Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9202

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2000
Datum publicatie
02-01-2001
Zaaknummer
AWB 00/65967
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / staandehouding / binnentreden woning / ophouding

De vreemdeling is staandegehouden in een woning. In verband met een PAPOS-actie, gericht op de effectuering van openstaande gerechtelijke geldboetes, waren de verbalisanten op zoek naar een persoon, die als woonachtig op het adres van die woning geregistreerd stond. De man die de deur opende ontkende de gezochte persoon te zijn en heeft toestemming verleend voor het betreden van de woning, zulks teneinde de politie in staat te stellen te controleren of de gezochte persoon inderdaad niet in de woning aanwezig was. Daarbij is een vreemdeling in de woning aangetroffen. Hij is naar zijn identiteit gevraagd en is verzocht zich te legitimeren. Daarbij bleek dat de vreemdeling, die ontkende de gezochte persoon te zijn, niet in het bezit was van enig identiteitsdocument. De vreemdeling is vervolgens vreemdelingrechtelijk staande gehouden en overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. De

rechtbank overweegt ambtshalve dat niet is gesteld, noch gebleken dat de persoon, die de deur opende, niet bevoegd was toestemming te verlenen tot het binnentreden van de woning. Ter zitting daarnaar gevraagd heeft de vreemdeling verklaard geen bewoner te zijn van het onderhavige pand. Daarmee staat tevens vast dat het binnentreden van de woning, gelet op het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden, evenmin afhankelijk was van toestemming van de vreemdeling.

In aanmerking genomen voorts de zojuist beschreven context en de aard van het onderzoek, is de aanhouding van de vreemdeling ook overigens rechtmatig te achten. Het aan hem gedane verzoek zich te legitimeren is, nu dit verzoek diende ter vaststelling of de vreemdeling de waarheid sprak dat hij de gezochte en op hetzelfde adres geregistreerd staande persoon niet was, bevoegd gedaan. In aanmerking genomen de vervolgens ontstane concrete aanwijzingen over illegaal verblijf waren de in artikel 19 Vw gestelde voorwaarden tot staande houding van de vreemdeling vervuld. De rechtbank volgt de vreemdeling niet in de redenering dat de vreemdeling alvorens voor verhoor te zijn overgebracht nodeloos lang en derhalve onrechtmatig is opgehouden. Als tijdstip van staande houding vermeldt het proces-verbaal 1 oktober 2000, omstreeks 10:00 uur en als tijdstip van 11:30 uur. Noch dit tijdsverloop, noch de omstandigheid dat na aanhouding enige tijd diende te worden gewacht op de komst van de vreemdelingenpolitie, laat de conclusie toe dat in het onderhavige geval onvoldoende voortvarendheid is betracht en de bewaring deswege behoort te worden opgeheven. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 34a Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 00/65967 VRWET

Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.W.W. Raspe, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1966 en de Liberiaanse nationaliteit te hebben.

Op 1 oktober 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).

2. Op 2 oktober 2000 is namens de vreemdeling door mr. M.M. Polman tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep is op 9 oktober 2000 ingetrokken.

Op 12 oktober 2000 is namens de vreemdeling door mr. P.H. Hillen opnieuw tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld en tevens verzocht om schadevergoeding.

Dit beroep wordt behandeld als een eerste beroep als bedoeld in artikel 34a, tweede lid, Vw.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Tevens was ter zitting F.J. Klunder aanwezig, tolk in de Engelse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onder-

havige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat de vreemdeling bij zijn staandehouding onterecht is gevraagd zich te legitimeren. Voorts wordt aangevoerd dat de tijd tussen de staandehouding en de ophouding te lang heeft geduurd.

3. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast. Daartoe zij het volgende overwogen.

De vreemdeling is staandegehouden in een woning aan de [...]straat te B. Het is de rechtbank uit het proces-verbaal van staandehouding van 1 oktober 2000 gebleken dat in verband met een PAPOS-aktie, gericht op de effectuering van

openstaande gerechtelijke geldboetes, de verbalisanten op zoek waren naar een persoon, genoemd C, die als woonachtig op zojuist vermeld adres geregistreerd stond. De negro‹de en Engelstalige man die de deur opende, zo volgt uit het

proces-verbaal, ontkende de gezochte persoon te zijn en stelde dat die persoon niet in de woning aanwezig was, noch daar woonde. Na zijn identiteitspapieren te hebben opgezocht, waaruit bleek dat hij C niet was, ontkende de

ondervraagde bekend te zijn met de mannen die de verbalisanten in de woning zagen rondlopen. Vervolgens heeft de ondervraagde toestemming verleend voor het betreden van de woning, zulks teneinde de politie in staat te stellen te

controleren of C inderdaad niet in de woning aanwezig was. Daarbij is de vreemdeling in de woning aangetroffen en naar zijn identiteit gevraagd en is hij verzocht zich te legitimeren. Daarbij bleek dat de vreemdeling, die ontkende C

te zijn, niet in het bezit was van enig identiteitsdocument. De vreemdeling is vervolgens vreemdelingrechtelijk staande gehouden en overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor.

De rechtbank overweegt ambtshalve dat niet is gesteld, noch gebleken dat de persoon, die de deur opende, niet bevoegd was toestemming te verlenen tot het binnentreden van de woning. Ter zitting daarnaar gevraagd heeft de vreemdeling

verklaard geen bewoner te zijn van het onderhavige pand. Daarmee staat tevens vast dat het binnentreden van de woning, gelet op het bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden, evenmin afhankelijk was van toestemming van de

vreemdeling.

In aanmerking genomen voorts de zojuist beschreven specifieke context en de aard van het onderzoek, hetwelk onbetwist deeluitmaakt van de uitoefening van de reguliere politietaak, kan het aan de vreemdeling gedane verzoek zich te

legitimeren, nu dit verzoek diende ter vaststelling of de vreemdeling de waarheid sprak dat hij de gezochte en op hetzelfde adres geregistreerd staande persoon niet was, moelijk anders dan als bevoegd gedaan worden aangemerkt. In

aanmerking genomen de vervolgens ontstane concrete aanwijzingen over illegaal verblijf waren de in artikel 19 Vw gestelde voorwaarden tot staande houding van de vreemdeling vervuld.

De rechtbank volgt de vreemdeling niet in de redenering dat de vreemdeling alvorens voor verhoor te zijn overgebracht nodeloos lang en derhalve onrechtmatig is "opgehouden". Als tijdstip van staande houding vermeldt het

proces-verbaal 1 oktober 2000, omstreeks 10:00 uur en als tijdstip van aanvang van ophouding op het politiebureau 1 oktober 2000, omstreeks 11:30 uur. Noch dit tijdsverloop, noch de omstandigheid dat na aanhouding enige tijd diende

te worden gewacht op de komst van de vreemdelingenpolitie, laat de conclusie toe dat in het onderhavige geval onvoldoende voortvarendheid is betracht en de bewaring deswege behoort te worden opgeheven.

4. De rechtbank is tevens van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, wiens uitzetting is gelast, op een juiste grondslag berust. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige

titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, zich aan het vreemdelingentoezicht heeft onttrokken en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het

ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat en dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Weliswaar heeft presentatie van de vreemdeling bij de autoriteiten

van zijn land van herkomst nog niet plaatsgevonden, doch dit vindt zijn oorzaak in het feit er problemen waren met uitzetting naar Liberia. Uit het desgevraagd nader ingezonden bericht van verweerder van 27 oktober 2000 is de

rechtbank gebleken dat deze problemen zijn opgelost. Op 27 oktober 2000 heeft er een groepspresentatie plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich thans op het standpunt kan stellen dat de bewaring van de

vreemdeling dient te worden gehandhaafd en het resultaat van de groepspresentatie door de Liberiaanse autoriteiten vooralsnog moet worden afgewacht.

6. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid

ongerechtvaardigd is te achten.

7. Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

8. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

RECHT DOENDE:

1. Verklaart het beroep ongegrond;

2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak

hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen

van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op

30 oktober 2000, in tegenwoordigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier.

afschrift verzonden op: 16 november 2000

Reg. Nr. AWB 00/65967 VRWET 3