Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9291

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/3578
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / getuigenverklaringen.

Verzoeker heeft in de bezwaarfase - aanmerkelijk - meer bewijs naar voren gebracht ten aanzien van zijn stelling dat hij al sinds 1 januari 1992 in Nederland verblijft dan in de periode die is afgesloten met het primaire besluit. Naar het oordeel van de president kan voorshands niet worden uitgesloten dat verzoeker op grond van deze, en mogelijk nog in de verdere bezwaarfase volgende, bewijsstukken zijn verblijf in Nederland gedurende de vereiste periode aannemelijk weet te maken. Verweerder zal de in het geding gebrachte bewijsstukken in een zorgvuldige afweging, in onderlinge samenhang bezien, moeten betrekken. Daarbij overweegt de president dat verweerder de door verzoeker overgelegde getuigenverklaringen ieder op hun eigen merites zal moeten beoordelen zonder deze bij voorbaat, zoals in het primaire besluit is gedaan, reeds in die zin te devalueren dat zij geen zelfstandige bewijskracht hebben doch slechts kunnen dienen ter meerdere zekerheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

president

Uitspraak

artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr : AWB 00/3578 VRWET A V1

inzake : A te B, verzoeker,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Verzoeker, geboren op [...] 1966, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Op

16 november 1999 heeft verzoeker een aanvraag verlening van een vergunning tot verblijf ingediend in het kader van de tijdelijke regeling witte illegalen, zoals neergelegd in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (verder:

TBV 1999/23). Bij brieven van

23 november 1999, 11 januari 2000 en 1 mei 2000 heeft verzoeker de aanvraag nader onderbouwd. Bij besluit van 15 mei 2000 heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist. Tevens heeft verweerder bericht dat verzoeker de

behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker moet er dan ook rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 29

mei 2000 en zijn standpunt nog nader onderbouwd bij aanvullend bezwaarschrift en brief van respectievelijk 14 en 21 juni 2000.

2. Bij verzoekschrift van 25 mei 2000 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist.

Verzoeker heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 21 juni 2000. De op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder zijn op 23 juni 2000 ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 25 juli 2000 heeft

verweerder geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2000. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. I.N. Wildschut, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.

S.H.J.M. Roelofs, gemachtigde, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt dat het verweerder zal worden verboden verzoeker uit Nederland te verwijderen tot op bezwaar is beslist. Dit is het geval

indien het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering van beslissing niet opweegt tegen het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening. De beslissing de uitzetting niet achterwege te laten is evenzeer onrechtmatig

indien die beslissing in strijd is met verdragsbepalingen of andere rechtsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaronder begrepen. In het bijzonder is die beslissing ingevolge artikel 32, eerste lid onder b, van de

Vw onrechtmatig indien er aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bezwaar tegen het besluit dat strekt tot weigering van de toelating, een redelijke kans van slagen heeft.

2. Het in dit kader gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de uitzettingsbeslissing is niet bindend in de bodemprocedure.

3. De president gaat uit van de volgende feiten. Uit het historisch uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie Amsterdam blijkt dat verzoeker sinds 20 september 1990 ingeschreven stond en dat hij op 18 februari 1992

uitgeschreven is met de aantekening ‘vertrokken naar onbekend’.

4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij aanspraak kan maken op verlening van een vergunning tot verblijf op grond van TBV 1999/23. Verzoeker is weliswaar op 18 februari 1992 uitgeschreven met de aantekening ‘vertrokken naar

onbekend’, dit kwam echter doordat zijn oom, bij wie hij inwoonde, verhuisde. Verzoeker heeft wel degelijk sinds zijn aankomst in Nederland onafgebroken in Nederland verbleven. Als bewijs van de stelling dat hij reeds voor 1 januari

1992 in Nederland verbleef heeft verzoeker een kopie van een uitgifte van een sofi-nummer in 1990 overgelegd. Tevens heeft verzoeker een kopie van zijn paspoort overgelegd. Aangaande verzoekers verblijf in Nederland zijn de volgende

verklaringen overgelegd. De broer van verzoeker heeft in een schrijven van 29 november 1999 verklaard dat verzoeker van 1992 tot en met 1997 bij hem heeft gewoond en dat hij verzoeker altijd financieel heeft gesteund. De Stichting C

heeft in een verklaring van 26 november 1999 aangegeven dat verzoeker van 15 augustus 1991 tot en met 30 juni 1999 vrijwilliger was en actief bij de Oudercommissie als leerkracht. Een kinderwerkster van Kinderwerk D heeft bij

schrijven van 25 november 1999 verklaard dat verzoeker van 17 augustus 1999 tot en met 2 september 1999 als vrijwilliger heeft meegewerkt aan zomervakantieactiviteiten. De bestuurscommissie van Stichting E heeft tenslotte bij

ongedateerd schrijven verklaard dat verzoeker vanaf september 1999 als vrijwilliger bij hen werkzaam is. In bezwaar heeft verzoeker een verklaring van de Faculteit der Geesteswetenschappen overgelegd waarin staat vermeld dat hij in

1988 en van 1990 tot en met 1993 lid is geweest van de Mediatheek van het Media Centrum Letteren van de Universiteit van Amsterdam. Van diezelfde faculteit heeft verzoeker een verklaring overgelegd waarin staat aangegeven dat hij in

september 1990 begonnen is met de cursus Nederlands voor toekomstige studenten van de Universiteit van Amsterdam. Ten slotte heeft verzoeker een schrijven van 19 mei 2000 van de Stichting F overgelegd waarin wordt verklaard dat

verzoeker vanaf 1992 regelmatig vrijwilligerswerk verricht heeft tijdens culturele activiteiten van de stichting. Vanaf de opening van het cultureel centrum tot op de datum van het schrijven kon de stichting vrijwel iedere

zaterdagavond op verzoeker rekenen.

Verzoeker stelt voorts dat zijn langdurig verblijf tevens wordt aangetoond door zijn goede beheersing van de Nederlandse taal. Voorts erkent verweerder in zijn beschikking van

15 mei 2000 dat verzoeker ‘thans slechts negen jaren in Nederland verblijft’. Eiser wijst erop dat hij negen jaar aanzienlijk acht, mede gezien zijn leeftijd en zijn volledige integratie in de Nederlandse samenleving, terwijl hij

het contact met Marokko verloren heeft.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker geen geslaagd beroep kan doen op

TBV 1999/23. Verzoeker heeft immers niet aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats in Nederland moet hebben gehad. Uit het uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie

Amsterdam blijkt dat verzoeker sinds 20 september 1990 stond ingeschreven en dat hij per 18 februari 1992 als vertrokken naar onbekend geregistreerd staat. Vanaf 18 februari 1992, de datum waarop verzoeker werd uitgeschreven uit de

gemeentelijke basisadministratie dient hij de stelling dat er geen sprake is van onderbroken verblijf onderbouwen met bewijzen afkomstig uit objectieve en verifieerbare bron. Met de bij bezwaarschrift van 29 mei 2000, en bij brieven

van 31 mei en 21 juni 2000 overgelegde stukken heeft verzoeker nog niet aangetoond in de periode na juni 1994 ononderbroken verblijf te hebben gehad. Van verzoeker, die stelt ook na

18 december 1996 onafgebroken in Nederland te hebben verbleven, mag in alle redelijkheid worden verwacht dat hij een dergelijk verblijf door middel van stukken uit een objectieve en verifieerbare bron kan aantonen. Verzoeker heeft

dit nagelaten. Voorts kan aan de hand van het feit dat verzoeker de Nederlandse taal machtig is niet vastgesteld worden dat hij vanaf 1 januari 1992 onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Tenslotte merkt verweerder op dat met

door verzoeker met name in de aanvraagfase overgelegde getuigenverklaringen slechts louter ter meerdere zekerheid kunnen dienen. Nu niet aan de hand van bewijzen uit objectieve en verifieerbare bron is aangetoond dat verzoeker in

voornoemde periode hier te lande verbleef kan met deze getuigenverklaringen geen genoegen worden genomen. Ook is er geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die desondanks nopen tot verblijfsaanvaarding in het kader van

klemmende redenen van humanitaire aard. De door verzoeker aangevoerde volledige integratie in de Nederlandse samenleving kan niet gelden als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. Bovendien zijn het verblijf van langere duur

van verzoeker in Nederland en de daarmee algemeen gepaard gaande inburgering omstandigheden die al zijn meegewogen in de tijdelijke regeling witte illegalen.

De president overweegt het volgende.

6. Ingevolge artikel 11 lid 5 van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

7. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

8. Met ingang van 1 januari 1998 is het witte-illegalenbeleid beëindigd. Bij brief van

1 februari 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer bericht dat bij aanvragen om verlening van een vergunning tot verblijf door langdurig illegalen, ingediend na 1 januari 1998, wordt getoetst of sprake is van

dermate bijzondere omstandigheden dat toelating op grond van klemmende redenen is geïndiceerd. De Staatssecretaris heeft aangegeven hiermee het oog te hebben op een samenstel van bijzondere factoren als een zeer lange verblijfsduur,

medische factoren, gezinsomstandigheden en overige klemmende redenen van humanitaire aard. De Staatssecretaris heeft nadien besloten om zich bij de beoordeling daarvan onder voorwaarden terzijde te laten staan door een commissie van

de burgemeesters van de vier grote steden; Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Bij TBV 1999/23 zijn de voorwaarden daartoe bekend gemaakt. Voorwaarde 2 luidt: de vreemdeling moet aantonen dat hij vanaf 1 januari 1992

ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland. In de toelichting op de voorwaarde is aangegeven dat de betrokkene hiertoe een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente van zijn woon- of verblijfplaats

kan overleggen.

9. Verzoeker heeft in de bezwaarfase – aanmerkelijk – meer bewijs naar voren gebracht ten aanzien van zijn stelling dat hij al sinds 1 januari 1992 in Nederland verblijft dan in de periode die is afgesloten met het primaire besluit.

Naar het oordeel van de president kan voorshands niet worden uitgesloten dat verzoeker op grond van deze, en mogelijk nog in de verdere bezwaarfase volgende, bewijsstukken zijn verblijf in Nederland gedurende de vereiste periode

aannemelijk weet te maken. Verweerder zal de in het geding gebrachte bewijsstukken in een zorgvuldige afweging, in onderlinge samenhang bezien, moeten betrekken. Daarbij overweegt de president dat verweerder de door verzoeker

overgelegde getuigenverklaringen ieder op hun eigen merites zal moeten beoordelen zonder deze bij voorbaat, zoals in het primaire besluit is gedaan, reeds in die zin te devalueren dat zij geen zelfstandige bewijskracht hebben doch

slechts kunnen dienen ter meerdere zekerheid.

10. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening prevaleert boven dat van verweerder bij onmiddellijke uitzetting zodat het verzoek om een voorlopige voorziening dient

te worden toegewezen.

11. De president acht geen termen aanwezig om, met toepassing van artikel 33b van de Vw, tevens over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating te beslissen.

12. Gelet op de voorgaande overwegingen is er aanleiding om verweerder als (gedeeltelijk) in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op ƒ 1.420,= als kosten

van verleende rechtsbijstand. Onder de gegeven omstandigheden is er tevens aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:82, vierde lid van de Awb waarin is bepaald dat de uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht geheel

of gedeeltelijk wordt vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de president.

III. BESLISSING

De president

1. wijst het verzoek toe in die zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit Nederland te (doen) verwijderen zolang nog niet is beslist op het bezwaar;

2. veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoeker begroot op ƒ 1.420,= (zegge veertienhonderdentwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

3. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,= (zegge tweehonderenvijfentwintig gulden).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 26 september 2000

door mr. D. Radder, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. B. Zevenhuizen, griffier. De griffier was verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc: BZ

Coll:

Bp: -

D: B