Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9206

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 00/72703
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herziening.

Verzoek om herziening van een uitspraak van de president van 24 november 2000 c.q. een verzoek om terug te komen op de uitspraak van de president. In de uitspraak van de president is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard omdat door verzoeker, na het verstrijken van de geboden herstel-termijn, geen besluit betreffende niet-toelating is overgelegd. Dit vereiste is neergelegd in paragraaf 4.1.1.1 van de Richtlijnen vreemdelingenkamer.

De president is van oordeel dat noch herziening noch verzet mogelijk is van een uitspraak als bedoeld in titel 8.3 van de Awb. Het verzoek om herziening dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voorzover wordt verzocht om vervallenverklaring van de uitspraak van de president van 24 november 2000 is de president van oordeel dat in casu geen sprake is van een kennelijke misslag.

Afwijzing van het overige van het verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:84, geldigheid: 2000-12-13
Algemene wet bestuursrecht 8:88, geldigheid: 2000-12-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 00/72703 VRWET

Uitspraak van de president ingevolge artikel 8:84, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet op het verzoek om terug te komen op de uitspraak van de president van 24 november 2000

in het geschil tussen:

A, verzoeker,

gemachtigde mr. A. Kurt, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te

's-Hertogenbosch,

en

de Staatssecretaris van Justitie te s'-Gravenhage, verweerder.

I. OVERWEGINGEN.

Verweerder heeft afwijzend beslist op het verzoek van verzoeker om toelating. Bovendien is bij schrijven van 15 september 2000 beslist dat verzoeker Nederland binnen twee weken na dagtekening van deze brief moet hebben verlaten.

Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 27 september 2000 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen tegen dit besluit. Bij uitspraak van 24 november 2000 (reg.nr. AWB 00/66252) is dit verzoek, met toepassing van het bepaalde

in artikel 8:83, derde lid van de Awb, niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet overleggen van een afschrift van het besluit betreffende niet-toelating.

Namens verzoeker is bij verzoekschrift van 27 november 2000 verzocht om herziening van deze uitspraak op grond van artikel 8:88 van de Awb. Aan het verzoek om herziening legt verzoeker ten grondslag dat dient te worden teruggekomen

op de niet-ontvankelijkheid omdat met het overleggen van de besluiten van 15 september 2000, waarin verzoeker wordt aangezegd Nederland binnen twee weken te verlaten, is voldaan aan het vereiste dat is neergelegd in artikel 6:5,

tweede lid van de Awb. Paragraaf 4.1.1.1 van de Richtlijnen vreemdelingenkamer waarin is opgenomen dat verzoeker op grond van artikel 6:5, tweede lid van de Awb zowel de mededeling dat de beslissing op bezwaar of beroep niet mag

worden afgewacht als de beschikking betreffende niet-toelating dient over te leggen is, zo stellen verzoekers, in strijd met de Awb en derhalve terzake onverbindend.

De president is van oordeel dat noch titel 8.3 van de Awb of artikel 8:88 van de Awb, noch de toelichting daarop de president de bevoegdheid toekennen een uitspraak als bedoeld in titel 8.3 van de Awb te herzien. Het verzoek om

toepassing van artikel 8:88 van de Awb moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ook de artikelen 8:81 en 8:87 van de Awb kunnen niet leiden tot het door verzoeker beoogde resultaat.

De rechtbank heeft de mogelijkheid een kennelijke misslag in een uitspraak ex artikel 8:54 van de Awb te herstellen langs de weg van artikel 8:55 van de Awb. In titel 8.3 van de Awb ontbreekt een vergelijkbare regeling voor de

president.

Niettemin moet worden aangenomen dat aan de president de bevoegdheid toekomt een uitspraak ex artikel 8:84 juncto 8:83, derde lid van de Awb als hier aan de orde, al dan niet ambtshalve vervallen te verklaren indien deze berust op

een kennelijke misslag.

Daarvan is hier echter geen sprake. Verzoekers gemachtigde is bij aangetekend schrijven dezerzijds van 24 oktober 2000 in de gelegenheid gesteld een afschrift van het besluit betreffende niet-toelating binnen vier weken na

dagtekening van deze brief, derhalve uiterlijk op 21 november 2000, in te dienen. Ten tijde van de uitspraak van 24 november 2000 was dit afschrift niet door de rechtbank ontvangen. De uitspraak van 24 november 2000 komt dan ook

niet voor vervallenverklaring in aanmerking.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden

veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank

niet gebleken.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid van de Awb wordt beslist als hieronder vermeld.

II. BESLISSING

De president:

verklaart het verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:88 niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek voor het overige af.

Aldus gedaan door mr. Th.C.M. Hendriks-Jansen als fungerend president in tegenwoordigheid van mr. B. van den Akker als griffier en uitgesproken in het openbaar d.d. 13 december 2000.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden: 19 december 2000

Ma