Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9254

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2000
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
AWB 00/2680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak / Failly-Koerd

Asielrelaas wordt ongeloofwaardig geoordeeld, gelet op vele tegenstrijdigheden, zowel wat betreft identiteit eiseres als met betrekking tot hetgeen ter ondersteuning van relaas in de verschillende gehoren door eiseres is verklaard. Weigering toelating als vluchteling terecht geacht, evenmin strijd met 3 EVRM. Wat betreft klemmende redenen van humanitaire aard wordt als volgt overwogen. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die er aan in de weg staan dat eiseres zich vestigt in Noord-Irak, dat sedert de beleidswijziging van 20 november 1998 is aanvaard als binnenlands vestigingsalternatief voor bepaalde groepen Irakezen. Eiseres kan als behorend tot de Failly-Koerden geacht worden voldoende banden te hebben in Noord-Irak om zich aldaar een menswaardig bestaan op te bouwen. De rechtbank kan zich verenigen met hetgeen in punt 3.4 van het verweerschrift omtrent Faily-Koerden en hun mogelijkheid tot vestiging in Noord-Irak is overwogen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 33a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/2680 VRWET

Inzake : A, eiseres, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. R.M.J. Lanting, advocaat te Deventer,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. Venekamp, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres, naar aanvankelijk gesteld geboren op [...] 1974, bezit de Iraakse nationaliteit. Zij verblijft, naar gesteld, sedert 16 februari 1998 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 17 februari

1998 heeft zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Eiseres heeft op 24 september 1998 een bezwaarschrift ingediend tegen

het niet tijdig beslissen van verweerder op voornoemde aanvragen. Op 14 oktober 1999 is eiseres ter zake haar bezwaar gehoord door een ambtelijke commissie (AC). Op

19 januari 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 15 februari 2000 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het

beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op

16 november 2000. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen. Ter zitting was als tolk aanwezig: mw. S. Abravesh (tolk in het Farsi).

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat zij een Faily-Koerd is, die in 1988 samen met haar familie naar Iran heeft moeten vertrekken, dat zij aldaar in augustus 1997 door mensen van "het Comité" is opgepakt, omdat zij met een

vriend op straat gezien was. Volgens eiseres heeft zij een maand vast gezeten en is zij op weg naar een onderzoekscommissie verkracht door een medewerker van vorenbedoeld Comité. Eiseres is na betaling van een geldsom door haar

vader onvoorwaardelijk vrijgelaten. Eiseres stelt niet te kunnen terugkeren naar Irak omdat haar vader en haar broer aldaar politiek actief zijn geweest, waardoor haar leven in Irak gevaar loopt.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor toelating in aanmerking komt.

4. Met betrekking tot de gehandhaafde weigering eiser als vluchteling toe te laten, overweegt de rechtbank als volgt.

5. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van

vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan

wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

6. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Irak niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiseres zal dus aannemelijk moeten maken dat met

betrekking tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

7. Eiseres is daarin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe dat het relaas van eiseres ongeloofwaardig is gelet op de verschillende door eiseres afgelegde verklaringen die steeds met elkaar in tegenspraak zijn. Deze

tegenstrijdigheden betreffen zowel de identiteit van eiseres als hetgeen zij overigens ter ondersteuning van haar asielrelaas heeft aangevoerd.

Ten aanzien van de identiteit van eiseres overweegt de rechtbank dat eiseres twee maal met een ander (vals) paspoort op Schiphol door de Koninklijke marechaussee is aangehouden en dat zij twee maal verschillende verklaringen heeft

afgelegd omtrent haar identiteit. Voorts heeft de gemachtigde van eiseres bij op 23 december 1999 (per fax) aan verweerder gezonden brief meegedeeld dat eiseres onjuiste gegevens heeft verstrekt en dat zij zich thans verplicht voelt

de juiste gegevens te verstrekken. In genoemde brief worden weer geheel andere dan de eerder verstrekte identiteitsgegevens vermeld. De verklaring voor deze, opnieuw zeer afwijkende, vermelding van de identiteit van eiseres ter

zitting, te weten - kort gezegd - dat zij niet traceerbaar wilde zijn, is niet geloofwaardig.

Voorts heeft verweerder terecht gewezen op tegenstrijdigheden in de in de verschillende gehoren door eiseres afgelegde verklaringen. In het gehoor bij de Koninklijke marechaussee op 19 januari 1998 heeft eiseres verklaard dat haar

echtgenoot haar wilde aanklagen en laten stenigen. In het nader gehoor heeft zij echter verklaard nooit gehuwd te zijn geweest en aangevoerd dat zij in Iran 'betrapt' is terwijl zij met een vriend op straat liep en vervolgens om die

reden een maand gedetineerd heeft gezeten. In het AC-gehoor kon eiseres over deze vriend, diens identiteit, afkomst of andere persoonlijke gegevens geen enkele nadere verklaring geven, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank -

wederom - ernstig afbreuk doet aan het relaas van eiseres. In het AC-gehoor heeft eiseres voorts tenslotte verklaard dat alles wat zij eerder verklaard heeft, onwaar is. Gelet op dit alles is het relaas van eiseres terecht

ongeloofwaardig geacht door verweerder.

8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering eiseres toe te laten als vluchteling terecht heeft gehandhaafd.

9. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan

foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Gelet op rechtsoverweging 7 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eiseres naar Irak strijd oplevert met artikel 3 EVRM.

10. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die er aan in de

weg staan dat eiseres zich vestigt in Noord-Irak, dat sedert de beleidswijziging van 20 november 1998 is aanvaard als binnenlands vestigingsalternatief voor bepaalde groepen Irakezen. Eiseres kan als behorend tot de Faily-Koerden

geacht worden voldoende banden te hebben in Noord-Irak om zich aldaar een menswaardig bestaan op te bouwen. De rechtbank kan zich verenigen met hetgeen in punt 3.4 van het verweerschrift omtrent Faily-Koerden en hun mogelijkheid tot

vestiging in Noord-Irak is overwogen.

11. Het beroep is derhalve ongegrond.

12. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. G.F. van der Linden-Burgers, griffier.

afschrift verzonden op: 27 november 2000

Reg.nr. AWB 00/2680 VRWET 3