Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9198

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
02-01-2001
Zaaknummer
AWB 00/1956
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

DRC / getuigenisverklaringen aan UNHCR.

Verzoeker was werkzaam als grafdelver voor de soldaten van Kabila in Mbandaka (westen van DRC). In februari 1998 heeft verzoeker tegenover medewerkers van de UNHCR een verklaring afgelegd over deze werkzaamheden. Verweerders motivering dat de verklaringen van verzoeker niet aannemelijk zijn en dat uit zijn verklaringen niet kan worden geconcludeerd dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel bij terugkeer naar de DRC onderworpen zal worden aan een in artikel 3 van het EVRM verboden behandeling, kan de conclusie dat verzoekers asielaanvraag ongegrond is niet zonder meer dragen. Immers, verzoekers relaas past bij het algemene beeld inzake de houding van Kabila tegenover missies van de VN en de personen die daaraan medewerking verlenen. Uit diverse bronnen blijkt voorts dat het Kabila regime zowel in het westen als in het oosten van de DRC heeft getracht het onderzoek van de VN te belemmeren. Bovendien heeft verzoeker zijn verklaringen tijdens het nader gehoor van 5 juni 1998 afgelegd, hetgeen slechts enkele maanden na het vertrek van de VN-missie uit de DRC is. Verweerder had dienen te onderzoeken en onderbouwen of de personen die een getuigenis hebben afgelegd aan het onderzoeksteam van de UNHCR over de (mogelijke) misdaden tegen de menselijkheid van de troepen van Kabila, gegronde vrees voor vervolging hebben, dan wel het risico lopen een bij artikel 3 EVRM verboden behandeling. De door verzoeker overgelegde stukken en het ambtsbericht van 12 mei 1999 bevatten immers geen informatie met betrekking tot de vraag of de personen die informatie hebben verstrekt aan een VN-onderzoeksteam, ook na het vertrek van het VN-onderzoeksteam in een bijzondere negatieve aandacht van het regime van Kabila zijn blijven staan. Niet mogelijk om een geobjectiveerde inschatting te maken ten aanzien van de houding van de Congolese autoriteiten tegenover verzoeker.

Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

President

Registratienummer: AWB 00/1956

Datum uitspraak: 31 oktober 2000

Uitspraak

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)

in de zaak van

A,

verzoeker,

gemachtigde mr. A.J.P.Lemmen, advocaat te Heerlen,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D. van den Berg,

ambtenaar bij de IND.

Het procesverloop

Op 25 april 1998 heeft verzoeker aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij beschikking van 17 november 1999, uitgereikt op 24 november 1999, heeft verweerder de aanvragen niet

ingewilligd.

Verzoeker heeft daartegen bij bezwaarschrift van 21 december 1999 bezwaar gemaakt.

Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 2 maart 2000 heeft verzoeker de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 oktober 2000. Verzoeker is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan

een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De president zal, voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, toetsen of er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor

vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin, en voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de beslissing aan verzoeker geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen, toetsen

of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

3. Op grond van artikel 15 van de Vreemdelingenwet (Vw) in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden

hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden

toegelaten.

4. Het vluchtrelaas van verzoeker komt op het volgende neer. Verzoeker woonde in Mbandaka in de Democratische Republiek Congo. Hij werkt aldaar als grafdelver. Rond augustus 1997 heeft hij, met een aantal collega’s even buiten de

begraafplaats van de wijk [...], graven gedolven op verzoek van soldaten die volgens verzoeker uit Rwanda afkomstig waren en voor Kabila streden. Deze soldaten hebben deze graven gevuld met, naar verzoeker later heeft begrepen,

vermoorde Hutu-vluchtelingen uit Rwanda. In februari 1998 heeft verzoeker tegenover medewerkers van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: UNHCR) daarover een verklaring afgelegd. Deze medewerkers zijn met hem in

contact gekomen via een zuster B, die verbonden was als ‘soeur de charité’ aan de Sacre Coeur te Mbandaka. Verzoeker heeft voorts verklaard dat hij op 28 februari 1998 door soldaten van Rwandese en Oegandese origine is opgepakt en

vastgehouden op het politiebureau van Mbandaka. Op het politiebureau is verzoeker slecht behandeld; hij is geslagen en kreeg geen eten. Verzoeker is vervolgens vrijgelaten omdat zuster B een bewaker zou hebben omgekocht. Deze zuster

vertelde hem dat hij weg moest omdat hij anders doodgeschoten zou worden. Verzoeker is vervolgens ondergedoken bij de zusters in de Sacre Coeur en daarna, met een aanbevelingsbrief van zuster B, doorgestuurd naar de ‘soeurs de

Charité’ te Bagui in de Centraal Afrikaanse Republiek. Verzoeker heeft de Democratische Republiek Congo op 17 april 1998 verlaten. Vanuit Bangui is zuster C, van Belgische origine, met hem naar Nederland gereisd, alwaar hij op 24

april 1998 is aangekomen. Verzoeker reisde op een hem ter beschikking gesteld vals paspoort.

5. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen. Daaraan ligt in de eerste plaats de overweging ten grondslag dat verweerder de verklaringen van verzoeker niet aannemelijk acht en voorts, zo hij niettemin in zijn verklaringen zou moeten

worden gevolgd, dat uit zijn verklaringen niet kan worden geconcludeerd dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel dat hij bij terugkeer in de Democratische Republiek Congo onderworpen zal worden aan een behandeling die

strijdig is met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij heeft verweerder – kort gezegd – gewezen op de omstandigheid dat verzoeker op zeer

eenvoudige wijze op vrije voeten is gekomen en dat niet kan worden aangenomen dat hij door de regering van de Democratische Republiek Congo zal worden vervolgd enkel omdat hij ten overstaan van de UNHCR verklaringen zou hebben

afgelegd.

6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat hij aan medewerkers van de UNHCR informatie heeft verschaft over massagraven, mede gelet op zijn etnische afkomst – hij behoort tot de Bangala, die beschouwd worden

als aanhangers van Mobutu –, wel degelijk gegronde vrees voor vervolging heeft te duchten. Verzoeker heeft zijn standpunt onderbouwd met informatie van Vluchtelingenwerk Rijnmond van 1 juli 1998, bestaande uit onder meer documenten

van de UNHCR. Uit deze informatie blijkt dat een UNHCR-missie in de maanden december 1997 tot en met maart 1998 in Mbandaka aanwezig is geweest met het oog op onderzoek naar moorden op Hutu-vluchtelingen in de buurt van Mbandaka in

1997 en voorts dat personen die wilden getuigen door de regering zijn gearresteerd.

7. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in de Democratische Republiek Congo zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt.

Derhalve zal tot op zekere hoogte aannemelijk moeten zijn, dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

De president overweegt als volgt.

8. Allereerst overweegt de president dat het asielrelaas, door zowel de in het nader gehoor afgelegde verklaringen als op basis van de door verzoeker in de bezwaarfase overgelegde informatie, vooralsnog niet ongeloofwaardig wordt

geacht. De president acht het niet onaannemelijk dat verzoeker vanwege een in februari 1998 afgelegde getuigenis aan het onderzoeksteam van de UNHCR over zijn werkzaamheden als grafdelver in augustus 1997 voor de uit Rwanda

afkomstige Kabila-soldaten in een bijzondere, negatieve belangstelling van het Kabila-regime is komen te staan.

De president merkt nog op dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat verzoekers asielrelaas niet langer ongeloofwaardig wordt geacht, maar dat de stelling wordt gehandhaafd dat het asielrelaas onvoldoende

zwaarwegend wordt geacht. De president stelt vast dat verweerder hiermee is teruggekomen op het standpunt inzake de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas dat in de beschikking in primo is verwoord.

9. De president overweegt dat verzoekers relaas past bij het algemene beeld inzake de houding van het regime Kabila tegenover missies van de Verenigde Naties (hierna: VN) en personen die daaraan medewerking verlenen. De president

acht daarbij van belang dat uit de informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van april 1998 (ZAIR 2. V p. 14 en 15) blijkt dat het regime van Kabila de locale autoriteiten intimideerde om te voorkomen dat deze informatie

verstrekten aan het onderzoeksteam van de VN dat de massamoorden in het oosten van het land onderzocht. Uit informatie van de UNHCR van april 1998 (p. 20-21) blijkt dat sommige mensenrechtenactivisten slecht behandeld of

gearresteerd werden, omdat zij verdacht werden van het verzamelen van informatie voor het onderzoeksteam van de VN. Voorts blijkt uit het ambtsbericht van 12 mei 1999 (p. 5) dat de Alliance des Forces Démocratiques pour la

Libération du Congo-Zaïre vermoedelijk betrokken was geweest bij massamoorden in het oosten van de Democratische Republiek Congo. Kabila zou het werk van een VN-onderzoeksteam onmogelijk hebben gemaakt, waarop het team in april 1998

besloot te vertrekken.

10. Voorts wijst de president erop dat het regime Kabila niet alleen in het oosten, maar eveneens in het westen van de Democratische Republiek Congo heeft getracht om het onderzoek van de VN te belemmeren. Daarbij wijst de president

op de door verzoeker overgelegde informatie van 1 juli 1998 afkomstig van Vluchtelingenwerk Rijnmond. Uit die informatie blijkt het volgende. Uit een bericht van de BBC van 9 december 1997 blijkt dat locale inwoners en hulpverleners

hebben verklaard dat in mei 1997 honderden Hutu-vluchtelingen in de omgeving van Mbandaka zijn vermoord. Een BBC-bericht van 10 december 1997 vermeldt dat medewerkers van het mensenrechtenteam van de VN in het noordwesten van

Mbandaka waren gearriveerd om een langdurig onderzoek te starten naar de massamoorden. In een brief van Human Rights Watch aan Secretaris-Generaal Annan van 5 maart 1998 waarschuwt Human Rights Watch dat getuigen die een verklaring

hebben afgelegd aan het onderzoeksteam van de VN in de noordwestelijke stad Mbandaka door de regering werden gearresteerd. Verder blijkt uit een UNHCR briefing note van 27 maart 1998 dat het onderzoeksteam gedwongen was om Mbandaka

in maart 1998 te verlaten. De president stelt verder vast dat het ambtsbericht van 12 mei 1999 geen informatie bevat ten aanzien van de activiteiten van het VN-onderzoeksteam in Mbandaka.

11. Voor wat betreft de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas wijst de president er nog op dat verzoeker zijn verklaringen tijdens het nader gehoor van 5 juni 1998 heeft afgelegd, hetgeen slechts enkele maanden na het vertrek

van de VN-missie uit de Democratische Republiek Congo is.

12. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder, naar het voorlopig oordeel van de president, niet kunnen volstaan met de in de beschikking in primo gegeven motivering. Verweerder had dienen te onderzoeken en onderbouwen of de

personen die een getuigenis hebben afgelegd aan het onderzoeksteam van de UNHCR over de (mogelijke) misdaden tegen de menselijkheid van de troepen van Kabila, gegronde vrees voor vervolging hebben, dan wel het risico lopen van een

bij artikel 3 EVRM verboden behandeling. Bovenstaande informatie geeft immers aan dat er arrestaties en detenties hebben plaatsgevonden tijdens de onderzoeken van de VN-teams. De president voegt aan het voorgaande nog toe dat noch

de namens verzoeker overgelegde stukken noch het ambtsbericht van 12 mei 1999 informatie bevatten met betrekking tot de vraag of de personen die informatie hebben verstrekt aan een VN-onderzoeksteam, ook na het vertrek van dat

VN-onderzoeksteam in een bijzondere negatieve aandacht van het regime van Kabila zijn blijven staan. Dat betekent dat het vooralsnog niet mogelijk is een geobjectiveerde inschatting te maken ten aanzien van de houding van de

Congolese autoriteiten tegenover verzoeker.

13. Gelet op het voorgaande komt de president vooralsnog tot het oordeel dat in onderhavige zaak de bestreden beschikking op een niet deugdelijke motivering berust en dat dit motiveringsgebrek niet wordt opgeheven door hetgeen

verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft aangedragen.

14. Op grond van het voorgaande is de president van oordeel dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. Derhalve is de president van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen

besluiten de uitzetting niet achterwege te laten tot op het bezwaar is beslist, zodat de gevraagde voorziening dient te worden toegewezen.

15. Gelet op het bovenstaande ziet de fungerend president geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 33b van de Vw.

16. De president acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit

proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ 1.420,- (1 punt voor het verzoek-schrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt ƒ 710,-, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is

verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb, de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

17. Tevens wordt met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb bepaald dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht zal vergoeden.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

De Beslissing

De president:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb toe;

gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering

of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoeker, c.q. tot het

treffen van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat vier weken zijn

verstreken nadat verweerder een beslissing op bezwaar heeft genomen.

veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op ƒ 1.420,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht ad ƒ 50,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2000 in tegenwoordigheid van M. le Fèbre als griffier.

de griffier de president

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open

Afschrift verzonden: 2 november 2000

.