Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9253

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
22-11-2002
Zaaknummer
AWB 00/7608
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dublin / Italië / artikel 3 EVRM

Nu de stelling van verzoeker dat Italië in strijd met artikel 3 EVRM handelt niet nader is onderbouwd, ziet de president aanleiding voorshands te oordelen dat de in de Italiaanse regelgeving en rechtspraak geboden bescherming tegen een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM voldoet aan de eisen die daaraan in het kader van het EVRM kunnen en moeten worden gesteld. Afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2000-12-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi RV20000017 met annotatie van H. Battjes

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 00/7608 VRWET Z VS

uitspraak: 13 december 2000

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1964,

verblijvende te B,

burger van de Federatieve Republiek Joegoslavië,

IND dossiernummer 0001.21.8044,

verzoeker,

gemachtigde: mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. G.M.G. Hink, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 21 januari 2000 heeft verzoeker een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 30 juni 2000, uitgereikt op 20 juli 2000, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd op grond van artikel 15b, eerste

lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet (Vw) en ambtshalve beslist aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

1.2 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 21 juli 2000 bezwaar gemaakt. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

1.3 Bij verzoekschrift van 21 juli 2000 heeft verzoeker de president verzocht te bepalen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan verzoeker gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 november 2000. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een

mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De president zal, voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, toetsen of er als gevolg van overdracht aan Italië in redelijkheid geen twijfel over kan

bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin, en voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de beslissing aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van

humanitaire aard te verlenen, toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

2.3 Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 17 februari 2000 verzocht de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker over te nemen op grond van artikel 8 van de Overeenkomst van Dublin (OvD). Bij brieven van 15 mei 2000,

4 juli 2000, 10 juli 2000 en 17 juli 2000 heeft verweerder bij de Italiaanse autoriteiten aangegeven dat een termijn van drie maanden is verstreken. Op grond van artikel 11, vierde lid, OvD dient een Lid-Staat binnen drie maanden na

het verzoek om overname hierover een besluit te nemen. Het laten verstrijken van deze termijn zonder dat antwoord wordt gegeven, staat gelijk met aanvaarding van het verzoek tot overname. Bij brief van 18 juli 2000, gefaxt op

19 juli 2000, hebben de Italiaanse autoriteiten aangegeven dat verzoeker zowel op 14 oktober 1999 als op 29 december 1999 door Italië is uitgezet. Op 8 september 2000 hebben de Italiaanse autoriteiten laten weten de claim op grond

van artikel 6 OvD te accepteren. Italië is derhalve in beginsel verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

2.4 Artikel 3, vierde lid, OvD geeft verweerder de bevoegdheid om, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8 OvD, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken.

2.5 Op grond van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw is verweerder verplicht de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken indien deze is gebaseerd op relevante feiten die bij de beslissing door de autoriteiten

van het verantwoordelijke land geen rol hebben kunnen spelen.

Hiervoor is nodig dat de vreemdeling aannemelijk maakt dat in het verantwoordelijke land reeds een beslissing is genomen op grond waarvan hij met onmiddellijke uitzetting wordt bedreigd zonder dat daartegen nog rechtsmiddelen

aanhangig gemaakt kunnen worden waardoor de uitzetting wordt opgeschort. Daarnaast dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat de asielaanvraag in Nederland berust op relevante feiten als bedoeld in artikel 15b, eerste lid, aanhef

en onder a, Vw.

2.6 Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in Italië is uitgeprocedeerd. Naar het oordeel van de president heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij in Italië is uitgeprocedeerd. Voor zover al moet worden aangenomen dat verzoeker

in Italië is uitgeprocedeerd geldt, dat hij heeft nagelaten voldoende stukken betreffende zijn asielprocedure over te leggen. Daardoor is het niet mogelijk te beoordelen of sprake is van relevante feiten die bij de beoordeling van

zijn aanvraag door de Duitse autoriteiten geen rol hebben kunnen spelen.

2.7 De stelling van verzoeker dat hij de intentie had om naar Nederland te gaan doch zich, doordat hij in Italië werd aangehouden, genoodzaakt zag om aldaar een asielaanvraag in te dienen, kan niet leiden tot toepassing van artikel

3, vierde lid, OvD.

2.8 Verzoeker heeft aangevoerd dat het Italiaanse beleid geen beleid is dat door de Nederlandse autoriteiten wordt gehanteerd. Voor zover hiermee wordt gedoeld op het uitzettingsbeleid, overweegt de president dat de rechtbank eerder

heeft overwogen dat het feit dat in Nederland een gunstiger uitzettingsbeleid geldt (daaronder begrepen beleid op grond waarvan asielzoekers in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf) niet kan leiden tot

toepassing van de zogenoemde tenzij-clausule van artikel 15b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Evenmin is verweerder in geval van een dergelijk verschil in uitzettingsbeleid op grond van artikel 3, vierde lid, OvD gehouden de

asielaanvraag aan zich te trekken.

2.9 Dat verzoeker in Italië geen onderdak heeft kan tevens niet leiden tot een andere conclusie dan dat niet gebleken is dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door van de in

artikel 3, vierde lid, OvD verleende bevoegdheid geen gebruik te maken.

2.10 Uit niets blijkt dat er in redelijkheid twijfel over kan bestaan dat als gevolg van overdracht van verzoeker aan Italië geen gegronde vrees voor vervolging bestaat.

2.11 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.

2.12 De president stelt voorop dat uit het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 7 maart 2000 (JV 2000/103) voortvloeit dat in het geval van uitzetting op grond van de OvD voor de vraag of er mogelijk sprake is

van (indirect) refoulement niet langer kan worden verwezen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel maar zelfstandig dient te worden beoordeeld of door het land waarheen wordt uitgezet toepassing wordt gegeven aan artikel 3 EVRM.

Hierbij wijst de president op de volgende overwegingen van het Europese Hof:

"the indirect removal in this case to an intermediary country, which is also a Contracting State, does not affect the responsibility of the United Kingdom to ensure that the applicant is not, as a result of its decision to expel,

exposed to treatment contrary to Article 3 of the Convention. Nor can the United Kingdom rely automatically in that context on the arrangements made in the Dublin convention."

(..)

"It would be incompatible with the purpose and object of the Convention if Contracting States where thereby absolved from their responsibility under the Convention in relation to the field of activity covered by such attribution

(..)."

Uit voornoemde overwegingen vloeit voort dat de overdragende staat zich er altijd van zal moeten vergewissen dat een vreemdeling niet als gevolg van het besluit om deze vreemdeling over te dragen wordt blootgesteld aan een

behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 EVRM. Hierbij is naar het oordeel van de president niet van belang of de vreemdeling in het overnemende land reeds is uitgeprocedeerd of niet.

2.13 Naar aanleiding van de genoemde uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zijn in diverse zaken aan verweerder bij brief van 9 mei 2000 de volgende vragen gesteld.

1a. Kunt u aangeven of, en zo ja in hoeverre, het in de Italiaanse rechtspraak gehanteerde criterium voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van (voorgenomen) uitzetting van een vreemdeling sprake kan zijn van

een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, afwijkt van het in de Nederlandse rechtspraak gehanteerde criterium, zoals geformuleerd door het EHRM in de zaken Soering en Vilvarajah.

1b. Maakt het bij de toetsing door de Italiaanse rechter aan artikel 3 EVRM nog uit om welke categorie asielzoekers het gaat (bijvoorbeeld asielzoekers die afkomstig zijn uit een gebied waarin sprake is het ontbreken van centraal

overheidsgezag maar wel sprake is van een de facto overheid).

2. In hoeverre is een verschil in interpretatie van artikel 3 EVRM relevant voor de vraag of de tenzij-clausule dient te worden toegepast.

3a. Is u bekend of zaken betreffende een (vermeende) schending door een Italiaanse rechter van artikel 3 EVRM zijn voorgelegd aan het EHRM danwel de Europese Commissie voor de rechten van de mens (ECRM).

3b. Indien de vorige vraag bevestigend moet worden beantwoord, kunt u dan ook aangeven wat de stand van zaken of uitkomst is in die zaken.

2.14 Verweerder heeft op deze vragen gereageerd bij brief van 8 augustus 2000. Hierin is kortgezegd aangegeven dat uit informatie van de zijde van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat een gestelde schending van artikel 3 van het

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in Italië, evenals in Nederland, wordt getoetst aan het criterium zoals geformuleerd door het EHRM in de zaken Soering en Vilvarajah.

Verweerder komt tot de conclusie dat in de Italiaanse asielprocedure alle asielzoekers bescherming kunnen verkrijgen tegen folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.15 Bij brief van 9 augustus 2000 heeft verweerder de stukken overgelegd waarop de inhoud van de brief van 8 augustus 2000 is gebaseerd. Dit betreft een brief met bijlage van mr. M.A.G. Rietbergen, IND Bureau Dublin, van

26 april 2000, waarbij de door de president gestelde vragen aan de Italiaanse autoriteiten worden voorgelegd, alsmede de beantwoording (en vertaling van deze brief) door de Italiaanse autoriteiten bij brief van 11 mei 2000.

Bij brief van 9 augustus 2000 heeft verweerder voorts een memorandum overgelegd van een kapitein der Koninklijke marechaussee, waarvan de naam en telefoonnummer geanonimiseerd zijn.

2.16 In de uitspraak van 16 augustus 2000 van de president van deze rechtbank is geoordeeld dat het door verweerder -eerst naar aanleiding van door de president gestelde vragen- gepleegde onderzoek in het licht van het hiervoor

genoemde arrest van het EHRM tekort schiet, en dat de door verweerder op de gestelde vragen gegeven antwoorden onvoldoende basis vinden in de daaraan ten grondslag liggende stukken, zodat op die basis onvoldoende zekerheid bestond

of uitzetting van verzoekers al dan niet zou leiden tot (indirecte) schending van artikel 3 EVRM. Bij de bestuurlijke heroverweging diende verweerder aan dit aspect nader aandacht

te schenken.

2.17 In het verweerschrift dat in de onderhavige procedure is ingediend stelt verweerder zich op het volgende standpunt.

Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM van 7 maart 2000 bij brief van 20 april 2000 (als produktie bij het verweerschrift gevoegd) schriftelijk haar zienswijze over de gevolgen van deze uitspraak kenbaar

gemaakt. In deze brief is onder meer opgemerkt dat er bij overdracht aan het verantwoordelijke Dublinland voldoende procedurele waarborgen dienen te bestaan om een reëel risico tot uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM door het

verantwoordelijke Dublinland te verhinderen.

Naar het standpunt van verweerder is het evident dat indien de asielzoeker nog in procedure is in het verantwoordelijke Dublinland of daar überhaupt nog geen asielverzoek heeft ingediend, hem aldaar voldoende waarborgen worden

geboden tegen uitzetting in strijd met artikel 3 EVRM. Gelet op het feit dat niet is gebleken dat verzoeker überhaupt een asielverzoek heeft ingediend in Italië, kan gelet op het voorgaande geen sprake zijn van een reëel risico dat

het verantwoordelijke land betrokkene in strijd met artikel 3 EVRM zal uitzetten.

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de in de Italiaanse regelgeving en rechtspraak geboden bescherming tegen een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM voldoet aan alle eisen die daarin in het kader van het EVRM

kunnen en moeten worden gesteld.

In aanvulling op het verweerschrift overlegt verweerder bij brief van 8 november 2000 een memorandum van het Ministerie van Buitenlandse Zake van 2 november 2000 omtrent de Italiaanse regelgeving en procedure en een (nog niet

vertaalde) brief van 2 november 2000.

In het memorandum van de ambassade in Rome aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt het volgende bericht.

1. Italië heeft traditioneel een dualistisch stelsel. Het EVRM neemt echter een uitzonderingspositie in, aangezien volgens het Constitutioneel Hof het EVRM vanwege zijn bijzondere aard niet door latere wetgeving opzij kan worden

gezet (resistenza particolare).

2. Incorporatie artikel 3 EVRM in Italiaanse wetgeving:

Het EVRM maakt sinds de ratificatie in 1995 deel uit van de Italiaanse wetgeving. De rechter dient dus ambtshalve een asielaanvraag aan artikel 3 EVRM te toetsen. Ook kan de burger direct een beroep doen op artikel 3 EVRM.

3. Toetsingscriterium:

Door de Italiaanse autoriteiten wordt getoetst aan het reële risico zoals geformuleerd door het EHRM in de zaak Vilvaradja en Soering.

4. Centrale overheid of de facto overheid:

Ook hierbij geldt dat getoetst wordt aan het reële risico zoals geformuleerd door het EHRM in de zaak Vilvaradja en Soering.

Bij brief van 10 november 2000 is een vertaling overgelegd van de brief van 2 november 2000 van mr. Mario Lana, werkzaam bij het Advocatenkantoor en kantoor voor internationaal juridisch advies Lana-Lagostena Bassi in Rome. In deze

brief geeft de heer Lana zijn visie weer op de in Italië bestaande asielpraktijk, waarbij de Italiaanse wetgeving en jurisprudentie op uitvoerige wijze worden uiteen gezet.

Ter zitting van 10 november heeft de president twee nadere vragen gesteld.

1. Kunt u aangeven op grond waarvan de Minister van Buitenlandse Zaken het advocatenkantoor, bij monde van mr. Mario Lana, heeft verzocht een nadere toelichting te geven op de Italiaanse procedure?

2. Kunt u aangeven waarom de Minister van Buitenlandse Zaken het onderzoek naar de toetsing aan artikel 3 EVRM door de Italiaanse autoriteiten en Italiaanse rechter niet middels de in Italië verantwoordelijke ambtsgenoten heeft

verricht?

Verweerder heeft bij brief van 16 november 2000 gereageerd en ten aanzien van de eerste vraag aangegeven dat uit telefonisch ingewonnen informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is gebleken dat dit advocatenkantoor is

gespecialiseerd in mensenrechten en asielzaken. De oprichter van het kantoor, advocaat Mario Lana, is directeur van het juridische tijdschrift "I diritti dell'Uomo-cronache e battaglie", dat eens in de vier maanden verschijnt en

bericht over ontwikkelingen op het gebied van mensenrechten in Italië. Dit tijdschrift is het orgaan van de Unione Forense per la Tutela dei Driritti dell'Uomo (Juridische Unie ter bescherming van de Rechten van de Mens).

Ter beantwoording van de tweede vraag heeft verweerder opgemerkt dat uit telefonisch ingewonnen informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat door de ambassade verschillende gesprekken zijn gevoerd met de

Italiaanse autoriteiten op het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Eveneens is contact opgenomen met de Centrale Commissie ter Beoordeling van Asielverzoeken, welke commissie de ambassade ook

heeft gewezen op het advocatenkantoor Lana.

Bij brief van 24 november 2000 heeft de gemachtigde van verzoeker zijn reactie op bovenstaande antwoorden gegeven.

2.18 De president is van oordeel dat de informatie die thans door verweerder is overgelegd, in aanvulling op de eerder overgelegde informatie, voldoende basis vormt voor de antwoorden op de op 9 mei 2000 en 10 november 2000 gestelde

vragen. De informatie van de Italiaanse autoriteiten, in combinatie met de toelichting van de heer Lana, kan de conclusies van verweerder dragen. Nu een nadere onderbouwing van de stelling van verzoeker, dat Italië in strijd met

artikel 3 EVRM handelt, ontbreekt, ziet de president aanleiding voorshands te oordelen dat de in Italiaanse regelgeving en rechtspraak geboden bescherming tegen een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM voldoet aan de eisen die

daaraan in het kader van het EVRM kunnen en moeten worden gesteld.

2.19 Niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verzoeker aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.20 Gezien het voorgaande heeft verzoeker geen redelijke kans op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

2.21 Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.

2.22 Na het onderzoek ter zitting is de president tot het oordeel gekomen dat het bezwaar van verzoeker ongegrond is en dat nader onderzoek redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst kan leiden. De president zal daarom, met

toepassing van artikel 33b Vw, tevens beslissen over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating.

2.23 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De president

* wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

* verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. T.M.L. Veen en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2000 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.

--------------

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 13 december 2000