Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA9162

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/503, 00/1446
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/24

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

Zitting houdende te Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: Awb 99/503 en 00/1446 Vrwet H V35 V1

Datum uitspraak 18 december 2000

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in samenhang met artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw)

in de zaak van

A,

eiser,

gemachtigde mr. J. van Veelen-de Hoop,

tegen

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerder,

gemachtigde mr. G.M.H. Hoogvliet.

Het procesverloop

Op 11 september 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 26 november 1998 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiser geen vergunning tot verblijf op

grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Wel is hij in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv).

Eiser heeft daartegen bij bezwaarschrift van 11 december 1998 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 13 januari 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de vvtv ingetrokken.

Bij beroepschrift van 21 januari 1999 heeft eiser beroep (Awb 99/503) ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. Bij brief van gelijke datum heeft hij bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar vvtv.

Bij beschikking van 26 januari 2000 is het bezwaar van 21 januari 1999 ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 22 februari 2000 heeft eiser beroep (Awb 00/1446) ingesteld tegen deze beschikking.

Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 november 2000. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De beoordeling

1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de beschikkingen van 13 januari 1999 en 26 januari 2000 in rechte stand kunnen houden.

2. Op grond van artikel 15 van de Vw in samenhang met artikel 1(A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen kunnen vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen

voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.

3. Het vluchtrelaas van eiser komt op het volgende neer.

B, een broer van eiser, is tijdens zijn militaire dienst gekozen als “Saddam Fedayeen”. Na zijn militaire dienst is hij opgeroepen maar heeft zich niet gemeld. Hij is deswege gearresteerd. Door omkoping en via C, een vriend van

eisers vader, is geregeld dat B op 15 november 1996 uit de gevangenis kon ontsnappen. B is dezelfde dag naar Noord-Irak vertrokken. Na zijn ontsnapping zijn de autoriteiten naar hem blijven informeren. Na zijn detentie hebben de

autoriteiten meerdere malen eisers ouderlijk huis doorzocht. Eisers broer D heeft de derde keer geprotesteerd en is toen meegenomen. Drie dagen later hebben de autoriteiten zijn stoffelijk overschot aan de familie overhandigd; hij

was doodgemarteld. In 1997 is eisers zuster beschuldigd van inbraak in een magazijn van de militaire wapenindustrie, waar zij ook werkzaam was. Zij is toen gearresteerd, samen met de vader van eiser. Leden van de veiligheidsdienst

van de militaire wapenindustrie hebben nadien meerdere keren invallen gedaan in het huis. Eiser is bij een van die gelegenheden mishandeld. Met behulp van C is het ook gelukt om een ontsnapping van eisers vader en zuster te regelen.

Zij zijn de gevangenis ontvlucht op 21 september 1997; zij zijn naar Noord-Irak gegaan. Op advies van eisers vader zijn eiser en zijn moeder die dag naar Basrah gegaan. Op 17 augustus 1998 zijn zij naar Mosul gegaan en van daar uit

hebben zij hun reis vervolgd naar Nederland.

B verblijft in Nederland, evenals de zuster en de vader van eiser.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat eiser gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging vanwege de beschuldiging van diefstal van zijn zuster of vanwege de omstandigheid dat zijn broer

gedwongen zou zijn zich aan te sluiten bij de Saddam Fedayeen. Eiser heeft immers nimmer anti-regeringsgezinde activiteiten verricht waardoor niet aannemelijk is dat de Iraakse autoriteiten hem op voorhand als een tegenstander van

het regime beschouwen. Eiser heeft nimmer persoonlijk problemen ondervonden van de zijde van de Iraakse autoriteiten ondanks de omstandigheid dat hij diverse malen met overheidsfunctionarissen zou zijn geconfronteerd. Eiser heeft

nog een jaar in Basrah verbleven zonder dat er sprake is geweest van op hem gerichte opsporingsactiviteiten door de Iraakse overheid.

Verweerder heeft de vvtv van eiser ingetrokken omdat met ingang van 20 november 1998 Iraakse asielzoekers niet langer voor deze verblijfstitel in aanmerking komen aangezien zij, gelet op de inhoud van de ambtsberichten van 31 maart

1998 en 13 november 1998 van de Minister van Buitenlandse Zaken, een binnenlands vestigingsalternatief hebben in Noord-Irak. Eiser is 18 jaar. Niet is gebleken van gezondheidsproblemen en ook overigens is op geen enkele wijze

gebleken dat hij bij terugkeer naar Noord-Irak in een humanitaire noodsituatie zou komen te verkeren.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor zover hem bekend is, wel degelijk gedwongen toetreding plaatsvindt bij de Saddam Fedayeen. Verweerder stelt ten onrechte dat hij na het vertrek van zijn vader en zuster met zijn

moeder probleemloos heeft verbleven in Basrah. Eiser en zijn moeder zijn daarheen gevlucht omdat er geen geld was voor hun vertrek uit Irak. Bovendien konden zij zich, vanwege hun afkomst, ternauwernood handhaven in Basrah. Daarbij

bestond steeds het gevaar van ontdekking door de autoriteiten. Dat zij daar nog een jaar hebben verbleven, doet niet af aan het feit dat zij zich in een vluchtsituatie bevonden. Dat niet is gebleken van opsporingsactiviteiten doet

daar niet aan af

Ten aanzien van de intrekking van zijn vvtv en de vraag of hij een binnenlands vestigingsalternatief heeft, heeft eiser bestreden dat hij een binnenlands vestigingsalternatief heeft in Noord-Irak. Dit gedeelte van het land wordt

volledig beheerst door de Koerdische partijen en door middel van infiltratie wordt door het centrale gezag in Baghad voortdurend getracht in dat gebied invloed te krijgen. De situatie in Noord-Irak is ook te instabiel. Voorts is een

verblijf in Noord-Irak voor niet-Koerden bijzonder problematisch. Eiser behoort tot de Armeens-Christelijke bevolkingsgroep en hij is afkomstig uit Centraal-Irak. Hij zal daarom bij voorbaat verdacht zijn. De intrekking van zijn

vvtv is niet gegaan conform de normen die zijn neergelegd in de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van 13 september 1999. Zonder nadere motivering kan er niet vanuit worden gegaan dat hij zich in Noord-Irak kan vestigen. Eiser

heeft aldaar geen familie- of politieke banden.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Met betrekking tot de beschikking van 13 januari 1999

7. Vooropgesteld moet worden, dat niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Irak zodanig is, dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling behoren te worden aangemerkt. Derhalve zal aannemelijk

moeten zijn, dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin.

8. Het asielrelaas van eiser is in belangrijke mate afhankelijk van dat van zijn zus en vader. Op hun asielaanvraag is evenwel nog niet definitief beslist. Hoewel het meer voor de hand had gelegen dat verweerder met het nemen van

een beslissing op de asielaanvraag of het bezwaarschrift van eiser had gewacht totdat duidelijk was of zijn familieleden voor toelating in aanmerking zouden komen, ziet de rechtbank geen aanleiding de bestreden beschikking op die

grond te vernietigen. Verweerder heeft immers ter zitting toegezegd dat, mochten de zus of vader van eiser worden toegelaten als vluchteling, eiser (eveneens) in aanmerking zou kunnen komen voor de (afgeleide) vluchtelingenstatus.

Met betrekking tot het persoonlijke, niet-afhankelijke, asielrelaas van eiser overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat eiser persoonlijk de bijzondere negatieve belangstelling van de Iraakse autoriteiten te vrezen

heeft. De problemen die hij stelt te hebben ondervonden zijn niet van dien aard geweest dat deze gekwalificeerd kunnen worden als vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Eiser komt daarom niet voor toelating als vluchteling in

aanmerking.

9. Op grond van artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, geweigerd worden op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen - behoudens verplichtingen welke voortvloeien uit internationale overeenkomsten - slechts voor

verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.

10. Gelet op hetgeen bij de beoordeling van de asielaanvraag is overwogen, is niet aannemelijk, dat eiser bij gedwongen verwijdering naar Noord-Irak een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een behandeling waartegen

artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bescherming beoogt te bieden, zodat eiser aan die bepaling geen aanspraak op verlening van een vergunning tot

verblijf zonder beperkingen kan ontlenen.

11. Ingevolge artikel 12b, eerste lid, van de Vw kan verweerder een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar

het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

12. Bij brief van 20 november 1998 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 19 637, nr. 395) heeft verweerder bekend gemaakt, dat het ten aanzien van Irakezen gevoerde

vvtv-beleid wordt beëindigd. Aan deze beleidswijziging ligt het oordeel van verweerder ten grondslag, dat verwijdering van Irakezen naar het door de centrale Iraakse overheid beheerste gebied (hierna: Centraal-Irak) van bijzondere

hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie in dat gedeelte van Irak, doch verwijdering van Irakezen naar het niet door de centrale overheid beheerste (Koerdische) gedeelte van Noord-Irak (hierna:

Noord-Irak) niet, alsmede dat Irakezen die uit Centraal Irak afkomstig zijn in Noord-Irak een binnenlands vestigingsalternatief kunnen vinden. Indien in een individueel geval in Noord-Irak geen vestigingsalternatief aanwezig is,

voert verweerder het beleid, dat die vreemdeling niet (alsnog) in aanmerking komt voor een vvtv, maar voor een (onvoorwaardelijke) vergunning tot verblijf (vtv) op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

13. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank (onder meer REK 13 september 1999, JV 1999 nr. 239-241; REK 20 maart 2000, JV 2000 nr. 83; zittingsplaats Zwolle 7 september 2000, JV 2000 nr. 244; zittingsplaats 's-Gravenhage

25 september 2000, JV 2000 nr. 267) is de beëindiging van het vvtv-beleid niet kennelijk onredelijk. Hetgeen eiser in deze procedure heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

14. Eiser heeft in beroep aanspraak gemaakt op verlening van een vtv, omdat hij afkomstig is uit Centraal Irak (Bagdad), Armeense Christen is en geen banden heeft met Noord-Irak, zodat hem geen vestigingsalternatief kan worden

tegengeworpen.

15. In de beschikking van 13 januari 1999 heeft verweerder slechts overwogen dat eiser zich in Noord-Irak kan vestigen omdat Noord-Irak als een binnenlands vestigingsalternatief kan worden aangemerkt en niet is gebleken van

negatieve aandacht voor eiser van de zijde van de Koerdische partijen. In de beschikking van 26 januari 2000 heeft verweerder ten overvloede overwogen, dat eiser de leeftijd van 18 jaar heeft, dat er ten aanzien van eiser niet is

gebleken van gezondheidsproblemen en dat ook overigens op geen enkele wijze is gebleken dat hij bij terugkeer in Noord-Irak in een humanitaire noodsituatie zou komen te verkeren.

16. In de uitspraken van 20 maart 2000 (REK; één daarvan is gepubliceerd als JV nr. 83) heeft de rechtbank de door verweerder gehanteerde richtlijn dat slechts dan van een vreemdeling afkomstig uit Centraal-Irak niet kan worden

verwacht dat hij zich vestigt in Noord-Irak, indien sprake is van een slechte gezondheidssituatie en een hoge leeftijd, terwijl de vreemdeling geen bijzondere banden heeft met Noord-Irak, geoordeeld, dat die de grenzen van een

redelijke beleidsbepaling overschrijdt.

Aan dat oordeel heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd, dat verweerder binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid is gekomen tot de vaststelling dat (ook) vreemdelingen afkomstig uit Centraal-Irak bescherming

behoeven (omdat gedwongen verwijdering naar Centraal-Irak van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar, zoals bedoeld in artikel 12b van de Vw) en dat niet valt in te zien waarom

het verweerder zou vrijstaan om aan de kwaliteit van een vestigingsalternatief ten aanzien van de hiervoor genoemde categorie vreemdelingen minder zware eisen te stellen dan ten aanzien van het binnenlands vluchtalternatief voor

personen die in Centraal-Irak een gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin, dit met het oog op de voor "de verzekering van een menswaardig bestaan" noodzakelijke toegang tot basisvoorzieningen.

Met betrekking tot de aan een vestigingsalternatief te stellen eisen heeft de rechtbank onder meer verwezen naar de (volgens de Vreemdelingencirculaire B7 nr. 8.2.2) bij tegenwerping van een land van eerder verblijf te hanteren

maatstaf dat de vluchteling aldaar "verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden" en naar de passage op pagina 8 van de vvtv-indicatorennotitie (Tweede Kamer, vergaderjaar

1997-1998, 19 637, nr. 308), dat bij de bepaling of in een concreet geval sprake is van een binnenlands vestigingsalternatief de internationale ontwikkelingen met betrekking tot het binnenlands vluchtalternatief en Internally

Displaced Persons "richtinggevend" zijn.

Een beoordeling van de feitelijke verhoudingen in de Noord-Iraakse maatschappij op basis van met name de brieven van de UNHCR van 11 december 1998 en 14 juni 1999, het rapport van 21 mei 1999 van het Deutches Orient-Institut en de

brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de IND van 12 januari 2000 heeft de rechtbank vervolgens tot het oordeel gebracht, dat een uit Centraal Irak afkomstige asielzoeker slechts dan geacht kan worden een binnenlands

vestigingsalternatief in Noord-Irak te hebben als hij aldaar (familie-, gemeenschaps- of politieke) banden heeft, hetgeen afhankelijk is van de omstandigheden van ieder individueel geval.

17. Op 12 april 2000 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een algemeen ambtsbericht over Noord-Irak uitgebracht.

18. Verweerder heeft in zijn brief van 13 juli 2000 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 19 637, nr. 534) op grond van het daarin genoemde ambtsbericht van 12 april 2000

het standpunt ingenomen, dat "in zijn algemeenheid Noord-Irak als veilig verblijfsalternatief (kan) worden tegen geworpen ten aanzien van Irakese asielzoekers die niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voor vervolging in de zin van

het Verdrag hebben te vrezen en evenmin aannemelijk hebben gemaakt dat zij aan behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bloot zullen staan. Het al dan niet hebben van familie- politieke, of gemeenschapsbanden met Noord-Irak

is in dit kader niet relevant. (…),

"Voor Irakese asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak die wel aannemelijk hebben gemaakt dat zij voor vervolging hebben te vrezen en die niet behoren tot de in het ambtsbericht genoemde risico-categorieën zal mede aan de hand van

de door UNHCR geformuleerde aandachtspunten worden bezien of in Noord-Irak een vluchtalternatief aanwezig kan worden geacht. Ten aanzien van deze personen zal bij de beslissing omtrent toelating als vluchteling worden betrokken of

er sprake is van familie-, politieke- of gemeenschapsbanden met Noord-Irak. Ik acht hierbij van belang dat in Noord-Irak een centrale overheid die voor bescherming van vluchtelingen kan zorgdragen niet aanwezig is. Indien er geen

sprake is van deze banden zal Noord-Irak niet als binnenlands vluchtalternatief worden tegengeworpen. Personen die behoren tot de risico-groepen zal geen binnenlands vluchtalternatief worden tegen geworpen."

"Mede op grond van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 blijft derhalve de beëindiging van het vvtv-beleid ten aanzien van Irak van 20 november 1998 gehandhaafd. (…)".

19. In het aanvullend verweerschrift en ter zitting heeft verweerder onder meer naar deze brief en het ambtsbericht van 12 april 2000 verwezen, en aangevoerd dat voor verweerder primair het uitgangspunt blijft, dat de

bandendiscussie niet relevant is voor asielzoekers die in Centraal-Irak niet voor vervolging te vrezen hebben, omdat op grond van het ambtsbericht van 12 april 2000 kan worden vastgesteld dat de toegang tot essentiële

basisvoorzieningen voor ontheemden in Noord-Irak gewaarborgd is. Subsidiair is in het verweerschrift het standpunt ingenomen, dat eiser gemeenschapsbanden heeft met de christelijke gemeenschap in Noord-Irak.

Met name op de uitspraken van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank is ter zitting de kritiek geuit, dat de rechtbank de marginale toetsing onvoldoende in acht heeft genomen. Volgens verweerder is het de vreemdeling zelf die

aannemelijk zou moeten maken dat in zijn geval vestiging in Noord-Irak zou leiden tot een humanitaire noodsituatie, waarin de restcategorie klemmende redenen van humanitaire aard uitkomst zou moeten brengen. Dat zou slechts enkele

gevallen betreffen, en niet een veel ruimere categorie. Volgens verweerder heeft deze jurisprudentie er toe geleid, dat de rechter te veel op detailniveau aannemelijk gemaakt wenst te zien dat ieder afzonderlijk individu op een

specifieke wijze in zijn basisbehoeften kan voorzien, bij gebreke waarvan verweerder een vtv moet verlenen, hetgeen zich niet verdraagt met het nationale, categoriale beschermingsbeleid. Volgens verweerder leidt dat tot de

onwenselijke situatie dat aan Irakezen een vtv verleend moet worden terwijl het algemene voorzieningenniveau op diverse plaatsen in de wereld lager, zo niet een stuk lager, ligt dan in Noord-Irak, terwijl toch voor personen die die

plaatsen ontvluchten geen nationaal beschermingsbeleid wordt gevoerd en ook niet gevoerd behoeft te worden.

20. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop, dat verweerder bij het (niet)voeren van een vvtv-beleid beoordelings- en beleidsvrijheid heeft, en dat de rechtbank het door verweerder gevoerde beleid slechts marginaal kan

toetsen. Slechts indien het beleid kennelijk onredelijk is of een concrete toepassing voor de vreemdeling gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen

doelen, bestaat aanleiding voor rechterlijk ingrijpen. In het licht van de beoordelings- en beleidsvrijheid van verweerder dient rechterlijk ingrijpen op de minst ingrijpende wijze plaats te vinden.

21. De vraag of de bandeneis gehanteerd moet worden bij de vaststelling of aan een Iraakse vreemdeling uit Centraal-Irak Noord-Irak als vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, is niet een vraag naar het op een binnenlands

vestigingsalternatief toe te passen juridisch criterium, maar een feitelijke vraag of gezien de sociaal-economische verhoudingen in Noord-Irak aannemelijk is dat een individu onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken

omstandigheden een menswaardig bestaan kan leiden. Gegeven de omstandigheid dat verweerder binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid is gekomen tot het oordeel dat Irakezen uit Centraal-Irak in beginsel de (nationale)

bescherming behoeven die artikel 12b Vw biedt, valt immers niet in te zien op welke grond het verweerder zou vrijstaan om aan de kwaliteit van een in dat kader tegen te werpen binnenlands vestigingsalternatief minder eisen te

stellen dan ten aanzien van verdragsvluchtelingen gesteld kunnen worden ten aanzien van het tegenwerpen van een binnenlands vluchtalternatief of een land van eerder verblijf. Zowel bij de bescherming op grond van het internationale

recht (het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en vergelijkbare bepalingen) als bij de bescherming op grond van het nationale recht gaat het immers om verlening van bescherming door de betrokkene toe te laten op een

grondgebied waar hij veilig is voor de gevaren die hem bedreigen.

22. Het standpunt van UNHCR is primair van belang voor zover het die feitelijke situatie (juist) beschrijft. UNHCR is immers een organisatie wiens informatie over de situatie in landen van herkomst in het algemeen betrouwbaar en

dus ernstig te nemen is. Dat het bij het al dan niet voeren van een vvtv-beleid gaat om een nationale beschermingsbeleid voor niet-verdragsvluchtelingen, waartoe het mandaat van UNHCR zich formeel niet zou uitstrekken, doet daaraan

niet af.

23. Aan het voorgaande doet evenmin af, dat het algemene voorzieningenniveau volgens verweerder in Noord-Irak hoger ligt dan in andere landen waarvoor geen nationaal beschermingsbeleid wordt gevoerd. Het verschil met die andere

landen is immers, dat daar volgens verweerder geen aanleiding bestaat om een nationaal beschermingsbeleid te voeren, zodat de vraag of daar een binnenlands vestigingsalternatief bestaat voor diegenen die die bescherming volgens

verweerder nodig hebben, niet aan de orde komt.

24. Voor zover het niet kunnen tegenwerpen van een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak aan Centraal-Irakezen er toe leidt dat aan de betrokken vreemdelingen in plaats van een vvtv een vtv verleend moet worden, is dat

de consequentie van de door verweerder binnen zijn beoordelings- en beleidsvrijheid gemaakte keuze om het vvtv-beleid geheel te beëindigen. Het is niet aan de marginaal toetsende rechter om daarin te treden.

25. In de uitspraak van 20 maart 2000 is vastgesteld, dat in de sociaal-economische verhoudingen in Noord-Irak het hebben van familie-, gemeenschaps- of politieke banden in beginsel nodig is om in die maatschappij toegang te

hebben tot de voor een menswaardig bestaan onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden essentiële basisvoorzieningen. Die conclusie is niet alleen gebaseerd op het standpunt van de UNHCR, maar ook op het

rapport van het Deutsches Orient-Institut en de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 januari 2000.

26. Verweerder heeft er in het verweerschrift op gewezen, dat het ambtsbericht van 12 april 2000 een uitgebreide beschrijving heeft gegeven van de sociaal-economische situatie in Noord-Irak, op grond waarvan kan worden

vastgesteld, dat de toegang tot basisvoorzieningen voor ontheemden in Noord-Irak gewaarborgd is, omdat uit paragraaf 4.2.2 (p. 89 e.v.) blijkt dat ontheemden net als de lokale bevolking toegang hebben tot de gezondheidszorg, de

voedselvoorziening, mede dankzij de programma's en projecten van VN-organisaties en ngo's, voldoende is en in beginsel voor alle ontheemden in onderdak wordt voorzien. Daarbij heeft verweerder aangevoerd, dat dit is vastgesteld in

een officieel en uitgebreid ambtsbericht, terwijl de brief van 12 januari 2000 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken niet die officiële status heeft. Dat sociale integratie voor ontheemden die geen familie-, gemeenschaps- of

politieke banden met Noord-Irak hebben, in een voorkomend geval mogelijk moeilijker zal verlopen dan voor diegenen die wel dergelijke banden hebben, doet daaraan volgens verweerder niet af.

27. De rechtbank stelt allereerst vast, dat, anders dan verweerder suggereert, het ambtsbericht van 12 april 2000 geen andere of uitgebreidere informatie geeft over de positie van ontheemden in Noord-Irak dan reeds was vervat in

de brief van 12 januari 2000. Weliswaar geeft het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 een uitgebreidere beschrijving van de situatie in Noord-Irak dan de brief van 12 januari 2000, maar de paragraaf

die daarin gewijd is aan het binnenlandse vestigingsalternatief voor ontheemden, is, afgezien van de algemene inleiding en enkele kleine aanvullingen, letterlijk gelijk aan de brief van 12 januari 2000. Het ambtsbericht bevat

derhalve ten opzichte van de in de uitspraken van 20 maart 2000 meegewogen brief van 12 januari 2000 geen nieuwe informatie over de positie van Centraal-Irakezen in Noord-Irak en biedt daarmee geen feitelijke grondslag voor een

betere motivering van het reeds eerder ingenomen en in de brief van 13 juli 2000 bevestigde standpunt.

28. Voorts stelt de rechtbank vast, dat in de betreffende paragraaf van het ambtsbericht wel een aantal algemene uitspraken over de positie van ontheemden wordt gedaan, zoals die waarop zijdens verweerder in het verweerschrift is

gewezen, doch dat het ambtsbericht ook (onder meer op de pagina's 89-91) een aanzienlijk aantal passages bevat van de strekking dat voor veel ontheemden de sociale en economische integratie moeizaam verloopt en zij aangewezen zijn

op ondersteuning door de lokale autoriteiten, ngo's en VN-organisaties, dat slechts een klein deel zonder problemen zelfstandig kan (her)integreren in de Noord-Iraakse samenleving, en dat een deel van de ontheemden een beroep kan

doen op familieleden en stamgenoten, dan wel politieke geestverwanten of politieke partijen, of kerkelijke instellingen, c.q. steun kan zoeken bij een geloofsgemeenschap in Noord-Irak. Met betrekking tot de Patriottische Unie van

Koerdisten (PUK) en de Koerdistaanse Democratische Partij (KDP) wordt vermeld, dat zij waar mogelijk de grote groepen ontheemden zo goed mogelijk proberen te helpen, doch dat hun financiële mogelijkheden beperkt zijn en moeilijk

integreerbare ontheemden derhalve hoofdzakelijk zijn aangewezen op internationale bijstand. Laatstgenoemde passages zijn eerder te lezen als een bevestiging van het door de rechtbank in de uitspraak van 20 maart 2000 gegeven

oordeel, dan van het in de brief van 13 juli 2000 door verweerder ingenomen standpunt.

Verder bevat het ambtsbericht de volgende passages:

"Het is uiteraard niet mogelijk in individuele gevallen de sociaal-economische of humanitaire omstandigheden in geval van (her)vestiging in Noord-Irak te bepalen op basis van generalisaties (zoals het al dan niet behoren tot een

bepaalde etnische of religieuze groep)." (p. 90),

en:

"Het is in het algemeen moeilijk om een goed kwantitatief beeld te krijgen van de ontheemden in Noord-Irak. Schattingen op basis van cijfers van verschillende bronnen variëren van 100.000 tot ruim een half miljoen." (p. 91-92).

Vervolgens wordt in de pagina's 92 – 94 een zevental categorieën ontheemden beschreven. Behoudens de (voornamelijk Koerdische) "slachtoffers van de Anfal-campagne" en de "slachtoffers van de arabiseringspolitiek" (Koerden, Turkmenen

en mogelijk Assyriërs) worden categorieën ontheemden beschreven die niet uit Centraal-Irak maar in het algemeen uit andere delen van Noord-Irak afkomstig zijn.

Van de categorie "overigen" wordt opgemerkt:

"Naast de zes hiervoor genoemde categorieën is er een groep ontheemden die niet tot een specifieke groep behoren. Het betreft voor een groot deel uit Centraal-Irak afkomstige personen die om uiteenlopende persoonlijke, politieke,

economische of andere redenen al dan niet op vrijwillige basis naar Noord-Irak zijn uitgeweken. Deze groep laat zich niet duidelijk categoriseren en kwantificeren."

29. Uit het ambtsbericht valt af te leiden dat de sociaal-economische situatie in Noord-Irak in gunstige zin afsteekt bij die in Centraal-Irak en dat de omstandigheden zich in de loop van 1999 gunstig ontwikkeld hebben, maar

eveneens dat de algehele economische situatie niet als zonder meer gunstig voor alle lagen van de bevolking bestempeld kan worden. In dat verband wordt in het ambtsbericht aangegeven dat er geen sprake is van evenredige welvaarts-

of inkomensverdeling en dat de gemiddelde levensstandaard gemiddeld niet erg hoog is.

Waar het ambtsbericht spreekt over de positie van ontheemden, geschiedt dit in bewoordingen die op zijn minst twijfel laten bestaan ten aanzien van de vraag of al deze personen toegang hebben tot essentiële basisvoorzieningen als

voedsel, onderdak en gezondheidszorg en of zij daarmee een menswaardig bestaan kunnen leiden in Noord-Irak. Zo vermeldt het ambtsbericht met betrekking tot onderdak voor ontheemden dat in beginsel voor alle ontheemden in onderdak

wordt voorzien, hetgeen betekent dat niet zonder meer aangenomen kan worden dat alle ontheemden onderdak kunnen krijgen. In steden leven kinderen uit ontheemde gezinnen soms noodgedwongen als straatkinderen. Ten aanzien van de

voedselvoorziening meldt het ambtsbericht enkel dat er in Noord-Irak geen sprake is van acute ondervoeding en dat de voedselvoorziening, mede dankzij de programma's en de projecten van VN-organisaties en ngo's, ook voor ontheemden

voldoende te noemen is.

Voor wat betreft de gezondheidszorg geeft het ambtsbericht aan dat ontheemden net als de lokale bevolking in toenemende mate toegang hebben tot de gezondheidszorg. Daaruit valt dus niet af te leiden dat alle ontheemden daartoe

toegang hebben.

30. Ook wanneer daarbij de steun in aanmerking wordt genomen die internationale hulporganisaties bij (her)vestiging in Noord-Irak in sommige opzichten kunnen bieden, geeft de beschrijving van de feitelijke verhoudingen in

Noord-Irak, met name ten aanzien van uit Centraal Irak afkomstige ontheemden zonder familie-, gemeenschaps- of politieke banden, derhalve onvoldoende inzicht in de mogelijkheden voor die categorie ontheemden om in Noord-Irak een

menswaardig bestaan te leiden. Verweerders oordeel dat banden niet noodzakelijk zijn voor het kunnen tegenwerpen van een vestigingsalternatief aan uit Centraal-Irak afkomstige personen, wordt daarom, ook bij marginale toetsing,

onvoldoende gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde feitelijke beschrijving in het meest recente ambtsbericht. Voor zover aan uit Centraal-Irak afkomstige vreemdelingen een binnenlands vestigingsalternatief ook wordt

tegengeworpen bij het ontbreken van (familie-, gemeenschaps- of politieke) banden met Noord-Irak, is het beleid kennelijk onredelijk.

31. Tussen partijen is niet in geschil, dat niet is gebleken dat eiser in Noord-Irak over familie- of politieke banden beschikt. Subsidiair heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld, dat eiser daar wel

over christelijke gemeenschapsbanden beschikt. Daartoe heeft verweerder een beroep gedaan op de passages in het ambtsbericht waarin de aanwezigheid van enkele honderdduizenden christenen in Noord-Irak wordt beschreven. Uit het

ambtsbericht kan evenwel niet afgeleid worden, dat de christenen in Noord-Irak één homogene gemeenschap vormen die zonder onderscheid aan alle christenen steun geeft. Er is sprake van diverse grotere en kleinere groeperingen, elk

met een eigen signatuur. De informatie die in het ambtsbericht over die diverse gemeenschappen wordt gegeven, is erg divers. Op p. 5 van het ambtsbericht wordt er melding van gemaakt, dat er nauwelijks Armeniërs in Noord-Irak leven.

In een korte passage op p. 58 over de Armeens-apostolische kerk wordt slechts vermeld dat het aantal Armeense christenen in Noord-Irak naar schatting tweeduizend bedraagt. Over de plaatsen waar en de omstandigheden waarin deze

christenen leven geeft het ambtsbericht geen informatie, evenmin als over hun bereidheid en mogelijkheden om gemeenschapsleden uit Centraal-Irak te ondersteunen op een manier die hen in staat stelt een menswaardig bestaan te leiden

in Noord-Irak. Derhalve is verweerders subsidiaire standpunt onvoldoende gemotiveerd.

32. Van overige klemmende redenen van humanitaire aard die eiser aanspraak geven op verlening van een vergunning tot verblijf, is overigens niet gebleken.

33. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de weigering een vtv te verlenen, voor zover die is gebaseerd op de tegenwerping van een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak, onvoldoende is gemotiveerd, zodat het beroep in

zoverre gegrond moet worden verklaard. De bestreden beschikking zal gedeeltelijk worden vernietigd. Voorts zal worden bepaald dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beschikking dient te

nemen.

34. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser voor dit beroep gemaakte proceskosten.

35. Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Met betrekking tot de beschikking van 13 januari 2000

36. In deze beschikking heeft verweerder het bezwaar tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunningen tot verblijf ongegrond verklaard.

37. Gezien de hiervoor besproken beleidswijziging en de beoordeling daarvan door de rechtbank is de vvtv terecht ingetrokken. Aangezien het bij de vvtv-verlening en -beëindiging om een categoriale toelating gaat, is er in een

procedure tot intrekking of niet-verlenging van een vvtv geen plaats voor de beoordeling van individuele aspecten die aanspraak zouden kunnen geven op verlening van een (onvoorwaardelijke) vergunning tot verblijf, behoudens de in de

uitspraak van 4 augustus 2000, JV 2000 nr. 214 besproken procedurele complicatie, die in deze zaak niet aan de orde is, omdat de beschikkingen op bezwaar in de asielprocedure genomen zijn na de beleidswijziging.

38. Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

De Beslissing

De rechtbank:

Met betrekking tot de beschikking van 13 januari 1999:

verklaart het beroep gegrond voor zover het gericht is tegen het gedeelte van de beschikking dat er toe strekt aan eiser een vergunning tot verblijf te onthouden;

vernietigt dat gedeelte van de beschikking en draagt verweerder op voor het vernietigde gedeelte nieuwe beschikking te geven met inachtneming van deze uitspraak;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het betaalde griffierecht ad f 50,– aan eiser dient te vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad f 1.420,–, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Met betrekking tot de beschikking van 26 januari 2000:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. W.P.C.G. Derksen, A.W.M. van Hoof en J.J. Catsburg en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2000 in tegenwoordigheid van mr. A.S.W. Kroon als griffier.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 33e van de Vreemdelingenwet geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 19 december 2000