Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9281

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
AWB 00/64830
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de WAV heeft een gezamenlijke controle van de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie en de Vreemdelingendienst plaatsgevonden. Als er kennelijk sprake is van een gecoördineerde actie van de zijde van meerdere toezichthouders moet er vooralsnog vanuit worden gegaan dat deze toezichthouders van hun bevoegdheid tot controle gebruik hebben gemaakt voor zover dat redelijkerwijs voor de invulling van hun taken nodig is geweest. Een nadere adstruering van de reden van de WAV-controle is dan niet noodzakelijk.

Terecht kon worden vastgesteld dat eiser in het bedrijf werkzaamheden verrichtte.

Verweerder heeft de piketcentrale tijdig op de hoogte gebracht van de voorgenomen inbewaringstelling van eiser. Verweerder is derhalve niet tekort geschoten in zijn taak ex art.82, vierde lid, Vb om ervoor te zorgen dat een vreemdeling - desgevraagd - bij zijn verhoor wordt bijgestaan door een advocaat.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr.: AWB 00/64830 VRWET

inzake : A, van gestelde Sierraleoonse nationaliteit, verblijvende in het Justitieel Complex Koning Willem II te Tilburg, eiser,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij bevel tot bewaring van 5 oktober 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op dezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven.

Bij beroepschrift van 5 oktober 2000 heeft mr. J.M.R. Maas, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning van

schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 17 oktober 2000. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. O.O. van der Lee, kantoorgenoot van mr. Maas, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen

door gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. Tevens was ter zitting aanwezig P.J. Kuiper, tolk in de Engelse taal.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

De staandehouding is onrechtmatig geschied, nu uit het dossier niet blijkt dat er voor een controle op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) aanleiding bestond en eiser daarnaast niet werkend werd aangetroffen. Verder is eiser

gehoord zonder aanwezigheid van een advocaat, ondanks het feit dat eiser had verzocht om rechtsbijstand.

Verweerder heeft -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Aan alle formele en materiële vereisten voor de inbewaringstelling is voldaan. Er was sprake van een gezamenlijke controle van de Arbeidsinspectie, de belastingdienst en de vreemdelingendienst. Uit het dossier blijkt dat eiser

kennelijk in het pand was om te werken, terwijl hij desgevraagd dat ook bevestigde. Eiser is zonder aanwezigheid van een advocaat gehoord, nadat tijdig een piketmelding had plaatsgevonden. Een aanvraag om een laissez-passer bij de

Sierraleoonse autoriteiten is in voorbereiding.

De rechtbank overweegt het volgende.

Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 7 oktober 2000 heeft op 5 oktober 2000 bij het bedrijf Sertex Fashion Service b.v. te B een gezamenlijke controle van de Belastingdienst, de Arbeidsinspectie en de

Vreemdelingendienst plaats gevonden op grond van de Wav. Nu er kennelijk sprake was van een gecoördineerde actie van de zijde van meerdere toezichthouders is de rechtbank van oordeel dat er vooralsnog van moet worden uitgegaan dat

deze toezichthouders van hun bevoegdheid tot controle gebruik hebben gemaakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taken nodig is geweest. Anders dan eiser heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat in een

dergelijk geval een nadere adstruering van de reden van de controle niet noodzakelijk moet worden geacht. Niet is gebleken dat de betreffende toezichthouders geen juist gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheden.

In voornoemd proces-verbaal heeft verbalisant het volgende gerelateerd:

"Ik, verbalisant, zag dat er op dat moment 1 man in het bedrijf, op de begane grond, aan het werk was. Vanuit de hal, nabij de grote toegangsdeur, hoorde ik boven een geroezemoes van stemmen. Ik, verbalisant, liep de trap op naar

boven. Terwijl ik de trap opliep ging er een harde zoemer over in het bedrijf. Op datzelfde moment zag ik, verbalisant, dat er vijf mannen vanuit de kantine de trap afgingen naar beneden. Kennelijk was het afgaan van de zoemer

bedoeld om het einde van de pauze aan te kondigen. Ik zag dat de mannen in de richting van het bedrijf op de begane grond liepen, kennelijk met de bedoeling om weer aan het werk te gaan. Op mijn vraag of zij in dit bedrijf aan het

werk waren, antwoordden zij allen bevestigend."

De rechtbank is van oordeel dat op grond van hetgeen in bovengenoemd proces-verbaal is gerelateerd terecht kon worden vastgesteld dat eiser in het betreffende bedrijf werkzaamheden verrichtte.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de staandehouding van eiser onrechtmatig is geweest.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, zijn identiteit en nationaliteit niet vaststaan, hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats hier te lande noch over voldoende

middelen van bestaan en dat zijn uitzetting is gelast. De rechtbank is van oordeel dat verweerders standpunt dat aannemelijk is dat eiser zich aan de uitzetting zal onttrekken niet ongegrond is.

Uit het dossier blijkt dat op 5 oktober 2000 een tweetal faxen zijn gezonden aan de piketcentrale, namelijk om 12.25 uur en om 14.03 uur, waarbij in de laatste melding werd gemaakt van het voornemen om eiser om 16.00 uur in bewaring

te stellen. Toen binnen twee uur na de laatste melding zich geen advocaat had gemeld is besloten om eiser buiten aanwezigheid van een advocaat te horen, hetgeen om 16.07 uur geschiedde. Eiser is vervolgens om 16.15 uur in bewaring

gesteld.

In artikel 82, vierde lid, Vreemdelingenbesluit ligt de zorgplicht van verweerder besloten om een vreemdeling die daarom verzoekt bij het verhoor te laten bijstaan door een advocaat. Het genoemde artikel behelst niet -anders dan de

rechtbank eisers stelling begrijpt- een verplichting voor verweerder om ervoor zorg te dragen dat er daadwerkelijk een advocaat bij het verhoor aanwezig is. In het onderhavige geval is tijdig aan de piketcentrale melding gemaakt van

de voorgenomen inbewaringstelling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de vreemdelingendienst in deze tekort is geschoten in zijn taak. Evenmin is gesteld noch gebleken dat eiser door de afwezigheid

van een advocaat dusdanig in zijn belangen is geschaad dat als gevolg daarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

Niet gebleken is dat verweerder het onderzoek met onvoldoende voortvarendheid ter hand neemt of dat een reëel perspectief op uitzetting ontbreekt. Weliswaar voert verweerder ten aanzien van onderdanen van Sierra Leone een uitstel

van vertrekbeleid, doch vooralsnog heeft eiser onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat hij daadwerkelijk uit dat land afkomstig is. Mocht blijken, bijvoorbeeld naar aanleiding van de voorgenomen aanvraag van een laissez-passer bij

de Sierraleoonse autoriteiten, dat eiser inderdaad onderdaan is van Sierra Leone dan zal eerst dan het concrete zicht op uitzetting gaan ontbreken en zal verweerder daaraan gevolgen dienen te verbinden.

De rechtbank concludeert dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de wet en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt

het beroep ongegrond verklaard.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 34j Vw of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2000, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Avis, griffier.

Afschrift verzonden op: 10 november 2000

Conc.: JA

Coll:

Bp:-

D:C

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de

uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.