Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9315

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 97/9717
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking vestigingsvergunning.

Beroep tegen intrekking van een vestigingsvergunning gegrond. Verweerder heeft het bestreden besluit voornamelijk gebaseerd op een uittreksel uit het Register van de Gemeente Amsterdam waarin wordt vermeld dat eiser is vertrokken naar Marokko. Uit de verklaring ter zitting van een getuige-deskundige, werkzaam bij het Register, is echter gebleken dat deze vermelding - anders dan verweerder stelt - niet uitsluitend het gevolg hoeft te zijn geweest van een opgave in persoon door eiser. De vermelding kan ook het gevolg zijn geweest van eigen onderzoek door het Register waaruit is gebleken dat de eiser kennelijk zou zijn vertrokken naar Marokko. Het is daarbij niet onmogelijk dat een persoon ten onrechte wordt uitgeschreven als zijnde vertrokken naar een bepaald land.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

j° artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 97/9717 VRWET

inzake: A, wonende te B, eiser,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1940, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 21 mei 1968 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Bij besluit van 22 november 1995 heeft verweerder vastgesteld dat eisers

vergunning tot vestiging van rechtswege is vervallen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 18 december 1995, aangevuld bij brief van 2 februari 1996. Bij uitspraak van 6 juni 1996 heeft de president

het verzoek om een voorlopige voorziening van 8 maart 1996, gericht tegen de beslissing van verweerder uitzetting hangende de bezwaarfase niet achterwege te laten, toegewezen. Het bezwaar is bij besluit van 5 augustus 1997, conform

het eenstemmig advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV) van 16 mei 1997, ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank bij beroepschrift van 29 augustus 1997, aangevuld bij brieven van 19 december 1997 en 18 juni 1998. Op 19 mei 1998 zijn de op de zaak betrekking hebbende

stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 5 augustus 1998 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 1998. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr.

J.W. de Graaf, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie (IND). Als tolk trad op M. Ziani. Bij beslissing van 3 september 1998, verzonden op 10 september 1998, heeft de rechtbank besloten het

onderzoek te heropenen teneinde nadere inlichtingen in te winnen.

4. Het onderzoek ter zitting is hervat op 31 maart 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Amrani, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. E. Brakke, ambtenaar bij de

IND. Als getuige-deskundige was ter zitting aanwezig dhr. A.M. Kassenaar, werkzaam bij het Adviesbureau van het Register Amsterdam (verder ook: het Register). Als tolk trad op M. Ziani.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de feiten zoals weergegeven in de uitspraak van de president van 6 juni 1996, welke uitspraak is gehecht aan deze uitspraak.

Gehecht aan het verweerschrift van 5 augustus 1998 heeft verweerder een uittreksel overgelegd uit het Register van de Gemeente Amsterdam waarin over de adresgegevens van eiser – voor zover relevant – het volgende wordt vermeld:

(...)

01aug1986 Vertrokken naar Marokko

05jan1993 Komende van Marokko

(...)

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers vergunning tot vestiging van rechtswege is vervallen, nu eiser met ingang van 1 augustus 1986 zijn hoofdverblijf naar Marokko heeft verplaatst. Eisers heeft niet aangetoond dat

hij in de periode van 1 augustus 1986 tot 5 januari 1993 in Nederland heeft verbleven.

Niet is gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Voor de werkzaamheden die eiser verricht bestaat voldoende prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Voorts is niet gebleken van (overige) klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan eiser verblijf dient te worden toegestaan.

In het verweerschrift wordt benadrukt dat eiser op generlei wijze heeft aangetoond dat hij in de periode 1 augustus 1986 tot 5 januari 1993 hier te lande heeft verbleven. De verklaringen van enkele landgenoten zijn niet

doorslaggevend. De verklaringen die eiser geeft voor het feit dat hij niet stond ingeschreven, zijn vaag. Dit klemt te meer nu op grond van objectief verifieerbare gegevens is gebleken dat eiser zich eerst op 5 januari 1993 heeft

doen inschrijven bij het ziekenfonds ZAO en dat hij per 1 maart 1993 in dienst is getreden bij CSU BV. Verweerder verwijst naar het alsnog aan verweerder op 30 juli 1998 toegezonden uittreksel uit het Register waaruit expliciet

blijkt dat eiser op 1 augustus 1986 is uitgeschreven uit het Register.

4. Eiser meent dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat zijn vergunning tot vestiging van rechtswege is vervallen. Voor hetgeen eiser in dit verband in de bezwaarfase heeft aangevoerd wordt verwezen naar de aangehechte

uitspraak van de president.

Verweerders oordeel dat eiser zijn hoofdverblijf met ingang van 1 augustus 1986 heeft verplaatst naar Marokko is onjuist en werd ten tijde van het bestreden besluit niet gestaafd door een schriftelijk stuk, in het bijzonder niet

door een uittreksel uit het Register. Ook de ACV is, ondanks herhaalde pogingen daartoe, niet in het bezit gesteld van een dergelijk uittreksel. Juist het ontbreken van dit uittreksel en de onmogelijkheid om de juistheid van

verweerders stelling te verifiëren, vormden aanleiding voor de president om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Eiser benadrukt dat hij zich nimmer uit het Register heeft laten uitschrijven. Hij heeft nimmer

zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd noch heeft hij ooit die bedoeling gehad. Het enkele feit dat hij niet stond ingeschreven in het Register is niet voldoende om te concluderen dat hij niet in Nederland verbleef.

Hoofdstuk A4 onder 7.6.2. van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) vermeldt dat het gegeven dat iemand zijn hoofdverblijf in Nederland heeft onder meer kan blijken uit het feit dat de vreemdeling is ingeschreven in het Register. Uit

deze bewoordingen valt af te leiden dat het enkele feit dat eiser niet staat ingeschreven, niet zonder meer betekent dat hij niet in Nederland verbleef. Na een kort verblijf in Marokko vanwege ziekte van zijn echtgenote is hij in

Amsterdam bij zijn broer ingetrokken. Eiser heeft lange tijd bij zijn broer verbleven en werd door hem onderhouden. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij bij zijn broer stond ingeschreven. Eiser heeft nimmer langer dan 9

maanden onafgebroken zijn hoofdverblijf buiten Nederland gehad.

In beroep heeft eiser enkele verklaringen van getuigen overgelegd waarin wordt aangegeven dat eiser sinds 1968 nimmer zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

5.1 Ter zitting van de rechtbank op 3 september 1998 heeft de gemachtigde van verweerder meegedeeld dat het een ervaringsfeit is dat de vermeldingen “komende van Marokko” en “vertrokken naar Marokko” aangeven dat eiser zich in

persoon moet hebben gemeld bij het Register. Indien de melding niet in persoon wordt gedaan, zal worden vermeld “vertrokken naar onbekend”.

5.2 Bij schrijven van 10 september 1998 heeft de griffier het Register verzocht:

(...) zoveel mogelijk gedocumenteerd uiteen te zetten en toe te lichten welk onderzoek en welke procedure in het jaar 1986 voorafging aan het opnemen in de basisadministratie van de vermelding “01 augustus 1986 Vertrokken naar

Marokko”.

In antwoord op dit verzoek heeft dhr. A.M. Kassenaar, voornoemd, bij schrijven van 4 december 1998 – voor zover thans relevant – het volgende meegedeeld:

[eiser] (...) is op 1 augustus 1986 uitgeschreven als vertrokken naar Marokko. (...) Dit betekent dat [eiser] op of rond 1 augustus 1986 of zelf zijn vertrek heeft aangegeven naar Marokko, of dat uit adresonderzoek is gebleken dat

hij naar Marokko zou zijn vertrokken, waarop de gemeente hem ambtshalve heeft uitgeschreven naar Marokko. De ware toedracht is helaas niet meer na te gaan. De gegevens omtrent vertrek uit Amsterdam en verhuizingen binnen Amsterdam

in het jaar 1986 zijn vernietigd.

5.3 Ter zitting van de rechtbank op 31 maart 2000 heeft dhr. A.M. Kassenaar – zakelijk samengevat – het volgende verklaard:

Een adresonderzoek vindt plaats als de gemeente signalen krijgt dat een persoon die op een bepaald adres staat ingeschreven, zich aldaar niet langer bevindt. Deze signalen kunnen er uit bestaan dat een nieuwe bewoner van het adres

zich meldt of een overheidsinstantie doorgeeft dat de betreffende persoon niet meer op het adres is te bereiken.

Een dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd door een speciale afdeling van het Register Amsterdam. Het onderzoek kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Doorgaans wordt de betreffende persoon eerst aangeschreven. Indien hier

geen reactie op komt, wordt er contact opgenomen met familieleden – familierelaties zijn vastgelegd in het Register – of bijvoorbeeld een uitkeringsinstantie. Er wordt geen informatie ingewonnen bij de buren van het adres. Wel wordt

aan nieuwe bewoners gevraagd of bij hen bekend is waar de vorige bewoner naar toe is gegaan. Van de bevindingen van een dergelijk onderzoek wordt een rapport gemaakt.

Indien bekend was naar welk land een persoon was vertrokken, werd dit destijds, ingevolge artikel 78 van het Besluit bevolkingsboeking, vermeld in het Register. Indien dit niet bekend was werd ingevolge artikel 79 van dit besluit

vermeld: “vertrokken onbekend waarheen”.

De enkele vermelding in het Register “vertrokken naar Marokko” in de onderhavige zaak, geeft geen uitsluitsel over de vraag of eiser zelf heeft laten weten te vertrekken naar Marokko dan wel dat anderszins is gebleken dat hij naar

dit land is vertrokken. Als uit onderzoek of mededelingen van – bijvoorbeeld – de nieuwe bewoner blijkt dat een bepaalde persoon kennelijk is vertrokken naar een bepaald land, dan wordt dit als zodanig in het Register vermeld. Het

is dus mogelijk dat iemand, ondanks dat hij dat niet persoonlijk heeft meegedeeld, wordt uitgeschreven als zijnde vertrokken naar een bepaald land. Het komt wel eens voor dat later blijkt dat een persoon ten onrechte als zodanig is

uitgeschreven.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw wordt een vergunning tot vestiging ingetrokken indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland vestigt. Het door verweerder ter zake gevoerde beleid is neergelegd in

hoofdstuk A 4 onder 7.6.2. van de Vc. In dit hoofdstuk is – voor zover hier relevant – het volgende bepaald:

Een vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf in Nederland, wanneer hij duurzaam in Nederland verblijft. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de vreemdeling is ingeschreven in het bevolkingsregister van een Nederlandse gemeente of

in Nederland een adres heeft waar hij geregeld kan worden aangetroffen.

Indien de houder van een vergunning tot vestiging zijn hoofdverblijf buiten Nederland vestigt - ongeacht de duur van zijn afwezigheid uit Nederland -, wordt zijn vergunning ingetrokken.

Voor de vaststelling dat een vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de wil van de vreemdeling, voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen.

Indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf zijn bijvoorbeeld:

- uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie;

- mededeling aan de korpschef van vertrek naar het buitenland;

- het nemen van ontslag of bedrijfsbeëindiging;

- het opzeggen van een bank- of girorekening;

- gebruikmaking van remigratiefaciliteiten;

- afmelding bij de belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;

- GAK-uitkeringen aan woonadres in het buitenland;

- afkoop van pensioenrechten; en

- ontruiming van de woning en het over de grens brengen van de inboedel.

Bij een onafgebroken verblijf buiten Nederland van meer dan negen maanden binnen een tijdvak van een jaar, wordt aangenomen dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf elders heeft, ongeacht de wil van de vreemdeling.

7. De rechtbank stelt voorop dat het intrekken van een vergunning tot vestiging een maatregel is waartoe – gezien de aard van deze verblijfstitel – niet licht dient te worden overgegaan. Dit geldt in het onderhavige geval destemeer,

nu eiser reeds sedert 16 april 1974 in het bezit is geweest van deze vergunning tot vestiging. Voorts is door verweerder niet weersproken dat eiser reeds sedert 1968 hier te lande verblijft. Het is aan verweerder om aannemelijk te

maken dat eiser daadwerkelijk zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Verweerder is hier niet in geslaagd.

8. Het uittreksel uit het Register kan – nog daargelaten de omstandigheid dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit niet over dit uittreksel beschikte – verweerders stelling dat eiser meer dan negen maanden binnen een

tijdvak van een jaar buiten Nederland heeft verbleven niet dragen. Uit de verklaringen van dhr. Kassenaar ter zitting van de rechtbank op 31 maart 2000 is gebleken dat de vermelding in het Register “Vertrokken naar Marokko” niet

noodzakelijkerwijs betekent dat eiser in persoon bij het Register heeft meegedeeld naar dit land te zullen vertrekken. Evenzeer kan de vermelding het gevolg zijn geweest van eigen onderzoek van het Register waaruit is gebleken dat

eiser kennelijk naar Marokko zou zijn vertrokken. Het is niet onmogelijk – zo verklaarde de getuige – dat een dergelijke vermelding achteraf onjuist blijkt te zijn. Thans is niet meer na te gaan op welke gronden de vermelding

destijds in het Register is opgenomen aangezien de relevante gegevens inmiddels zijn vernietigd. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat eiser destijds ten onrechte is uitgeschreven.

9. Ook overigens zijn er onvoldoende indicaties voor de vaststelling dat eiser tussen 1 augustus 1986 en 5 januari 1993 niet zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad. Niet is gebleken – zoals ingevolge het beleid vereist – van

gedragingen van eiser waaruit de wil om zijn hoofdverblijf te verplaatsen kan worden afgeleid. De door verweerder genoemde omstandigheden, eiser had geen werkkring, genoot geen uitkering en was niet ingeschreven in het Ziekenfonds,

kunnen noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel leiden dat bij eiser de wil bestond om zijn hoofdverblijf te verplaatsen. Eiser heeft gesteld in deze periode in Nederland bij zijn broer te hebben

verbleven en door hem te zijn onderhouden. De enkele omstandigheid dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van (overheids)voorzieningen, leidt niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat hij niet hier te lande heeft verbleven.

10. Gelet op het vooroverwogene is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient – wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb bepaalde – te worden vernietigd.

11. Er is aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot

op f 1.775,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

12. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad f 210,- (zegge: tweehonderdentien gulden);

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op f 1.775,- (zegge: zeventienhonderdvijfenzeventig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 20 september 2000, door mr. C.P.E. Meewisse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, griffier.

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op: 14 november 2000

Conc: AD / JW

Coll:

Bp: -

D: B