Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9260

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/5261
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Witte-illegalenbeleid / objectiviteit getuigenverklaringen.

Betreft aanvraag om vtv op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen als bedoeld in TBV 1999/23. In geschil is of verzoeker heeft aangetoond dat hij van 25 januari 1995 tot 31 december 1996, van 1 februari 1997 tot 17 juli 1997 en van 14 januari 1999 tot 18 juni 1999 in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft een aantal van de door verzoeker overgelegde stukken niet in zijn beoordeling betrokken en voorts miskend dat de door verzoeker overgelegde stukken alle betrekking hebben op de betwiste periodes en uit die stukken kan worden opgemaakt dat verzoeker gedurende belangrijke gedeelten van die periodes in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft zich voorts niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat de door verzoeker overgelegde verklaringen van zijn broers, een vriend en de Ayasofya Moskee niet kunnen dienen als bewijs voor de stelling dat hij in eerdergenoemde periodes onafgebroken in Nederland heeft verbleven, nu deze verklaringen niet afkomstig zijn uit objectief en verifieerbare bron, omdat noch uit de wet, noch uit TBV 1999/23 voortvloeit dat ten aanzien van een beroep op dat TBV bijzondere bewijsregels gelden in die zin dat getuigenverklaringen slechts zouden kunnen dienen ter meerdere zekerheid, zodat daaraan geen zelfstandige en/of doorslaggevend betekenis zou kunnen worden toegekend. Verweerder heeft de overtuigende kracht van die getuigenverklaringen niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd weerlegd.

Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Haarlem

fungerend president

U I T S P R A A K

artikel 8:81 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)

artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)

reg.nr: AWB 00/5261 VRWET H

inzake: A, geboren op [...] 1967, van Turkse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. van Ekeren, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende de behandeling van het bezwaarschrift van verzoeker tegen de beschikking van 19 mei 2000 tot niet-inwilliging van de aanvraag om verlening van een vergunning tot

verblijf op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen als bedoeld in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23.

Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het bezwaarschrift is beslist.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2000. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan -onder meer- indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op

verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, Vw blijft uitzetting achterwege, indien het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating een redelijke kans van slagen heeft. Voorts dient uitzetting

achterwege te blijven ingeval deze anderszins in strijd is met het recht.

2.3 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.

2.4 Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen voortvloeiende uit

internationale overeenkomsten - slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of indien er sprake is van klemmende redenen van

humanitaire aard. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1994.

2.5 Ingevolge TBV 1999/23 kunnen vreemdelingen die een beroep doen op de tijdelijke regeling witte illegalen aan de zogeheten commissie van burgemeesters een advies vragen over de mate van inburgering. Een verzoek om een dergelijk

advies wordt alleen in behandeling genomen indien is voldaan aan de navolgende voorwaarden:

1. Het verzoek moet tussen 1 oktober 1999 en 1 december 1999 worden ingediend en ontvangen zijn bij:

Immigratie-en Naturalisatiedienst

Postbusnummer 3022

2280 GA Rijswijk;

2. De vreemdeling dient aan te tonen dat hij vanaf 1 januari 1992 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Nederland;

3. De vreemdeling dient in ieder geval vanaf 1 januari 1992 tot en met 1 juli 1998 (rechtmatig) in het bezit te zijn geweest van een sofinummer;

4. De vreemdeling dient in het bezit te zijn van een geldig paspoort;

5. De vreemdeling mag gedurende de onder 2 genoemde periode niet Nederland zijn uitgezet;

6. De vreemdeling mag niet in het bezit zijn geweest dan wel gebruik hebben gemaakt van valse c.q. vervalste documenten;

7. De vreemdeling mag geen onjuiste gegevens hebben verstrekt;

8. Er mag geen sprake zijn van criminele antecedenten.

2.6 In geschil is of verzoeker voldoet aan de hiervoor onder 2. genoemde voorwaarde en meer in het bijzonder of hij heeft aangetoond in de periodes van 25 januari 1995 tot 31 december 1996, van 1 februari 1997 tot 17 juli 1997 en

van 14 januari 1999 tot 18 juni 1999 onafgebroken in Nederland te hebben verbleven.

2.7 Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij in de hiervoor genoemde periodes onafgebroken in Nederland heeft verbleven heeft verzoeker de volgende stukken overgelegd:

- Een overzicht historie werkzoekende van 21 oktober 1999 van het Arbeidsbureau Centrum in Rotterdam, waarin wordt vermeld dat verzoeker van 15 augustus 1994 tot 7 mei 1999 ingeschreven heeft gestaan bij dit Arbeidsbureau;

- Een verklaring van een vriend van verzoeker, B, dat hij verzoeker in de periode van januari 1996 tot en met juni 1997 heeft bijgestaan en verzoeker bij hem heeft gelogeerd;

- Een verklaring van 1 november 1999 van de Stichting Ayasofya Moskee in Rotterdam, waarin wordt vermeld dat verzoeker lid is geweest van deze Moskee in de periode van 1 december 1995 tot en met 1 september 1997 en dat hij in deze

periode aan alle activiteiten heeft meegedaan en heeft meegeholpen;

- Een uittreksel van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) van 4 oktober 1999, waarin wordt vermeld dat verzoeker -onder meer- een dienstverband heeft gehad van 14 juli 1997 tot 24 april 1998;

- Een jaaropgaaf van 1995 van Detam, waarin wordt vermeld dat aan verzoeker eenWW-uitkering over de periode van 5 december 1994 tot 25 januari 1995 is betaald in de periode van 5 januari 1995 tot en met 29 december 1995;

- Een doktersverklaring van 10 april 2000, inhoudende -onder meer- dat verzoeker op 23 december 1995 en op 14 januari 1999 op het spreekuur is geweest;

- Een bewijs van toegang voor de spoorwegterreinen in Den Bosch in week 4 van 1997;

- Een bewijs van toegang voor de spoorwegterreinen in Beverwijk van onbekende datum tot 31 oktober 1996;

- Een naheffing d.d. 7 november 1995 van premies van Zilveren Kruis Zorgverzekeraar over de periode van oktober 1992 tot november 1995;

- Een verzendbewijs van 7 maart 1997 van een pincode van een Postbankpas samen met een kopie van die pas op naam van A;

- Een verklaring van 10 april 2000 van C, broer van verzoeker, inhoudende enerzijds dat verzoeker sinds 1993 in Nederland onafgebroken verblijf houdt en regelmatig bij hem heeft gelogeerd en anderzijds dat verzoeker van 8 maart 1999

tot 2 juni 1999 en van 5 juni 1999 tot 1 juli 1999 werkzaam is geweest bij een tweetal werkgevers en dat het salaris dat verzoeker uit deze dienstbetrekkingen heeft ontvangen op de girorekening van deze broer is gestort;

- Een aantal overzichten van de girorekening van C uit die periode;

- Een verklaring van 9 april 2000 van D, broer van verzoeker, inhoudende dat verzoeker van 25 januari 1995 tot 14 juli 1997 en van 14 december 1998 tot 9 april 2000 bij hem heeft gewoond;

- Een aantekening van het Bureau Migratie van de gemeente Rotterdam dat verzoeker aldaar in 1996 is geweest.

2.8 Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond in eerdergenoemde periodes onafgebroken in Nederland te hebben verbleven. De door verzoeker overgelegde verklaringen van zijn broers,

een vriend en de Ayasofya Moskee volstaan niet als bewijs hiervoor, nu zij, omdat zij niet afkomstig zijn uit objectieve en verifieerbare bron, slechts kunnen dienen ter meerdere zekerheid. Dat ook ná 25 januari 1995 betalingen zijn

verricht in het kader van de WW-uitkering die verzoeker genoot in de periode van 25 juli 1994 tot 25 januari 1995, leidt niet tot de conclusie dat verzoeker in de hiervoor genoemde periodes in Nederland heeft verbleven. De

omstandigheid dat verzoeker van 15 augustus 1994 tot 7 mei 1999 ingeschreven heeft gestaan bij het Arbeidsbureau in Rotterdam kan evenmin leiden tot het oordeel dat hij gedurende die periodes in Nederland heeft verbleven, nu de

verlenging van de inschrijving bij een Arbeidsbureau schriftelijk kan geschieden. Voorts zijn, ook indien moet worden uitgegaan van een frequente verlenging van de inschrijving in persoon, in ieder geval de periodes tussen de

verlengingen niet gedekt. Overigens blijkt uit het door verzoeker overgelegde overzicht van het Arbeidsbureau niet, aldus verweerder, dat hij zijn inschrijving daadwerkelijk om de drie maanden heeft verlengd. Verzoeker heeft voorts

niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door overlegging van afschriften van salarisspecificaties en/of arbeidsovereenkomsten, dat het salaris dat hij zou hebben ontvangen uit twee dienstbetrekkingen in de periodes van 8 maart 1999

tot 2 juni 1999 en van 5 juni 1999 tot 1 juli 1999 op de girorekening van zijn broer is gestort. Tenslotte is van belang dat uit het departementale dossier is gebleken dat ten behoeve van verzoeker op 27 februari 1996 een visum is

aangevraagd. Hieruit kan worden afgeleid dat verzoeker ten tijde van die aanvraag niet in Nederland verbleef.

2.9 Verzoeker heeft nog aangevoerd dat hij in 1996 voor een periode van twee tot drie maanden in Turkije is geweest in verband met de ziekte van zijn -inmiddels overleden- moeder, doch dat dit bezoek aan Turkije hem niet kan worden

tegengeworpen.

2.10 De president stelt voorop dat hij met verzoeker van oordeel is dat hem in het kader van de toetsing aan voorwaarde 2. van TBV 1999/23 niet kan worden tegengeworpen dat hij in 1996 voor een periode van twee of drie maanden in

Turkije is geweest. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder tijdens een overleg met de vaste (kamer)commissie voor Justitie over TBV 1999/23 heeft medegedeeld dat voorwaarde 2. van TBV 1999/23 aldus moet worden verstaan dat

een vreemdeling moet aantonen feitelijk hoofdverblijf in Nederland te hebben gehad en een tijdelijke onderbreking door bijvoorbeeld vakantie niet wordt aangemerkt als een verplaatsing van het hoofdverblijf (Tweede Kamer,

vergaderjaar 1999-2000, 19 637, nr. 482, pagina 8). Het is de president ambtshalve bekend dat verweerder hierbij denkt aan een tijdelijke onderbreking van niet meer dan drie maanden in één jaar.

2.11 De president stelt voorts vast dat verweerder een aantal van de door verzoeker overgelegde stukken niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Ten aanzien van een aantal door verzoeker overgelegde stukken heeft verweerder voorts

geoordeeld dat deze afzonderlijk en op zichzelf niet kunnen dienen ter onderbouwing van verzoekers stelling dat hij gedurende de betwiste periodes onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft hiermee echter miskend

dat de onder 2.7 genoemde door verzoeker overgelegde stukken allen betrekking hebben op de betwiste periodes en uit die stukken, in onderlinge samenhang bezien en in samenhang met de bewijsstukken die verzoeker over de gehele

periode sedert 1992 heeft overgelegd, kan worden opgemaakt dat verzoeker gedurende belangrijke gedeelten van die periodes in Nederland heeft verbleven.

2.12 In dit verband merkt de president nog op dat verweerder zich niet zonder meer op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door verzoeker overgelegde verklaringen van zijn broers, een vriend en de Ayasofya Moskee niet kunnen

dienen als bewijs voor de stelling dat hij in eerdergenoemde periodes onafgebroken in Nederland heeft verbleven, nu deze verklaringen niet afkomstig zijn uit objectief en verifieerbare bron. Daartoe is het navolgende redengevend.

2.13 Uit de wet, noch uit TBV 1999/23, vloeit voort dat ten aanzien van een beroep op die TBV bijzondere bewijsregels gelden in die zin dat getuigenverklaringen slechts kunnen dienen ter meerdere zekerheid, zodat daaraan geen

zelfstandige en/of doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Het is de president derhalve niet duidelijk op grond waarvan verweerder dit standpunt meent te kunnen innemen, nu daarmee voorbij lijkt te worden gegaan aan het

gegeven dat in het bestuursrecht in zijn algemeenheid geen regel bestaat die een beperking van bewijsmiddelen naar hun aard meebrengt. In het licht van artikel 3:2 Awb zal verweerder alle ingebrachte bewijsmiddelen en derhalve ook

een getuigenverklaring -desnodig na het nader horen van de betreffende getuige- op hun zelfstandig overtuigende kracht en in het licht van andere ingebrachte bewijsmiddelen moeten waarderen. Nu verweerder de overtuigende kracht van

de door verzoeker overgelegde getuigenverklaringen niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd heeft weerlegd, kan de enkele stelling dat zij niet afkomstig zouden zijn uit objectieve en verifieerbare bron er, gezien het vorenstaande,

niet toe leiden dat aan de getuigenverklaringen zonder meer voorbij dient te worden gegaan. Voor zover verweerder twijfelt aan de inhoud, is nader onderzoek geïndiceerd. In dit verband acht de president voorts nog van belang dat de

inhoud van bedoelde verklaringen overeenstemt met de inhoud van de overige door verzoeker overgelegde stukken.

2.14 Gezien het voorgaande kan het bezwaar van verzoeker, gericht tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf, een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. Verweerder heeft mitsdien

ten onrechte besloten uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten gedurende de periode dat bedoeld bezwaar aanhangig is. De door verzoeker gevraagde voorziening dient derhalve te worden toegewezen.

2.15 De president acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 33b Vw.

2.16 In dit geval ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluiten vastgesteld op ƒ 1.420,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.17 De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ad ƒ 225,-- zal vergoeden.

3. BESLISSING

De president:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker de beslissing op het tegen het besluit van 19 mei 2000 ingediende bezwaarschrift in Nederland zal mogen afwachten;

3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1.420,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet voldoen;

3.3 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 225,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, fungerend president, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Bierling als griffier.

afschrift verzonden op: 9 november 2000

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.