Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9214

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/6016
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bekendmaking besluit / onbekend adres.

Primair besluit strekkende tot intrekking vestigingsvergunning is, ter bekendmaking, verzonden naar het laatst bekende adres van eiser, alwaar hij, naar verweerder wist, reeds 18 maanden niet meer woonachtig was. Eiser wordt niet ontvangen in zijn bezwaar, omdat dat laattijdig zou zijn gemaakt. Ten tijde van de verzending stond reeds op voorhand vast dat het besluit aan eiser niet bekend zou raken. Een dergelijke verzending kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als een rechtsgeldige bekendmaking van het besluit aan eiser.

De rechtbank wijst er voorts op dat in het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb een regeling is gegeven voor de gevallen dat bekendmaking niet kan geschieden door toezending of uitreiking als bedoeld in het eerste lid. Blijkens de parlementaire geschiedenis van dit tweede lid is hiermee onder meer beoogd een regel te geven voor het geval de gewone bekendmaking door toezending of uitreiking aan de belanghebbende(n) niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat diens identiteit of adres onbekend is. De rechtbank stelt vast dat het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb bij uitstek een regeling geeft voor de bekendmaking van een besluit in een geval als het onderhavige. Verweerder heeft het primaire besluit echter niet op andere geschikte wijze bekend gemaakt.

Aan voorgaande conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen dat eiser de verplichtingen van de artikelen 66 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en 57 van het Vreemdelingenbesluit, op grond waarvan hij een adreswijziging bij respectievelijk het gemeentebestuur en de korpschef dient te melden, niet is nagekomen.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat er een rechtsgeldige bekendmaking in de zin van artikel 3:41 van de Awb heeft plaatsgevonden omdat deze in overeenstemming is met onderdeel A4/10.1.3.1 van de Vc-1994, niet volgt. Deze (wetsinterpreterende) beleidsregel, welke hierboven is aangeduid, verdraagt zich in een geval als het onderhavige niet met artikel 3:41 van de Awb en dient dan ook buiten toepassing te blijven.

Bezwaar niet tardief, beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/6016 VRWET

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, verblijvende te B, eiser,

gemachtigde mr. K.F.J.P. Klep, advocaat te Tilburg

en

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

gemachtigde mr. M. Meines.

I. PROCESVERLOOP.

Eiser bezit de Joegoslavische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Bij besluit van 19 februari 1999 heeft verweerder de aan eiser verleende vergunning tot vestiging ingetrokken. Dit besluit is diezelfde dag aangetekend verzonden naar het laatst bekende adres van eiser.

Op 25 mei 1999 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 23 juli 1999 heeft verweerder eiser in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 9 augustus 1999 beroep ingesteld. Het beroepschrift is diezelfde dag ter griffie van de rechtbank ontvangen.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 2 oktober 2000, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN.

Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit van 23 juli 1999, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser tegen de intrekking van zijn vergunning tot vestiging, in rechte stand kan houden.

Eiser heeft de (voormalig) Joegoslavische nationaliteit. Hij is op [...] 1971 te Amsterdam geboren. Eiser is op 19 december 1989 in het bezit gesteld van een vergunning tot vestiging.

Met ingang van 12 juni 1996 is eiser, blijkens gegevens uit de Gemeentelijke Basis Administratie (verder: GBA) van de gemeente C, woonachtig geweest op het adres [...] 70 te C. Uit een telefoonnotitie van een gesprek tussen S. Maas

van de IND en de heer Van Oorschot van de Vreemdelingendienst Waalwijk van 27 januari 1999, is verweerder gebleken dat eiser in de GBA van de gemeente C staat geregistreerd als zijnde op 10 oktober 1997 met onbekende bestemming

vertrokken. Na laatstgenoemde datum heeft eiser zich niet weer doen inschrijven in de GBA. Hierin heeft verweerder aanleiding gezien bij besluit van 19 februari 1999 de vestigingsvergunning van eiser in te trekken. In dat besluit is

het volgende overwogen: “Uit een ingekomen ambtsbericht van de Vreemdelingendienst te Waalwijk d.d. 27 januari 1999 is gebleken dat betrokkene samen met zijn gezin per 10 oktober 1997 uit de Gemeentelijke Basis Administratie van de

gemeente C is afgevoerd als zijnde vertrokken onbekend waarheen. Bij een onafgebroken verblijf buiten Nederland van meer dan negen maanden binnen een tijdvak van een jaar, wordt aangenomen dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft

verplaatst, ongeacht de wil van de vreemdeling. Betrokkene verblijft inmiddels met zijn gezin meer dan een jaar buiten Nederland. Niet is gesteld, noch is gebleken dat betrokkene de Vreemdelingendienst in kennis heeft gesteld van

een wijziging van zijn woon- of verblijfplaats, zodat in redelijkheid kan worden gesteld dat betrokkene zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Mitsdien kan de vergunning tot vestiging worden ingetrokken.”

Niet in geding is dat dit besluit op 19 februari 1999 aangetekend is verzonden naar het laatst bekende GBA-adres van eiser, [...] 70 te C, en dat dit besluit als onbestelbaar is geretourneerd. Namens eiser is op 25 mei 1999 bezwaar

gemaakt tegen voornoemd besluit.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder is van oordeel dat het bezwaarschrift - onverschoonbaar - niet binnen de in artikel 30, derde lid, van de Vw gestelde termijn

is ingediend. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het besluit van 19 februari 1999 rechtsgeldig is bekend gemaakt, aangezien het conform het bepaalde in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) onder A4/10.1.3.1 en A4/10.1.1

aangetekend is gezonden aan het laatst bekende GBA-adres van eiser.

Namens eiser is aangevoerd dat het besluit van 19 februari 1999 eerst op 11 juni 1999 op de juiste, door de Awb voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Van een tardief bezwaarschrift is volgens eiser dan ook geen sprake.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Awb bepaalt in artikel 6:8, eerste lid, dat de termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een besluit wordt

krachtens artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degene tot wie zij is gericht. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat als de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de

wijze als voorzien in het eerste lid, de bekendmaking op een andere geschikte wijze geschiedt.

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 19 februari 1999 niet rechtsgeldig is bekend gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Verweerder heeft het besluit van 19 februari 1999 gezonden naar het laatst bekende GBA-adres van eiser. Gelet op de gedingstukken en, in het bijzonder de motivering van het besluit, wist verweerder ten tijde van de verzending van

dat besluit dat eiser op het laatst bekende GBA-adres al 18 maanden niet meer woonachtig was. Gelet daarop stond ten tijde van die verzending reeds op voorhand vast dat het besluit aan eiser niet bekend zou raken. Een dergelijke

verzending kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als een rechtsgeldige bekendmaking van het besluit aan eiser.

De rechtbank wijst er voorts op dat in het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb een regeling is gegeven voor de gevallen dat bekendmaking niet kan geschieden door toezending of uitreiking als bedoeld in het eerste lid. Blijkens de

parlementaire geschiedenis van dit tweede lid (TK 1993-1994, 23 700, nr. 3, p. 13; TK 1994-1995, 23 700, nr. 5, p. 4), is hiermee onder meer beoogd een regel te geven voor het geval de gewone bekendmaking door toezending of

uitreiking aan de belanghebbende(n) niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat diens identiteit of adres onbekend is. De rechtbank stelt vast dat het tweede lid van artikel 3:41 van de Awb bij uitstek een regeling geeft voor de

bekendmaking van een besluit in een geval als het onderhavige. Verweerder heeft het besluit van 19 februari 1999 echter niet op andere geschikte wijze bekend gemaakt.

Aan voorgaande conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen dat eiser de verplichtingen van de artikelen 66 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en 57 van het Vreemdelingenbesluit, op grond

waarvan hij een adreswijziging bij respectievelijk het gemeentebestuur en de korpschef dient te melden, niet is nagekomen.

De rechtbank merkt nog op dat zich in het onderhavige geval niet de situatie voordoet waarin het besluit is verzonden naar het adres waarvan verweerder mocht uitgaan dat eiser aldaar woonachtig was. In verband daarmee wijst de

rechtbank op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2000, welke in USZ 2000/207 is gepubliceerd.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat er een rechtsgeldige bekendmaking in de zin van artikel 3:41 van de Awb heeft plaatsgevonden omdat deze in overeenstemming is met onderdeel A4/10.1.3.1 van

de Vc, niet volgt. Deze (wetsinterpreterende) beleidsregel, welke hierboven is aangeduid, verdraagt zich in een geval als het onderhavige niet met artikel 3:41 van de Awb en dient dan ook buiten toepassing te blijven.

De rechtbank stelt voorts vast dat het primaire besluit op 11 juni 1999 aan de gemachtigde van eiser is gezonden. Derhalve is van een rechtsgeldige bekendmaking van het besluit van 19 februari 1999 eerst op 11 juni 1999 sprake

geweest, en is wel binnen de in artikel 30, derde lid, van de Vw gestelde termijn – prematuur - bezwaar gemaakt. Verweerder heeft eiser aldus ten onrechte niet ontvangen in zijn bezwaar.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal derhalve worden vernietigd.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de

daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ƒ 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt ƒ 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op ƒ 1.420,--

te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

gelast dat het gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 50,-- door de Staat der Nederlanden namens verweerder aan eiser wordt vergoed.

Aldus gedaan door mr. J.J. Catsburg als rechter in tegenwoordigheid van mr. L.M. van den Berg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2000.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 23 oktober 2000