Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9212

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/10297
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Individueel ambtsbericht / onderliggende stukken.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om, in navolging van uitspraak AWB 98/5396 van de Rechtseenheidskamer van 10 februari 1999, de onderliggende stukken van de diverse individuele ambtsberichten op te vragen. Hiervoor is van belang dat uit de inhoud van de individuele ambtsberichten duidelijk blijkt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken grondig onderzoek heeft verricht naar de overgelegde documenten en dat naar aanleiding van de stellingen van eiser diverse bevindingen nogmaals zijn gecheckt, hetgeen geen aanleiding is geweest om tot wezenlijk andere conclusies te komen. Voorts heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzage gegeven in een van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de individuele ambtsberichten d.d. 12 juli 1999, 25 oktober 1999 en 13 september 1999, welk stuk voor de beoordeling van eisers aanspraak op een vtv essentieel is te achten. Eiser heeft voor dit document geen bevredigende verklaring kunnen geven.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van verweerder, dat hij na inzage in de onderliggende stukken van de individuele ambtsberichten heeft vastgesteld dat deze qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk inzichtelijk zijn. De rechtbank acht het derhalve niet noodzakelijk om kennis te nemen van (alle) onderliggende stukken van de in deze zaak uitgebrachte individuele ambtsberichten. Bovendien heeft de rechtbank, gezien het voorgaande, geen aanleiding gezien gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 8:45 van de Awb zelf de stukken die aan de individuele ambtsberichten ten grondslag liggen op te vragen. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Arnhem

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/10297 VRWET V35 V4

Uitspraak van de rechtbank op het beroep ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, verblijvende te B, eiser,

gemachtigde mr. M.A. Buys, advocaat te Leeuwarden

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP.

Eiser bezit de Somalische dan wel de Jemenitische nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Op 13 juli 1995 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf.

Bij besluit van 17 oktober 1996 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling op grond van artikel 15 c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft

verweerder de aanvraag om een vergunning tot verblijf niet ingewilligd. Dit besluit is aan eiser bekendgemaakt op 31 oktober 1996. Daarbij is eiser medegedeeld dat hij de behandeling van een eventueel bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Op

25 november 1996 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij schrijven van gelijke datum heeft eiser om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot

verwijdering van eiser over te gaan, totdat op het bezwaarschrift zal zijn beslist. Bij besluit van 18 december 1996 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De beschikking is op 9 januari 1997 aan eiser uitgereikt, waarbij eiser is

medegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Bij brief van 10 januari 1997 heeft eiser zijn verzoek om een voorlopige voorziening gewijzigd in die zin dat wordt verzocht verweerder te verbieden eiser uit Nederland te verwijderen zolang

nog niet op het door hem in te dienen beroepschrift is beslist. Bij schrijven van 6 februari 1997 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar.

Bij uitspraak van 16 december 1998 (AWB 96/11622 VV) heeft de president van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage, zittinghoudende te `s-Hertogenbosch, het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.

Bij uitspraak van 15 juni 1999 (AWB 97/1796) heeft de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, de bestreden beschikking van 18 december 1996 vernietigd voor zover eiser een vergunning tot verblijf is

onthouden.

Bij besluit van 12 november 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Deze beschikking is op dezelfde dag aan gemachtigde van eiser toegezonden. Daarbij is aan eiser kenbaar gemaakt dat aan hem ex artikel 22, eerste lid,

Vreemdelingenwet uitstel van vertrek wordt verleend gedurende de behandeling van het beroep ter voorkoming van dubbele procedures.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 7 december 1999 beroep ingesteld. Het beroepschrift is eveneens op 7 december 1999 ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 16 december 1999 zijn namens eiser de gronden van het

beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 augustus 2000, waar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Fritsma, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn

gemachtigde mr. M.M.A.H. de Ruijter, ambtenaar ten departemente. Tevens is verschenen als tolk Salad Mohamed H.

II. OVERWEGINGEN.

Nu reeds op 15 juni 1999 door de rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, onherroepelijk uitspraak is gedaan ten aanzien van eisers aanvraag om toelating als vluchteling, staat in onderhavige zaak slechts ter beoordeling de vraag

of het bestreden besluit van 12 november 1999, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar van eiser tegen de niet-inwilliging van zijn aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf, in rechte stand kan houden.

Eiser heeft ten behoeve van zijn aanvraag het volgende aangevoerd.

Eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Shekhal, subclan Reer Qubub, Reer Igal in Somalië. Eiser verbleef van 1987 tot april 1995 in Mogadishu. Ten gevolge van de aanhoudende gevechten tussen verschillende clans moest eisers gezin steeds de

woning verlaten. Bij terugkomst bleek de woning dan geplunderd. Eisers clan was niet bij de clangevechten betrokken. Omdat deze clan echter een zogenaamde “zwakke clan” is konden de clanleden zich niet verdedigen. Eisers vader werd regelmatig gedwongen

smeergeld te betalen, onder andere om te voorkomen dat vier zusters van eiser werden verkracht. Toen eiser een keer geen smeergeld kon betalen is hij met een mes in zijn linkerbeen en in zijn gezicht gestoken. Een zuster van eiser is verkracht. Omdat de

toestand in Mogadishu te gevaarlijk werd is eiser met zijn familie te voet naar Afgoye gevlucht. In periodes waarin het in Mogadishu relatief rustig was, keerden eiser en zijn familie terug naar Mogadishu, om bij het oplaaien van de gevechten weer naar

Afgoye te vluchten. Bij terugkomst in Mogadishu vond eiser zijn woning beschadigd en geplunderd terug. Tijdens een van de periodes waarin eiser met zijn familie in Afgoye verbleef is eisers broer doodgeschoten door leden van een onbekende stam. Eiser

werd gezocht door een groep buurtbewoners die dachten dat eiser geld en sieraden in Afgoye had verstopt. Omdat eiser bang was ook te worden vermoord besloot hij Somalië te verlaten. Eiser verliet in april 1995 samen met twee van zijn kinderen

Mogadishu. Eisers echtgenote was in mei 1994 met de twee andere kinderen naar haar familie in Kismayo gegaan. Eiser kon niet naar Kismayo omdat hij niet behoort tot de Daroodstam. Eiser is via Ethiopië (Addis Abeba, Asmera en Aseb), naar Sana’s in Jemen

gegaan. Vervolgens is eiser naar Amsterdam vertrokken, waar hij op 9 juli 1995 is aangekomen.

Kort nadat eiser Nederland was ingereisd na op vertoon van een op zijn naam gesteld Jemenitisch paspoort afgegeven op 30 mei 1995, zijn door de politie elders te Schiphol een drietal, kennelijk eveneens aan eiser toebehorende, documenten

aangetroffen. Met betrekking tot deze documenten is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een onderzoek ingesteld. In een individueel ambtsbericht d.d. 11 juni 1996 (kenmerk DAZBA/Adm.nr. 49334) komt het Ministerie van Buitenlandse Zaken tot de

conclusie dat alle drie de door eiser weggegooide documenten authentiek zijn. Het betreft een paspoort afgegeven op 4 december 1991 in Jemen op naam van eiser, een blauw identiteitsdocument inhoudende een verklaring van een Jemenitische rechter waarin

gesteld wordt dat eiser de Jemenitische nationaliteit bezit en tenslotte een identiteits- en reisdocument uit 1986 waaruit blijkt dat eiser door de Jemenitische autoriteiten verantwoordelijk voor de afgifte van paspoorten te Sana’s (hierna ook: Sana’a)

is aangemerkt als “Jemeniet uit het buitenland”. Volgens genoemd ambtsbericht zou eiser tot de grote groep van in Somalië geboren, maar van oorsprong Jemenitische onderdanen horen. De nationaliteit van deze groep is omstreden. In het verleden konden

deze personen via een uitspraak van de rechter de Jemenitische nationaliteit krijgen. Eiser heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. In 1995 zijn er in alle gouvernoraten te Jemen commissies ingesteld die van geval tot geval bepalen of een in

Somalië uit van oorsprong Jemenitische ouders geborene de Somalische dan wel Jemenitische nationaliteit bezit. Indien eiser zijn paspoort verlengt zal een dergelijk commissie opnieuw bepalen welke zijn nationaliteit is. Eiser zal in ieder geval niet

uit Jemen uitgewezen worden. Eiser zal te Jemen in het voor hem meest ongunstige geval de status van vluchteling krijgen, aldus de Minister van Buitenlandse Zaken in het individuele ambtsbericht.

Eiser heeft als reactie op het ambtsbericht bij brief van 7 maart 1997 informatie overgelegd uit het jaarboek van Amnesty International van 1996. Volgens dit jaarboek zijn honderden mensen, voornamelijk Somaliers die als vluchteling waren

erkend door de VN-Hoge Commissaris voor de vluchtelingen, door de Jemenitische regering gerepatrieerd. Verweerder heeft niettemin het standpunt gehandhaafd dat eiser naar Jemen terug zou kunnen nu hij ook de Jemenitische nationaliteit zou bezitten.

Vervolgens heeft verweerder in navolging van de uitspraak van de president van de rechtbank te 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch van 16 december 1998, waarin de president mede naar aanleiding van voornoemde informatie van

Amnesty International heeft geoordeeld dat verweerder nader onderzoek diende te verrichten naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser in Jemen, op 7 april 1999 een vervolgonderzoek geïnitieerd. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in dat

kader op verzoek van verweerder wederom een individueel ambtsbericht d.d. 12 juli 1999 (kenmerk DPC/AM/Adm.nr. 49334) opgesteld, inhoudende dat eiser zowel in 1991 als in 1995 een Jeminitisch paspoort in Sana’a (Jemen) heeft gekregen. Dit impliceert,

aldus het Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat eiser bij beide paspoortafgiftes fysiek in Sana’a aanwezig moet zijn geweest en dat hij derhalve niet de gehele periode van 1977 tot 1995 in Somalië heeft gewoond. Het ambtsbericht meldt verder als volgt:

"Een paspoort met nummer [...] werd 4 december 1991 in Sana's afgegeven. Daarbij zou de Jemenitische nationaliteit van betrokkene zijn vastgesteld door de rechtbank. Bij een visumaanvraag voor een bezoek aan Amsterdam heeft betrokkene vervolgens een

kopie van een op zijn naam staand Jemenitisch paspoort met nummer [...] verstrekt, dat op 30 mei 1995 in Sana's (met een geldigheidsduur tot 29 mei 1999) werd afgegeven." Vóór 1994 hebben de Jemenitische autoriteiten aan vreemdelingen paspoorten

verstrekt die niet voldeden aan de procedure ter verkrijging van de Jemenitische nationaliteit. Bij vernieuwing van deze paspoorten werd daarom opnieuw de Jemenitische nationaliteit aan de orde gesteld. Ook bij deze vernieuwing heeft eiser in 1995 een

Jemenitische paspoort ontvangen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken trekt hieruit de conclusie dat eiser in ieder geval de Jemenitische nationaliteit bezit en naar Jemen zou kunnen terugkeren. Voorts meldt voornoemd ambtsbericht dat "als gevolg van

een slechte communicatie tussen de Jemenitische overheid en de UNHCR op 28 augustus 1995 abusievelijk 300 Somalische vluchtelingen van Aden naar Bossaso zijn teruggestuurd. Sindsdien zijn er maatregelen getroffen om dit soort vergissingen te

voorkomen."

Verweerder heeft naar aanleiding van voornoemd ambtsbericht nog enkele aanvullende vragen aan de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd.

In het ambtsbericht van 13 september 1999 (kenmerk DPC/AM/Adm.nr. 49334) heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken het ambtsbericht van 12 juli 1999 aangevuld. Hierin wordt (wederom) gesteld dat de beide paspoorten, afgegeven in 1991 en 1995,

daadwerkelijk door de Jemenitische autoriteiten aan eiser zijn verstrekt. Tevens wordt vermeld dat in (delen van) Jemen tot 1998 een paspoort aangevraagd en afgehaald kon worden door een tussenpersoon. Uit navraag door het Ministerie van Buitenlandse

Zaken bij de ambassade van Mauritanië in Sana’s is gebleken dat eiser daar vier jaar werkzaam is geweest, van 1991 tot aan zijn vertrek naar Nederland. Tot slot is met het ambtsbericht meegezonden een afschrift van een officieel identiteit- en

reisdocument uit 1986. "Uit dit document blijkt tevens dat betrokkene reeds voor 1990 naar Jemen kwam als Jemeniet uit het buitenland. Op grond van dit document heeft hogergenoemde vreemdeling de paspoorten ontvangen", aldus het Ministerie van

Buitenlandse zaken.

Eiser heeft bij brief van 12 oktober 1999 gereageerd op de individuele ambtsberichten van 12 juli 1999 en 13 september 1999. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij beide paspoorten, uit 1991 en 1995, via zijn reisagent heeft verkregen. Voorts

stelt eiser dat uit voornoemde ambtsberichten niet kan worden afgeleid dat aan eiser de paspoorten daadwerkelijk zouden zijn verstrekt. Eiser voegt hier aan toe dat deze mogelijkheid wordt bevestigd door het ambtsbericht van 13 september 1999 waaruit

blijkt dat een paspoort vóór 1998 in Jemen kon worden afgehaald door een tussenpersoon. Verder stelt eiser nooit op de ambassade van Mauritanië in Sana's te hebben gewerkt en dat geen enkel bewijsstuk is overgelegd voor de bewering dat dit wel het geval

zou zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een afschrift van een brief van de ambassade van Jemen in Nederland bijgevoegd waarin staat dat eiser niet voorkomt in het register van de ambassade. Verder meent eiser dat uit het ambtsbericht

van 13 september 1999 niet valt af te leiden hoe is vastgesteld dat uit het in dat ambtsbericht genoemde document uit 1986 zou blijken dat eiser Jemeniet is. Tenslotte verzoekt eiser om inzage in de onderliggende stukken.

Verweerder heeft eisers reactie doorgestuurd naar het Ministerie van Buitenlandse zaken met het verzoek hierop te reageren. Het ministerie van Buitenlandse zaken heeft bij ambtsbericht van 25 oktober 1999 (kenmerk DPC/AM/Adm.nr. 49334) aan dit

verzoek voldaan met de mededeling dat dit ambtsbericht een aanvulling is op de eerdere drie ambtsberichten met hetzelfde kenmerk. Bij dit ambtsbericht van 25 oktober 1999 is een afschrift van een door eiser ingevuld en getekend visumaanvraagformulier

van 11 juni 1995 meegezonden, met de mededeling: "ten aanzien van de passage dat betrokkene stelt dat hij niet op de ambassade van Mauritanië in Sana's heeft gewerkt zou ik willen verwijzen naar het door betrokkene (zelf) ingevulde en getekende

visumaanvraagformulier van 11 juni 1995….Op dit visumaanvraagformulier geeft betrokkene zelf onder punt 10 t/m 14 aan te werken op de ambassade van Mauritanië, hetgeen onlangs nogmaals is geverifieerd".

Ten aanzien van de door eiser overgelegde brief van de Jemenitische ambassade in Nederland meldt het Ministerie van Buitenlandse zaken dat de overgelegde paspoorten door de Jemenitische (paspoort) autoriteiten zijn verstrekt. "Deze informatie

is, zoals uit de formulering blijkt, afkomstig van de Jemenitische autoriteiten verantwoordelijk voor de afgifte van paspoorten te Sana's", aldus het ambtsbericht. Ook op eisers grief dat uit de ambtsberichten niet zou zijn af te leiden dat eiser op

grond van het in het ambtsbericht van 13 september 1999 genoemde document de paspoorten zou hebben ontvangen, bericht het ambtsbericht dat deze informatie afkomstig is van de Jemenitische autoriteiten verantwoordelijk voor afgifte van paspoorten te

Sana's. Voorts ziet het Ministerie van Buitenlandse zaken geen aanleiding de feitelijke informatie van de eerdere ambtsberichten te herzien en deelt mede dat eisers verzoek om toezending van de onderliggende stukken van de ambtsberichten afzonderlijk

zal worden behandeld.

Verweerder stelt zich naar aanleiding van voornoemde vier individuele ambtsberichten op het standpunt dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt ten behoeve van zijn asielaanvraag. Door zijn langdurig verblijf in Jemen te verzwijgen en

volstrekt ten onrechte twijfels te zaaien over zijn Jemenitische nationaliteit heeft eiser manifest bedrog gepleegd en wordt geen geloof meer gehecht aan de door hem afgelegde verklaringen. Aan eiser is zowel in 1991 als in 1995 een authentiek

Jemenitisch paspoort (en – in 1986 - een rechterlijke verklaring) verstrekt, uit het reis- en identificatie document uit 1986 blijkt dat eiser is erkend als iemand met de Jemenitische nationaliteit afkomstig uit het buitenland, en eiser is van 1991 tot

aan zijn vertrek naar Nederland in 1995 op de ambassade van Mauritanië te Sana’s in Jemen werkzaam geweest. Dit laatste wordt bevestigd door een door eiser ingevuld en ondertekend visumaanvraagformulier van 11 juni 1995 waaruit blijkt dat eiser

werkzaam was op genoemde ambassade. Voorts is verweerder van oordeel dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van het driejarenbeleid nu reeds is komen vast te staan dat eiser manifest bedrog heeft gepleegd middels het verstrekken van

onjuiste gegevens ten behoeve van zijn asielrelaas.

Eiser volhardt in zijn standpunt zoals reeds verwoord in zijn eerder genoemde brief van 12 oktober 1999. Tevens heeft hij bij brief van 23 augustus 1999 een beroep gedaan op het zogeheten driejarenbeleid.

Ten aanzien van eisers gestelde aanspraak op een vergunning tot verblijf overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vergunning tot verblijf aan de vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande

een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen slechts voor verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien zij een reëel risico lopen bij terugkeer een behandeling als

bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te ondergaan, of indien sprake is van overige klemmende redenen van humanitaire aard.

Gelet op de hiervoor uiteengezette standpunten van partijen doet zich in onderhavige zaak de vraag voor of verweerder op zorgvuldige wijze zijn beslissing heeft voorbereid, met name nu een viertal individuele ambtsberichten uitgebracht door het

Ministerie van Buitenlandse zaken een belangrijke rol bij de besluitvorming heeft gespeeld. In dit kader meent eiser dat in zijn procedure in strijd met het beginsel van “fair play” is gehandeld, nu hij ondanks zijn uitdrukkelijk verzoek geen inzage

heeft gekregen in de stukken die ten grondslag liggen aan de individuele ambtsberichten.

De Rechtseenheidskamer heeft in een uitspraak van 16 april 1998 (AWB 97/12366, NAV 1998, nr. 66 p. 313, 373) vastgesteld dat de Minister van Buitenlandse Zaken, wanneer hij een individueel ambtsbericht uitbrengt, geen adviseur is in de zin van artikel

3:5 van de Awb. Om te kunnen voldoen aan artikel 3:2 van de Awb, dient de staatssecretaris in het geval hij een dergelijk ambtsbericht heeft gevraagd, te onderzoeken of het ambtsbericht qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen,

voordat het ten grondslag wordt gelegd aan een beschikking. De eisen van de Awb brengen met zich mee dat de staatssecretaris in alle gevallen moet onderzoeken of het verrichte onderzoek, gerelateerd aan de vraagstelling, de in het ambtsbericht genomen

conclusies kan dragen.

Bij uitspraak van 10 februari 1999 (AWB 98/5396) heeft de Rechtseenheidskamer bepaald dat de rechtbank de aan een individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken bij de Minister kan opvragen met toepassing van artikel 8:45 Awb. De rechtbank

kan aldus beoordelen of verweerder zich op juiste wijze van de vergewisplicht heeft gekweten.

In onderhavige zaak heeft verweerder in de ambtsberichten van 12 juli 1999, 13 september 1999 en 25 oktober 1999 ingevolge bovengenoemde uitspraak van de Rechtseenheidskamer inzage gevraagd en gekregen in de onderliggende stukken van de

individuele ambtsberichten en vastgesteld dat deze qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk inzichtelijk zijn.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om, in navolging van de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 10 februari 1999, de onderliggende stukken van de diverse individuele ambtsberichten op te vragen. Hiervoor is van belang

dat uit de inhoud van de individuele ambtsberichten duidelijk blijkt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken grondig onderzoek heeft verricht naar de overgelegde documenten en dat naar aanleiding van de stellingen van eiser diverse bevindingen

nogmaals zijn gecheckt, hetgeen geen aanleiding is geweest om tot wezenlijk andere conclusies te komen. Voorts heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken inzage gegeven in één van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de individuele

ambtsberichten d.d. 12 juli 1999, 25 oktober 1999 en 13 september 1999, welk stuk voor de beoordeling van eisers aanspraak op een vergunning tot verblijf essentieel is te achten. Eiser heeft voor dit document geen bevredigende verklaring kunnen geven.

Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van verweerder, dat hij na inzage in de onderliggende stukken van de individuele ambtsberichten heeft vastgesteld dat deze qua inhoud en procedure zorgvuldig

tot stand zijn gekomen en inhoudelijk inzichtelijk zijn. De rechtbank acht het derhalve niet noodzakelijk om kennis te nemen van (alle) onderliggende stukken van de in deze zaak uitgebrachte individuele ambtsberichten. Tot slot valt daarom niet in te

zien dat verweerder in strijd met het beginsel van “fair play” heeft gehandeld door de individuele ambtsberichten aan de bestreden beslissing ten grondslag te leggen, terwijl de Minister van Buitenlandse Zaken nog geen beslissing had genomen met

betrekking tot de onderliggende stukken. Dit laatste valt immers niet aan verweerder toe te rekenen, terwijl eiser evenmin navraag heeft gedaan bij de Minister van Buitenlandse Zaken, zoals hij ter zitting verklaard heeft. Bovendien heeft de rechtbank,

gezien het voorgaande, geen aanleiding gezien gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 8:45 van de Awb zelf de stukken die aan de individuele ambtsberichten ten grondslag liggen op te vragen.

Op grond van het bovenstaande meent de rechtbank dat verweerder heeft voldaan aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van zijn beslissing aan zijn besluit vorming moeten worden gesteld.

Uitgaande van de inhoud van voornoemde individuele ambtsberichten, concludeert de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van het op Schiphol aangetroffen paspoort uit 1991 en een kopie van een paspoort dat is uitgereikt in 1995 overweegt de rechtbank dat het niet onomstotelijk vaststaat dat eiser in 1991 persoonlijk in het bezit is gesteld van een

Jemenitisch paspoort. Weliswaar blijkt uit de ambtsberichten dat de paspoorten daadwerkelijk zijn uitgereikt, maar uit deze ambtsberichten blijkt ook dat pas sinds 1996, en feitelijk sinds 1998 de paspoorten in Jemen persoonlijk worden uitgereikt zonder

gebruikmaking van een tussenpersoon. Derhalve is niet uit te sluiten dat de paspoorten in 1991 en 1995 niet persoonlijk aan eiser zijn uitgereikt.

De rechtbank kan eisers standpunt echter niet delen dat geen belang gehecht kan worden aan het door verweerder overgelegde visumaanvraagformulier d.d. 11 juni 1995 waarin eiser verzoekt om kort verblijf in Amsterdam. Desgevraagd heeft eiser ter

zitting verklaard dat de foto op het visumaanvraagformulier een afbeelding van hemzelf betreft en dat zijn reisagent ook dit document zou hebben opgesteld met behulp van een door eiser aan de reisagent verstrekte pasfoto. De rechtbank acht het

volstrekt onaannemelijk dat eisers reisagent ook dit document zou hebben opgesteld nu eiser dit document bij zijn aankomst in Nederland niet bij zich had en op geen enkele manier kan aangeven dan wel aantonen hoe dit document Nederland zou zijn

binnengekomen. Bovendien vertonen de gegevens op het visumaanvraagformulier grote overeenkomsten met de persoongegevens van eiser. Dat eisers naam niet juist gespeld zou zijn doet hier niet aan af nu de transcriptie van Arabisch naar Nederlands niet

altijd een eenduidige schrijfwijze oplevert. De rechtbank merkt op dat ook gemachtigde van eiser niet op eenduidige wijze de naam van zijn cliënt heeft gespeld.

Eiser heeft in voornoemd document aangegeven sinds 1991 bij de ambassade van Mauritanië in Jemen werkzaam te zijn. Medewerkers op de ambassade van Mauritanië hebben hem, zoals in het ambtsbericht van 13 september 1999 vermeld wordt, ook als

zodanig van een foto herkend. De door eiser overgelegde verklaring van de Jemenitische ambassade in Nederland dat eiser niet in de registers van de ambassade van Jemen in Nederland voorkomt is zeer summier en zegt niets, in tegenstelling tot hetgeen

gemachtigde van eiser ter zitting stelde, over het personeelsbestand van de ambassade van Mauritanië in Jemen.

Gezien het voorgaande, mede bezien in het licht van de andere documenten die door eiser zijn overgelegd dan wel in de buurt van eiser op Schiphol zijn aangetroffen, die authentiek zijn bevonden en die volledig bij voorgaande aansluiten, is de

rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft kunnen vaststellen dat eiser reeds langere tijd voorafgaand aan zijn komst naar Nederland in Jemen heeft gewoond en niet, zoals eiser heeft gesteld, in Somalië alsmede dat eiser niet de

Somalische maar de Jemenitische nationaliteit bezit. Zelfs indien eiser de Somalische en niet de Jemenitische nationaliteit zou bezitten, heeft verweerder door middel van het gestelde in het ambtsbericht van 12 juli 1999 van het Ministerie van

Buitenlandse Zaken en ter zitting aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Jemen door de Jemenitische autoriteiten zal worden geregistreerd en in het bezit kan worden gesteld van een ‘residence permit’. Eiser loopt dan ook geen reëel risico bij

terugkeer naar Jemen te worden uitgezet naar Somalië en aldus te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Van overige klemmende redenen van

humanitaire aard is niet gebleken.

Gesteld noch gebleken is dat met de aanwezigheid van eiser hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Ten aanzien van het door eiser gedane beroep op het zogeheten driejarenbeleid, overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge het driejarenbeleid, neergelegd in hoofdstuk A4/6.17 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), heeft een vreemdeling in asielzaken aanspraak op een vergunning tot verblijf zonder beperkingen indien aan de volgende drie voorwaarden is

voldaan:

-1. Er zijn tenminste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk

beoogde verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; én

-2. de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfsdoel; én

-3. er is geen sprake van contra-indicaties.

Met betrekking tot de voorwaarde genoemd onder –1 en –3 overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft blijkens zijn asielrelaas en alle verdere in de procedure door hem gegeven informatie onjuiste gegevens verstrekt ten aanzien van zijn laatste

verblijfplaats en zijn nationaliteit. Dit deed hij te kwader trouw, immers tegen beter weten in en met het doel toelating tot Nederland te verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit

geval sprake is van de contra-indicatie “manifest bedrog” en eiser dus niet voldoet aan de voorwaarde onder -3.

Ingevolge de uitspraken van de rechtbank van 18 juni 1998 (Rechtseenheidskamer, JV 1998/S56) wordt de termijn van relevante tijd in de zin van het driejarenbeleid gestuit tot het moment van bekendmaking van de onderzoeksresultaten, waarbij het

manifest bedrog is aangetoond. Na die bekendmaking vangt een nieuwe termijn aan waarbinnen rechten worden opgebouwd. Eiser is, ook na bekendmaking van de beschikking van 17 oktober 1996, waarbij de bevindingen van de Minister van Buitenlandse Zaken aan

eiser kenbaar zijn gemaakt, gebleven bij de door hem verstrekte onjuiste informatie en noopte verweerder daardoor tot het instellen van telkens nieuwe onderzoeken. De rechtbank acht het derhalve niet redelijk om het tijdsverloop aan verweerder toe te

rekenen. Het vierde en laatste ambtsbericht in het kader van deze onderzoeken dateert van 25 oktober 1999 en is met de bestreden beschikking van 12 november 1999 aan eiser kenbaar gemaakt. De nieuwe termijn zoals hiervoor bedoeld is hierdoor naar het

oordeel van de rechtbank eerst weer aangevangen op 12 november 1999. Gelet hierop voldoet eiser derhalve evenmin aan de onder –1 genoemde voorwaarde.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het onderhavige beroep ongegrond is.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op juiste gronden een vergunning tot verblijf aan eiser heeft kunnen weigeren.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank

niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING.

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus gedaan door mr. C. Lely-van Goch als rechter in tegenwoordigheid van mr. drs. A. de Graag als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2000.

De rechter

De griffier

Afschrift verzonden op: 8 november 2000

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.