans Wet arbeid vreemdelingen) zou hebben overgelegd. Verder wijst hij erop dat hij deze verklaring nooit heeft gebruikt om een arbeidsplaats te verwerven. Het overleggen van een valse

verklaring is hem later ook niet tegengeworpen in door hem gevoerde procedures inzake verzoekers verblijfsaanspraken.

Volgens verweerder is verzoeker bij schrijven van 20 maart 1997 er op gewezen dat hij een vervalste verklaring zou hebben overgelegd. Mitsdien is het nu meer dan drie jaar geleden dat verweerder te kennen heeft gegeven dat verzoeker

gebruik heeft gemaakt van onjuiste gegevens, zodat deze gegevens thans niet meer als contra-indicatie kunnen worden tegengeworpen.

Blijkens een schriftelijk verslag van een op 28 september 1999 gevoerd overleg tussen de Staatssecretaris van Justitie en de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer dienen de door verweerder gehanteerde contra-indicaties

genuanceerd te worden. Blijkens dit verslag kunnen valse en vervalste documenten alleen als contra-indicatie gelden als het documenten betreft die relevant zijn voor de procedure en ter zake waarvan door het bevoegd gezag

proces-verbaal is opgemaakt. Verzoeker heeft nimmer een arbeidsplaats verworven met een vervalst stuk en er is evenmin proces-verbaal opgemaakt.

Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij in het bezit is gekomen van de tewerkstellingsvergunning door een ambtenaar bij het Regionaal Bureau Arbeidsvoorziening die buiten de regels om aan hem een tewerkstellingsvergunning

heeft verstrekt.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voor toelating in aanmerking komt omdat hij ten tijde van een eerdere aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning een vervalste tewerkstellingsvergunning heeft

overgelegd. Dat deze vergunning niet zou zijn gebruikt doet aan het bestaan van deze voorwaarde niet af, nu het enkele bezit van vervalste documenten voldoende is. Aan verzoeker is in een eerdere procedure niet het overleggen van

een vervalste tewerkstellingsvergunning tegengeworpen, omdat het in deze eerdere procedure ging om ander beleid en andere voorwaarden. De omstandigheid dat meer dan drie jaar geleden aan verzoeker is medegedeeld dat hij een

vervalste tewerkstellingsvergunning heeft overgelegd leidt er niet toe dat deze vervalste verklaring in de onderhavige procedure niet als contra-indicatie kan worden gehanteerd.

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat het tegenwerpen van contra-indicaties ten aanzien van het in TBV 1999/23 neergelegde beleid op dezelfde wijze geschiedt als onder het vorige, op 1 januari 1998 beëindigde beleid ten

aanzien van “witte illegalen”. De door verzoeker in een eerdere procedure overgelegde tewerkstellingsvergunning is voor deze procedure een relevant stuk omdat het overleggen hiervan een contra-indicatie is voor toelating op basis

van TBV 1999/23. Hetgeen in het TBV is neergelegd is de schriftelijke vastlegging van het beleid ten aanzien van witte illegalen. Hetgeen op een eerder moment door de Staatssecretaris van Justitie is verklaard in een mondeling

overleg met de Tweede Kamer kan aan hetgeen in het TBV is neergelegd niet afdoen. Bovendien is van belang dat de bewoordingen van de Staatssecretaris zijn opgenomen in een beknopt verslag van een mondeling overleg. Het vastleggen

van het gebruik van een valse tewerkstellingsvergunning in een proces-verbaal voegt inhoudelijk niets toe; het is reeds duidelijk dat de door verzoeker overgelegde tewerkstellingsvergunning niet een rechtmatig aan hem verstrekte

vergunning betreft.

De president overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

7. Ingevolge TBV 1999/23 kunnen vreemdelingen die een beroep doen op de tijdelijke regeling witte illegalen aan de zogenaamde commissie van burgemeesters een advies vragen over de mate van inburgering. Een verzoek om advies wordt

alleen in behandeling genomen indien is voldaan aan een achttal, in het TBV opgenomen, voorwaarden. Twee van deze voorwaarden zijn dat de vreemdeling niet in het bezit mag zijn geweest dan wel gebruik hebben gemaakt van valse c.q.

vervalste documenten en dat hij geen onjuiste gegevens heeft verstrekt.

8. In een beknopt verslag van een op 28 september 1999 gevoerd overleg tussen de Staatssecretaris van Justitie en de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer is onder meer de volgende passage van de zijde van de

Staatssecretaris opgenomen;

“Het zesde criterium is dat de vreemdeling niet in het bezit mag zijn geweest dan wel gebruik mag hebben gemaakt van valse c.q. vervalste documenten. Het gaat daarbij om vreemdelingen van wie is geconstateerd dat zij gebruik hebben

gemaakt van valse of vervalste documenten die relevant zijn voor de procedure. Daarvan moet door het bevoegd gezag proces-verbaal zijn opgemaakt. In die gevallen zullen de valse dan wel vervalste documenten als contra-indicatie

worden tegengeworpen. Hetzelfde geldt voor het zesde criterium, waarbij de vreemdeling geen onjuiste gegevens mag hebben verstrekken (lees: verstrekt, correctie president). Het gaat hier ook om het wekken van de schijn van

legaliteit.”

9. De president is van oordeel dat verweerder niet afdoende heeft gemotiveerd waarom hetgeen blijkens voornoemd verslag door de Staatssecretaris van Justitie is verklaard enkele dagen voordat TBV 1999/23 inging, niet op de door

verzoeker gestelde wijze mag worden geïnterpreteerd. Zo blijkt uit bovengeciteerde passage dat valse documenten alleen een contra-indicatie zijn indien deze documenten relevant zijn voor “de procedure”, hetgeen de vraag oproept of

documenten, die zijn overgelegd in een eerdere procedure, thans nog als contra-indicatie kunnen worden gehanteerd. Immers, onduidelijk is of de woorden “de procedure” niet enkel verwijzen naar de procedure waarbij toelating wordt

gevraagd op basis van TBV 1999/23, en niet op eerder gevoerde toelatingsprocedures. Uit de in meergenoemde TBV opgenomen toelichting bij de voorwaarden blijkt dat uitsluitend documenten die in een eerdere procedure zijn overgelegd

tot de aanname van bedoelde contra-indicatie kan leiden, hetgeen mogelijkerwijs op gespannen voet staat met de bewoordingen van de Staatssecretaris.

Voorts is het, aldus de Staatssecretaris, van belang dat er een proces-verbaal is opgemaakt ten aanzien van de vervalste stukken, hetgeen bij de president de vraag heeft opgeroepen wat onder een dergelijk proces-verbaal moet worden

verstaan. Terzake van de door verzoeker overgelegde tewerkstellingsvergunning ontbreekt zulk een proces-verbaal, hetgeen blijkens de bewoordingen van de Staatssecretaris van Justitie de aanname van een contra-indicatie belet.

Verweerders stelling dat hetgeen door de Staatssecretaris van Justitie is verklaard is achterhaald door de bewoordingen van het TBV en de stelling dat een proces-verbaal niets toevoegt aan de zaak, is naar het oordeel van de

president onvoldoende om de discrepanties tussen het TBV en hetgeen door de Staatssecretaris is verklaard, te overbruggen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat voornoemd verslag een beknopt verslag is van een mondeling overleg,

nu mag worden aangenomen dat een verslag als boven aangehaald met zorg wordt samengesteld en geredigeerd. Bedoeld verslag is immers de aangewezen bron van hetgeen de Staatssecretaris in de Tweede Kamer heeft verklaard en van een

aperte verschrijving in het verslag waaraan bedoelde discrepanties kunnen worden toegeschreven is de president niet gebleken.

10. Gelet op het voorgaande is de president van oordeel dat het besluit ten aanzien waarvan verzoeker heeft gevraagd om schorsende werking, niet deugdelijk is gemotiveerd. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft dan ook een

redelijke kans van slagen.

11. Mitsdien komt het verzoek om een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking.

12. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op Fl. 1.420,- als kosten van verleende

rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

13. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, lid 4 van de Awb, waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed

door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

III. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat verweerder verzoeker niet uit Nederland verwijdert totdat op het bezwaarschrift is beslist;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op Fl. 1.420,- (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad Fl. 225,- (zegge tweehonderdvijfentwintig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2000 door mr. F. Salomon, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Michiels van Kessenich, griffier.

Afschrift verzonden op: 9 oktober 2000

Conc.: GM

Coll:

Bp: -

D: B