Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9283

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/64029
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / presentatie / zicht op uitzetting.

Eiser is tijdens zijn strafrechtlelijke detentie gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Uitgaande van de presentatiedatum is eiser van mening dat inmiddels meer dan zes maanden verstreken zijn en dat er daardoor geen zicht meer op uitzetting bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding eiser te volgen in zijn standpunt dat de zesmaandentermijn moet gaan lopen vanaf het moment dat eiser is gepresenteerd. Deze termijn is immers uitdrukkelijk gekoppeld aan de duur van de bewaring. Wel kan het tijdstip van de presentatie, en de tijdsduur die sindsdien is verstreken, van belang zijn voor de vraag of er zicht is op uitzetting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:70
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 34a van de Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/64029 VRWET

inzake : A, van (gestelde) Marokkaanse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 31 mei 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op dezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.

Eerdere beroepschriften van eiser, strekkende tot opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel, zijn bij uitspraken van 28 juni 2000 en 29 september 2000 door deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 28 september 2000 heeft mr. E. Akkermans, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning

van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 10 oktober 2000. Eiser is vertegenwoordigd door

mr. E. Akkermans, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. B. Magnin, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser is in januari 2000, tijdens zijn strafrechtelijke detentie, gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Er is nog steeds geen laissez-passer verstrekt. Uitgaande

van de presentatiedatum zijn inmiddels al meer dan zes maanden verstreken. Derhalve kan niet worden gezegd dat thans nog zicht op uitzetting van eiser bestaat.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiser bevindt zich vier en een halve maand in bewaring. Er wordt wekelijks mondeling geïnformeerd naar de stand van het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten. Er

bestaat nog immer zicht op verwijdering van eiser, nu de ervaring heeft uitgewezen dat het niet ongebruikelijk is dat de Marokkaanse autoriteiten eerst na verloop van 10 à 11 maanden een laissez-passer verstrekken. Eiser is

ongewenst verklaard zodat er een groot belang bestaat bij uitzetting van eiser. Op grond van het vorenstaande is verweerder van oordeel dat de bewaring niet opgeheven dient te worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Onderhavig beroep is het derde beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortduring van de bewaring bij afweging van de wederzijdse belangen in redelijkheid

gerechtvaardigd is te achten.

In navolging van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 21 augustus 1997 (AWB 97/4847) is de rechtbank van oordeel dat na zes maanden bewaring het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld in

het algemeen zwaarder zal wegen dan dat van verweerder bij voortzetting van de bewaring. Thans zijn vier en een halve maand verstreken, zodat dit omslagpunt nog niet is bereikt. De rechtbank ziet geen aanleiding eiser te volgen in

zijn standpunt dat de zesmaandentermijn moet gaan lopen vanaf het moment dat eiser is gepresenteerd. Deze termijn is immers uitdrukkelijk gekoppeld aan de duur van de bewaring. Wel kan het tijdstip van de presentatie, en de

tijdsduur die sindsdien is verstreken, van belang zijn voor de vraag of er nog zicht is op uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank is van dit laatste nog steeds sprake nu de Marokkaanse autoriteiten niet hebben aangegeven dat

ten aanzien van eiser geen laissez-passer zal worden verstrekt, en het niet ongebruikelijk is dat deze ook nog na 10 à 11 maanden wordt afgegeven.

Niet is gebleken dat verweerder de uitzetting van eiser met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt.

De rechtbank concludeert dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt

het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 34j Vw of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Radder, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2000, in tegenwoordigheid van mr. I.G.M. Servais-Picord, griffier.

Afschrift verzonden op: 13 november 2000

Conc.: ISP

Coll:

Bp:-

D:B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.