Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9287

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/4150
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / wijziging verblijfsdoel.

Wijzing grondslag aanvraag. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat thans sprake is van een nieuwe aanvraag. Daartoe is redengevend dat het doel waarom een vreemdeling hier te lande om een vergunning tot verblijf verzoekt een integraal deel uitmaakt van die aanvraag en derhalve niet los daarvan gezien kan worden. De consequentie daarvan is dat indien een vreemdeling zijn verblijfsdoel wil wijzigen hij een nieuwe aanvraag voor dat specifieke verblijfsdoel moet indienen. Dit doet zich hier voor nu de aanvraag van 30 november 1999 een ander verblijfdsoel betreft dan de aanvraag van 12 november 1998. Nu eisers aanvraag van 30 november 1999 als een nieuwe aanvraag moet worden beschouwd, die dateert van na de inwerkingtreding van het wettelijk mvv-vereiste, staat geen rechtsregel verweerder eraan in de weg het mvv-vereiste te stellen.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/4150 VRWET

inzake : A, wonende te B, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op (...) 1968, bezit de Turkse nationaliteit. Op 30 november 1999 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf. Bij besluit van

18 januari 2000 heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 1 februari 2000, aangevuld bij brief van

21 februari 2000. Dit bezwaar is bij besluit van 26 mei 2000 ongegrond verklaard. Het besluit is bij brief van diezelfde datum aan de gemachtigde van eiser gezonden.

2. Bij beroepschrift van 19 juni 2000 heeft eiser tegen dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 27 juli 2000 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het

verweerschrift van 8 september 2000 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat te Zevenbergen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen

door gemachtigde

mr. H.M. Schaak, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig C, echtgenote van eiser.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser verblijft -naar hij stelt- sedert 10 augustus 1991 als vreemdeling in de zin van de Vw in Nederland. Op 12 november 1998 heeft hij bij de

korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 16 februari 1999 heeft verweerder hierop afwijzend

beslist. Eiser heeft tegen dit besluit bij bezwaarschrift van 15 maart 1999, aangevuld bij brief van 24 maart 1999, bezwaar gemaakt. Tot op heden heeft verweerder nog niet op het bezwaar beslist.

Op 1 oktober 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating ingediend in het kader van de Tijdelijke regeling witte illegalen (TBV 1999/23; hierna: Tijdelijke regeling). Bij besluit van 15 mei 2000 heeft verweerder hierop afwijzend

beslist. Bij bezwaarschrift van 29 mei 2000, aangevuld bij brief van 13 juni 2000, heeft eiser tegen dit afwijzende besluit bezwaar gemaakt. Deze procedure is thans (ook) nog niet afgerond.

Eisers onderhavige aanvraag betreft een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel: "verblijf bij echtgenote C".

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanvraag op goede gronden buiten behandeling is gesteld. Daartoe heeft verweerder het navolgende aangevoerd. Eiser beschikt niet over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf

(mvv). Eiser heeft weliswaar een beroep gedaan op de hardheidsclausule, maar dit beroep dient te falen. Zo heeft eiser aangevoerd dat hij thans hier te lande werkzaam is en dat hij dit werk zal verliezen als hij naar Turkije moet

terugkeren om aldaar een mvv aan te vragen. Nu eiser evenwel illegaal werkzaam is, kan dit nimmer leiden tot een gegrond beroep op de hardheidsclausule. Eisers stelling dat in het kader van de onderhavige procedure het resultaat van

zijn procedure in het kader van de Tijdelijke regeling van relevantie is, wordt verworpen. Deze andere procedure staat een beoordeling van de hardheidsclausule niet in de weg.

4. Eiser meent dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat in het geval een beroep gedaan wordt op de hardheidsclausule, de aanvraag inhoudelijk beoordeeld dient te

worden en niet volstaan kan worden met de redenering dat eiser geen mvv heeft. Bovendien had verweerder, anticiperend op de nieuwe vreemdelingenwet, de aanvraag eveneens inhoudelijk dienen te beoordelen en niet buiten behandeling

kunnen stellen.

5. In het verweerschrift handhaaft verweerder zijn stellingen en voert voorts nog het navolgende aan.

Het bestreden besluit is met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 4:5 van de Awb tot stand gekomen. In het onderhavige geval is eiser op 18 januari 2000 de gelegenheid geboden zijn aanvraag om toelating aan te vullen. Hij

heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen is binnen vier weken, te weten op 18 januari (de rechtbank begrijpt: 2000), nadat de gestelde termijn ongebruikt was verstreken, aan eiser

bekend geworden.

De weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de

mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6. Ter zitting heeft eiser nog het navolgende naar voren gebracht.

Eiser doet een beroep op de uitspraak van 12 juli 2000 van de president van deze rechtbank en nevenzittingsplaats inzake D (AWB 00/1965 VRWET) waarin de president de buiten behandeling stelling van de aanvraag niet heeft

geaccepteerd. Reeds om die reden dient het beroep gegrond te worden verklaard.

De aanvraag van 30 november 1999 dient niet beschouwd te worden als een nieuwe aanvraag, maar veeleer als een wijziging van de grondslag van eisers aanvraag van 12 november 1998. Op die datum heeft hij een aanvraag om verlening van

een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard ingediend en daarop is tot op heden in bezwaar niet beslist. Het is begrijpelijk dat als eiser in de tussentijd zijn huidige partner leert kennen en

verweerder zo lange tijd nodig heeft om op zijn aanvraag te beslissen eiser de grondslag van zijn aanvraag wil wijzigen. Dat hij daarbij de bezwaarfase overslaat, neemt eiser voor lief. Derhalve is geen sprake van een nieuwe

aanvraag en kan het mvv-vereiste niet aan eiser worden tegengeworpen omdat dat ten tijde van zijn eerste aanvraag niet gold.

7. Verweerder heeft ter zitting nog het navolgende aangevoerd.

Er is in het onderhavige geval sprake van een nieuwe aanvraag nu eiser duidelijk een ander verblijfsdoel voor ogen heeft. Als eiser de grondslag van aanvraag wil wijzigen dan moet hij een nieuwe aanvraag indienen. Weliswaar is eiser

verwikkeld in een procedure krachtens de Tijdelijke regeling, maar dat staat aan toepassing van het mvv-vereiste niet in de weg nu die procedure en de onderhavige aparte procedures zijn. Verweerder hoefde deze zaak niet inhoudelijk

te beoordelen omdat het mvv-vereiste aan eiser mocht worden tegengeworpen. Hoewel eiser bij wijziging van de grondslag het missen van de bezwaarfase voor lief neemt, heeft verweerder bezwaar tegen die gang van zaken. Op die wijze

zou eiser de voorschriften voor het indienen van een aanvraag -zoals het bezit van een mvv en het betalen van leges- kunnen ontwijken.

De rechtbank overweegt het volgende.

8. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

9. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel klemmende

redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc).

10. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan verweerder, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijke voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden

onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door verweerder gestelde (redelijke)

termijn de aanvraag aan te vullen.

11. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag om toelating slechts in behandeling genomen indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd en aan hem is verstrekt in het land van

herkomst of bestendig verblijf.

Artikel 16a, derde lid, van de Vw, alsmede artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit (Vb), bevat een aantal categorieën vreemdelingen die van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. In artikel 16a, zesde lid, van de Vw is ten slotte

bepaald dat verweerder in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van de aanvraag kan afzien van het mvv-vereiste.

12. Ter zitting heeft eiser zich - onder verwijzing naar de uitspraak van 12 juli 2000 van de president van deze rechtbank en nevenzittingsplaats inzake D (AWB 00/1965 VRWET) - primair op het standpunt gesteld dat buiten behandeling

stelling wegens het niet beschikken over een mvv in de onderhavige casus niet mogelijk is, nu eiser tevens een aanvraag in het kader van de Tijdelijke regeling heeft ingediend.

13. Het (impliciete) beroep van eiser op TBV 2000/14 kan evenwel niet slagen. Daartoe is redengevend dat -zoals ook uit zowel de tekst van die TBV als uit rechtsoverweging 10 van de uitspraak van de president blijkt- door de

wetgever bij het tot stand brengen van die TBV is bedoeld dat het mvv-vereiste (slechts) niet aan een vreemdeling tegengeworpen mag worden in zijn procedure inzake de Tijdelijke regeling. Nu de onderhavige aanvraag strekt tot

verlening van een vergunning tot verblijf voor verblijf bij C is sprake van een andere procedure met een ander verblijfsdoel. In die procedure staat geen rechtsregel verweerder eraan in de weg het mvv-vereiste te stellen.

Het betoog van eiser faalt derhalve.

14. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder de onderhavige aanvraag ten onrechte heeft opgevat als een nieuwe aanvraag nu (veeleer) sprake is van een wijziging van de grondslag van de aanvraag van 12 november 1998, waarop door

verweerder thans nog niet is beslist. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat verweerder het mvv-vereiste niet aan eiser zou mogen tegenwerpen nu diens aanvraag van 12 november 1998 dateert van voor de inwerkingtreding van het

wettelijk mvv-vereiste en de onderhavige aanvraag niets anders behelst dan het wijzigen van de grondslag van die aanvraag.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het navolgende.

15. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat thans sprake is van een nieuwe aanvraag. Daartoe is redengevend dat het doel waarom een vreemdeling hier te lande om een vergunning tot verblijf verzoekt een integraal deel

uitmaakt van die aanvraag en derhalve niet los daarvan gezien kan worden. De consequentie daarvan is dat indien een vreemdeling zijn verblijfsdoel wil wijzigen hij een nieuwe aanvraag voor dat specifieke verblijfsdoel moet indienen.

Dit doet zich hier voor nu de aanvraag van 30 november 1999 een ander verblijfsdoel betreft dan de aanvraag van 12 november 1998. Nu eisers aanvraag van 30 november 1999 als een nieuwe aanvraag moet worden beschouwd, die dateert van

na de inwerkingtreding van het wettelijk mvv-vereiste, staat geen rechtsregel verweerder eraan in de weg het mvv-vereiste te stellen.

16. Ten overvloede merkt de rechtbank nog het navolgende op.

Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij zich niet in zijn belangen geschaad acht indien verweerder de onderhavige aanvraag zou opvatten als een wijziging van de grondslag van zijn oude aanvraag van 12 november 1998, ook al

bevindt die oude aanvraag zich nog in de bezwaarfase en zou eisers standpunt er toe leiden dat eiser van een inhoudelijke behandeling in bezwaar van zijn gewijzigde grondslag beroofd wordt. De rechtbank vat dit betoog aldus op dat

eiser zich op het standpunt stelt dat niets verweerder ervan weerhoudt de onderhavige aanvraag aan te merken als een wijziging van de grondslag van eisers aanvraag van 12 november 1998.

Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat eiser hierin niet gevolgd kan worden. Bij een dergelijke handelwijze zou immers een vreemdeling die een aanvraag om toelating heeft ingediend waarop nog niet in bezwaar is

beslist steeds zijn verblijfsdoel kunnen wijzigen zonder dat daarbij de noodzakelijke voorwaarden voor het indienen van een aanvraag -zoals het betalen van leges- (steeds) in acht worden genomen. Zulks acht de rechtbank in strijd

met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de Vw en ook overigens in strijd met de bedoeling van de wetgever. Hieraan kan niet afdoen dat het beslissen op het bezwaar inzake de aanvraag van 12 november 1998 nog niet is geschied

aangezien daartegen afzonderlijke rechtsmiddelen openstaan.

17. Ook eisers stelling dat verweerder zijn beroep op de hardheidsclausule inhoudelijk had dienen te beoordelen en om die reden zijn aanvraag niet buiten behandeling had mogen stellen, faalt.

Daartoe is redengevend dat artikel 4:5 van de Awb weliswaar het bestuursorgaan de vrijheid laat tot buiten behandeling stelling over te gaan in geval van een onvolledige aanvraag, maar dat artikel 16a, eerste lid, van de Vw -dat in

deze procedure als lex specialis ten opzichte van de Awb dient te gelden- die vrijheid niet laat en uitdrukkelijk bepaalt dat een aanvraag om toelating slechts in behandeling wordt genomen indien de vreemdeling beschikt over een

geldige mvv. Nu vast staat dat eiser niet over die mvv beschikte kon verweerder derhalve niet anders dan de aanvraag buiten behandeling stellen.

18. Voorzover eiser zich tenslotte op het standpunt stelt dat verweerder in anticipatie op de nieuwe vreemdelingenwet niet tot buiten behandeling stelling had mogen besluiten, overweegt de rechtbank dat dit betoog -wat er verder ook

van zij- onvoldoende onderbouwd is en reeds om die reden faalt.

19. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld diende te worden wegens het ontbreken van een geldige mvv.

20. Evenmin is gebleken dat eiser aan enige andere door verweerder gehanteerde beleidsregel aanspraak op toelating kan ontlenen.

21. Niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard dat verweerder op grond daarvan aan eiser verblijf hier te lande had moeten toestaan.

22. De conclusie is dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

Voorts is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

23. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

24. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2000, door mr. F. Salomon, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P. Zweedijk, griffier.

Afschrift verzonden op: 14 november 2000

Conc.: PZ

Coll:

Bp:

D: B

110497