Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9252

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/72773
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC Zevenaar / Turks-Koerdische dienstweigeraar / medische keuring.

Verzoeker heeft een oproep voor een medische keuring ontvangen, hetgeen niet kan worden opgevat als een oproep om op te komen voor militaire dienst. Gelet op het ambtsbericht van 15 juni 2000 wordt eerst na de keuring bepaald wanneer en waar men dient op te komen voor de eerste militaire vorming. Wanneer de desbetreffende persoon geschikt wordt bevonden voor militaire dienst ontvangt hij van het registratiekantoor een schriftelijke oproep voor daadwerkelijke vervulling van de dienstplicht. De president overweegt voorts dat blijkens eerdergenoemd ambtsbericht de dienstplichtige leeftijd in Turkije loopt vanaf 1 januari van het jaar waarin de man de leeftijd van twintig jaar bereikt. Aangezien verzoeker thans achttien jaren oud is, is niet aannemelijk dat verzoeker dienstweigeraar is.

Ten aanzien van de keren dat verzoeker is gearresteerd, overweegt de president dat verzoeker aldoor tijdens controles of huiszoekingen die het gehele dorp betroffen is aangehouden. Verzoeker is bovendien steeds na enkele dagen zonder voorwaarden vrijgelaten. Gelet hierop is niet aannemelijk dat verzoeker in de specifieke negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat.

Afwijzing verzoek en ongegrondverklaring van het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Zwolle

Vreemdelingenkamer

President

regnr.: Awb 00/72773 OVERIO GZ

uitspraak: 13 december 2000

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1982,

verblijvende te B,

van Turkse nationaliteit,

IND dossiernummer 0011.25.8031,

verzoeker,

gemachtigde mr. F.A.M. te Braake, advocaat te Goes;

tegen: DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M. Ramsaroep, ambtenaar ten departemente.

1 PROCESVERLOOP

1.1 Op 25 november 2000 heeft verzoeker een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 30 november 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan verzoeker geen vergunning tot

verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij de uitreiking van de beschikking is verzoeker medegedeeld dat hij de behandeling van een in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten.

1.2 Verzoeker heeft daartegen bij brief van 1 december 2000 bezwaar gemaakt.

1.3 Bij verzoekschrift van 1 december 2000 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de president en aan verzoeker gezonden.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 december 2000. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een

mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, zal de president toetsen of er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor

vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de beslissing aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen, zal de

president toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

Aangezien de beoordeling van de aanvraag om toelating als vluchteling in het Aanmeldcentrum te Zevenaar heeft plaatsgevonden, dient beoordeeld te worden of de aanvraag met inachtneming van de daarvoor geldende vereisten, als

kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk kon worden afgedaan.

2.3 Op grond van artikel 15 Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben

te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

2.4 Het vluchtrelaas van verzoeker komt op het volgende neer. Verzoeker behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep in Turkije. De Turkse autoriteiten controleerden iedereen die het dorp waar verzoeker woonde in- of uitging, teneinde

te voorkomen dat aan PKK-leden voedsel werd gegeven. Ook werd het dorp regelmatig aangevallen, waarbij de huizen werden doorzocht. Verzoeker is in het jaar 2000 vier keer opgepakt tijdens een dergelijke huiszoeking. Verzoeker werd

vastgehouden en mishandeld en na een paar dagen weer vrijgelaten. Verzoeker stelt dat zijn huis grondiger werd doorzocht, omdat zijn neef bij de PKK in de bergen verblijft. Verzoeker is 15 dagen voor zijn vertrek wederom opgepakt en

hem is verteld dat hij in het leger moet dienen. Het dorpshoofd heeft na zijn vrijlating een oproep voor een medische keuring bezorgd. Verzoeker heeft toen besloten om zijn land van herkomst te verlaten, hetgeen hij op

12 november 2000 heeft gedaan. Verzoeker is op 20 november 2000 Nederland ingereisd.

2.5 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet gebleken is dat verzoeker in de bovenmatige negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat. De controle op de invalswegen naar verzoekers dorp betreft alle passanten.

Verzoeker is weliswaar vier maal gearresteerd, maar verzoeker is aldoor na enkele dagen zonder voorwaarden op vrije voeten gesteld. Ten aanzien van verzoekers dienstweigering stelt verweerder dat uit het ambtsbericht van het

Ministerie van Buitenlandse Zaken van 19 juni 2000 blijkt dat in geval van dienstweigering voor de bepaling van de strafmaat de Koerdische afkomst niet van invloed is. Uit dit ambtsbericht blijkt eveneens dat niet gebleken is dat

een dreigende bestraffing wegens dienstweigering in zijn algemeenheid onevenredig zwaar zal zijn. Verzoeker is niet tot zijn dienstweigering gekomen wegens onoverkomelijke gewetensbezwaren, aangezien verzoeker geen bezwaar heeft om

zijn dienstplicht te vervullen bij een apart Koerdisch leger. Eveneens is geen sprake van een door de internationale gemeenschap veroordeeld conflict. Verweerder merkt voorts op dat gelet op het algemene plaatsingsbeleid van de

Turkse militaire autoriteiten ook Koerdische dienstplichtigen uit Zuidoost-Turkije hun basistraining doorgaans in een andere regio ondergaan. Verweerder stelt dat verzoeker zich aan de problemen welke voortvloeien uit de

aanhoudingen en de onderdrukking door militairen kan onttrekken door zich elders in Turkije te vestigen.

2.6 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verzoeker vier maal is aangehouden en gedetineerd waarbij verzoeker werd gemarteld. Verzoeker onderscheidt zich van zijn dorpsgenoten, omdat hun niet hetzelfde is overkomen. De

activiteiten van verzoekers neef voor de PKK spelen hierbij een belangrijke rol. Verzoeker wenst als Koerd niet te worden ingezet tegen zijn eigen volk. Verzoeker heeft voldoende nauwe banden met het Koerdische volk. Verweerder

verwijst naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 juni 2000 en de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 29 juni 2000, waarin wordt gesteld dat de kans op plaatsing in zuidoost Turkije vrij klein

is. Het betreft hier slechts een herhaling van hetgeen in het ambtsbericht van 6 november 1998. De rechtbank Haarlem heeft ten aanzien hiervan overwogen dat van "screening" geen sprake is. Verzoeker wijst tevens naar een uitspraak

van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 november 2000.

2.7 Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Turkije zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal tot op zekere

hoogte aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

2.8 De president overweegt als volgt.

Verzoeker heeft een oproep voor een medische keuring ontvangen, hetgeen niet kan worden opgevat als een oproep om op te komen voor militaire dienst. Gelet op het ambtsbericht van 15 juni 2000 wordt eerst na de keuring bepaald

wanneer en waar men dient op te komen voor de eerste militaire vorming. Wanneer de desbetreffende persoon geschikt wordt bevonden voor militaire dienst ontvangt hij van het registratiekantoor een schriftelijke oproep voor

daadwerkelijke vervulling van de dienstplicht. De president overweegt voorts dat blijkens eerdergenoemd ambtsbericht de dienstplichtige leeftijd in Turkije loopt vanaf 1 januari van het jaar waarin de man de leeftijd van twintig

jaar bereikt. Aangezien verzoeker thans achttien jaren oud is, is niet aannemelijk dat verzoeker dienstweigeraar is.

Ten aanzien van de keren dat verzoeker is gearresteerd, overweegt de president dat verzoeker aldoor tijdens controles of huiszoekingen die het gehele dorp betroffen is aangehouden. Verzoeker is bovendien steeds na enkele dagen

zonder voorwaarden vrijgelaten. Gelet hierop is niet aannemelijk dat verzoeker in de specifieke negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat.

Gelet op het voorgaande kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan, dat verzoeker geen vluchteling is.

2.9 Op grond van artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder

voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor verlening

van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

2.10 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.8 is overwogen, kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat verzoeker bij gedwongen verwijdering naar Turkije niet een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een

behandeling waartegen artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat verzoeker aan die bepaling geen aanspraak op verlening van

een vergunning tot verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

2.11 Niet is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard die verzoeker aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf.

2.12 Gezien het voorgaande heeft verzoeker geen redelijke kans op verlening van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

2.13 Gelet op vorenstaande leende de aanvraag zich voor afdoening in het Aanmeldcentrum. Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.

2.14 Na het onderzoek ter zitting is de president tot het oordeel gekomen dat het bezwaar van verzoeker ongegrond is en dat nader onderzoek redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst kan leiden. De president zal daarom, met

toepassing van artikel 33b Vw, tevens beslissen over de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating.

2.15 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3 BESLISSING

De president

* wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

* verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van den Steenhoven-Drion en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2000 in tegenwoordigheid van mr. E.N.M. van de Beld als griffier.

----------------

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 13 december 2000