Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8842

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/8119, 99/8120
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2001/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/8119 VV

AWB 99/8120 V1

Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, verblijvende te Sri Lanka, verzoeker,

gemachtigde mr. R. Heringa, advocaat te Alkmaar,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker bezit de Srilankaanse nationaliteit en is vreemdeling in de zin van de Vw.

Verzoeker is op 30 augustus 1993 Nederland ingereisd. Op 6 september 1993 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 17 november 1994 heeft verweerder

de aanvraag van verzoeker om toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op de

aanvraag om een vergunning tot verblijf. Dit besluit is aan verzoeker bekendgemaakt op 1 december 1994.

Daarbij is verzoeker medegedeeld dat hij de behandeling van een eventueel bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Op 1 december 1994 heeft verzoeker tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Voorts heeft

verzoeker om een voorlopige voorziening verzocht, inhoudende dat het verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van verzoeker over te gaan, totdat op het bezwaarschrift zal zijn beslist. Bij uitspraak van 14

juli 1995, met als kenmerk AWB 94/6300 VRWET, heeft de president van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft op 29 februari 1996 een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf om klemmende redenen van humanitaire aard. Bij besluit van 28 februari 1997 heeft de korpschef van het district Weert van de

Politieregio Limburg-Noord afwijzend beslist op de aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf. Dit besluit is aan verzoeker bekend gemaakt op 11 maart 1997. Daarbij is verzoeker medegedeeld dat nog aan de hand van de

inhoud van een eventueel administratief beroepschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten. Op 27 maart 1997 heeft verzoeker administratief beroep ingesteld bij verweerder. Bij besluit van 8

september 1997 heeft verweerder het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij schrijven van 29 september 1997 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 22 april 1999, met als kenmerk AWB 97/9503

VRWET, heeft de rechtbank het beroepschrift ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 28 juni 1999 heeft verzoeker bij verweerder een verzoek tot heroverweging van het besluit van 8 september 1997 ingediend.

Verweerder heeft bij schrijven van 23 juli 1999 bericht dat verzoeker niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot verblijf. Dit

besluit is diezelfde dag aan verzoeker bekendgemaakt.

Op 11 augustus 1999 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.

Bij beschikking van 20 september 1999 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Dit besluit is diezelfde dag aan verzoeker bekendgemaakt. Daarbij is verzoeker medegedeeld dat hij Nederland onmiddellijk diende

te verlaten.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij schrijven van 21 september 1999 beroep ingesteld. Het beroepschrift is diezelfde dag ter griffie van de rechtbank ontvangen en staat geregistreerd onder nummer AWB 99/8120 V1.

Voorts heeft verzoeker op evengenoemde datum een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Op 26 januari 2000 is verzoeker door verweerder naar Sri Lanka teruggezonden.

Bij schrijven van 27 maart 2000 zijn de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening nader aangevuld en is het petitum gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht verweerder op te dragen verzoeker naar Nederland terug te

brengen en verweerder te verbieden hem uit Nederland te verwijderen. Voorts zijn diezelfde dag namens verzoeker de gronden van het beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het voornoemde verzoek en beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 18 april 2000, alwaar verzoeker niet is verschenen, doch zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten

vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. drs. M. van Driel, advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep ingesteld, de president

van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid van de Awb is bepaald dat de president onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak kan doen, indien het verzoek wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na

de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

In dit geding is de vraag aan de orde of het in beroep voorliggende besluit van 20 september 1999, waarbij het bezwaar van verzoeker tegen de weigering van verweerder om terug te komen op het besluit van 8 september 1997 ongegrond

is verklaard, in rechte stand kan houden.

Verzoeker heeft verweerder bij schrijven van 28 juni 1999 verzocht het op dat moment reeds onherroepelijk geworden besluit van 8 september 1997, waarbij verweerder aan verzoeker de door hem gevraagde vergunning tot verblijf heeft

onthouden, in heroverweging te nemen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die nopen tot heroverweging. Verzoeker heeft dienaangaande allereerst aangevoerd dat verweerder in zijn

besluit van 8 september 1997 heeft miskend dat verzoeker, door toepassing van het gelijkheidsbeginsel, op basis van het zogenoemde Nawijnbeleid in bezit van een vergunning tot verblijf had dienen te worden gesteld. Daarnaast heeft

verzoeker aangevoerd dat hem op grond van het driejarenbeleid een vergunning tot verblijf had behoren te worden verleend. Hiervoor is namens verzoeker aangevoerd dat de periode vanaf de eerste aanvraag van verzoeker in 1993 tot aan

13 maart 1997 is aan te merken als relevant

tijdsverloop. De uitspraak van de president van de rechtbank van 14 juli 1995 op het verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij tevens het bezwaarschrift ongegrond is verklaard, is een onjuiste uitspraak geweest waarvan

verzoeker ten onrechte het slachtoffer is geworden.

Namens verweerder is aangevoerd dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het zogenoemde Nawijnbeleid vanwege het feit dat hij vanaf 1988 tot aan zijn vertrek naar Nederland, in Colombo

heeft verbleven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen nu er geen sprake is van gelijke gevallen. Tenslotte faalt ook het beroep op het driejarenbeleid.

De president overweegt dienaangaande, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat, ingeval er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, een bestuursorgaan kan worden verzocht een besluit dat eerder in rechte is komen vast te staan, in heroverweging te nemen.

Onderkend moet worden dat het bestuursorgaan ter zake van een verzoek om terug te komen op een rechtens onaantastbaar besluit over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. De toepassing van deze bevoegdheid dient uiterst

marginaal te worden getoetst. Dit betekent dat de rechter een weigering terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit dient te eerbiedigen, tenzij er na het rechtens onaantastbare besluit nieuwe feiten en

omstandigheden bekend zijn geworden die het bestuursorgaan tot heroverweging van dat besluit hadden moeten nopen.

De president stelt vast dat de feiten en omstandigheden die in casu hebben geleid tot het indienen van een verzoek tot heroverweging primair zijn gelegen in een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Namens verzoeker is in de

onderhavige procedure zowel ten tijde van indiening van het verzoek tot heroverweging alsook bij bezwaar- en beroepschrift verwezen naar -zoals verzoeker stelt- gelijksoortige gevallen op basis waarvan verzoeker in het bezit dient

te worden gesteld van een vergunning tot verblijf. Verzoeker heeft hiertoe aangevoerd dat de aangehaalde gelijksoortige gevallen allen betrekking hebben op Srilankanen die, evenals verzoeker, afkomstig zijn uit Colombo, dan wel het

regeringsgebied, die in 1993 een asielverzoek hebben ingediend en die ondanks het feit dat ze strikt genomen niet onder het Nawijnbeleid vallen, in het bezit zijn gesteld van de Nawijn-status. De president overweegt dienaangaande

dat, wat er ook zij van de door verzoeker gestelde gelijksoortigheid van de overgelegde gevallen, in de door verzoeker overgelegde (delen van) dossiers sprake is van vergunningen tot verblijf die allen vóór 3 augustus 1996 zijn

verleend. Het betreft mitsdien zaken die reeds ten tijde van de eerder door verzoeker gevoerde procedures kenbaar waren en die verzoeker destijds om wat voor reden dan ook geen aanleiding hebben gegeven tot het doen van een beroep

op het gelijkheidsbeginsel. Dit brengt de president tot het oordeel dat er thans geen sprake is van nova. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de president in het thans voorliggende beroep op het

gelijkheidsbeginsel geen aanleiding hoeven zien om op zijn eerdere besluit terug te komen en het verzoek tot heroverweging te honoreren.

Namens verzoeker is subsidiair een beroep gedaan op het driejarenbeleid.

De president overweegt dienaangaande dat de rechtbank, bij uitspraak van 22 april 1999, expliciet heeft geoordeeld over de aanspraak van verzoeker op het driejarenbeleid. In voornoemde uitspraak is gemotiveerd overwogen dat tussen

partijen niet in geschil is dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op basis van het zogenoemde driejarenbeleid. Met deze uitspraak is verweerders besluit van 8 september 1997 onherroepelijk geworden.

Gelet op het feit dat in casu niet is gebleken van feiten en omstandigheden die eerst na het

rechtens onaantastbaar geworden besluit bekend zijn geworden, heeft verweerder naar het oordeel van de president ook in het beroep van verzoeker op het driejarenbeleid geen aanleiding hoeven zien zijn besluit van 8 september 1997 te

heroverwegen. Dat verzoeker in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 22 april 1999 heeft verzuimd een beroep te doen op het driejarenbeleid is een omstandigheid die voor zijn rekening dient te blijven. Deze

omstandigheid kan niet gelden als novum.

De namens verzoeker naar voren gebrachte stelling dat in casu de hoorplicht is geschonden aangezien hij in bezwaar niet in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt tijdens een hoorzitting toe te lichten, verwerpt de president.

Dienaangaande wordt overwogen dat aangezien aan het bezwaar geen schorsende werking was onthouden er gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid van de Vw geen verplichting tot horen door de ambtelijke commissie bestond. De

president heeft ook overigens geen aanleiding gevonden te concluderen dat de zorgvuldigheid verweerder, ondanks het bepaalde in artikel 32, tweede lid van de Vw, tot horen had moeten doen besluiten.

Tenslotte is in casu gesteld noch gebleken dat verweerder anderszins heeft gehandeld in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het onderhavige beroep ongegrond is.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de president niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De president,

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gedaan door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden als president in tegenwoordigheid van mr. D. van Beurden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2000.

Afschriften verzonden: 11 september 2000

LB