Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8840

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
AWB 99/2453
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te 's-Hertogenbosch

Sector Bestuursrecht

--------------------------------

Uitspraak

--------------------------------

AWB 99/2453 VV

Uitspraak van de president op het verzoek ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen:

A, verzoeker en B, verzoekster, mede ten

behoeve van hun twee minderjarige dochters, verblijvende te C, tezamen te noemen verzoekers,

gemachtigde mr. J.A. Tegenbosch, advocaat te Eindhoven,

en

de Staatssecretaris van Justitie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker is statenloos en verzoekster bezit de Iraakse nationaliteit.

Op 29 juli 1997 hebben verzoekers aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij afzonderlijke besluiten van 20 april 1998 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers om

toelating als vluchteling op grond van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw niet ingewilligd wegens

kennelijke ongegrondheid ervan. Tevens heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvragen om een vergunning tot verblijf. Wel heeft verweerder aan verzoekers een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend met ingang van 29

juli 1997. Op 19 mei 1998 is namens verzoekers tegen voornoemde negatieve besluiten op hun

toelatingsaanvragen bij verweerder bezwaar gemaakt. Bij afzonderlijke besluiten van 1 september 1998 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard. Op 25 september 1998 hebben verzoekers tegen deze besluiten beroep

ingesteld. Bij uitspraak van 28 maart 2000 (AWB 98/7472 VRWET) heeft deze rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, het beroep ongegrond verklaard.

Bij besluiten van 2 maart 1999 heeft verweerder de aan verzoekers verleende voorwaardelijke vergunningen tot verblijf (vvtv) ingetrokken.

Op 29 maart 1999 hebben verzoekers bij verweerder tegen voornoemde besluiten bezwaar gemaakt. Op diezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening, inhoudende dat het verweerder wordt verboden tot verwijdering van verzoekers

over te gaan totdat op hun bezwaar zal zijn beslist.

Verweerder heeft naar aanleiding van voornoemd verzoek de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 september 2000, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verzoekster is niet verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. K. de Vey Mestdagh, advocaat te 's-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de

president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In dit geschil dient de president te beoordelen of hangende het bezwaar tegen verweerders besluiten van 2 maart 1999, waarbij de aan verzoekers verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken, uitzetting achterwege

moet worden gelaten. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is dit het geval indien er aanleiding bestaat aan te nemen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Voorts dient te worden bekeken of

uitzetting hangende het bezwaar anderszins in strijd is met rechtsregels.

Verweerder heeft aangegeven dat de verleende voorwaardelijke vergunningen tot verblijf zijn ingetrokken omdat de beletselen voor uitzetting naar Noord-Irak zijn opgeheven. Daarbij is verwezen naar de brief van de Staatssecretaris

van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 20 november 1998 (TK 1998-1999, 19 637, nr. 395) waaruit blijkt dat Iraakse asielzoekers, gelet op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 maart en 13

november 1998, niet langer in aanmerking komen voor een voorwaardelijke vergunning tot verblijf.

De president stelt voorop dat verzoekers afkomstig zijn uit Souk Al Sheyouk in de provincie Dhiqar in Centraal-Irak en overweegt als volgt.

In haar uitspraken van 13 september 1999 (AWB 99/3380 en AWB 99/4335 VRWET) heeft de Rechtseenheidskamer met betrekking tot de beëindiging van het vvtv-beleid per 20 november 1998 vanwege een

vestigingsalternatief in Noord-Irak geoordeeld dat verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de algehele situatie aldaar niet zodanig is dat gedwongen verwijdering van afgewezen asielzoekers naar Noord-Irak

van bijzondere hardheid moet worden geacht, nu er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de veiligheidssituatie zodanig is dat geen enkele asielzoeker naar Noord- Irak kan terugkeren. De Rechtseenheidskamer heeft in die

uitspraken

verweerders standpunt geaccepteerd, dat Noord-Irak voor bepaalde groepen Irakezen kan gelden als vestigingsalternatief. Ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak en die geen bestaande familie-, gemeenschaps- of

politieke banden hebben in Noord-Irak, is evenwel overwogen dat niet zonder nadere motivering kan worden aangenomen dat zij zich in Noord-Irak kunnen vestigen. In haar uitspraken van 20 maart 2000 (AWB 99/11794, AWB 99/11805 en AWB

99/11807 VRWET) heeft de Rechtseenheidskamer nogmaals gesteld dat uit de brieven van de UNHCR van 11 september 1998 en van 14 juni 1999 volgt dat een uit Centraal-Irak afkomstige (afgewezen) asielzoeker slechts dan geacht kan worden

een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak te hebben, als hij daar over voornoemde banden beschikt.

Door verweerder is in deze procedure verwezen naar de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer van 13 juli 2000. In deze brief wordt medegedeeld dat Noord-Irak in zijn algemeenheid als veilig

verblijfsalternatief kan worden tegengeworpen aan Iraakse asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak. Hetzelfde geldt voor Iraakse asielzoekers uit Centraal-Irak, die niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voor vervolging in de zin van

het Verdrag hebben te vrezen en evenmin aannemelijk hebben gemaakt dat zij aan een behandeling als verboden bij artikel 3 EVRM zullen worden onderworpen. Het al dan niet hebben van familie-, politieke of gemeenschapsbanden met

Noord-Irak wordt in dit kader niet relevant geacht.

Verweerder is van mening dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken kan worden afgeleid dat afgewezen asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, behoudens bepaalde risico-groepen, bij het ontbreken van voornoemde

banden niet in een noodsituatie terecht zullen komen. Uit het ambtsbericht van 12 april 2000 volgt immers dat sprake is van een verbeterde sociaal-economische situatie, waarbij de noodzakelijke basisvoorzieningen meer dan voorheen

voor een ieder aanwezig en toegankelijk zijn. Het feit dat sociale integratie in Noord- Irak voor diegenen die geen familie-, gemeenschaps- of politieke banden met die regio hebben in een voorkomend geval moeilijker zal verlopen dan

voor diegenen die wel dergelijke banden hebben, is in de optiek van verweerder niet relevant voor de beantwoording van de vraag of de desbetreffende regio als vestigingsalternatief van aanvaardbare kwaliteit kan gelden.

Alhoewel het ambtsbericht van april 2000 naar het voorlopig oordeel van de president een ander beeld te zien geeft van de situatie in Noord-Irak dan de eerder genoemde ambtsberichten van 31 maart en 13 november 1998, is de president

vooralsnog van oordeel dat dit niet zodanig is dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat mensen afkomstig uit Centraal-Irak zonder meer kunnen terugkeren naar Noord- Irak. De president ziet tot op heden geen

aanleiding anders te oordelen dan de Rechtseenheidskamer in haar uitspraken van 20 maart 2000 heeft gedaan en is vooralsnog van oordeel dat verweerder voor het antwoord op de vraag of verzoekers zich in Noord-Irak kunnen vestigen

nader dient te motiveren dat zij daartoe geen familie-, gemeenschaps-, of politieke banden met Noord-Irak nodig hebben. Voorts is daarbij van belang dat

verzoeker statenloos is en tijdens zijn verblijf in Irak door de autoriteiten enkel is gedoogd. Zijn huwelijk met verzoekster, die wel de Iraakse nationaliteit bezit, is nimmer erkend, terwijl ook de kinderen van verzoekers

statenloos zijn.

Gelet op deze omstandigheden dient verweerder overigens bovendien bijzondere aandacht te besteden aan de vraag of de feitelijke toegang tot (Noord-)Irak voor verzoeker en zijn kinderen wel is gewaarborgd.

Het vorenstaande inachtnemend, is de president van oordeel dat niet reeds op voorhand kan worden gesteld dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige

voorziening zal dan ook worden toegewezen, in dier voege dat het verweerder wordt verboden om tot verzoekers uit Nederland te verwijderen zolang nog niet op hun bezwaar is beslist.

De president ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 33b van de Vw.

De president acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de

daarbij behorende bijlage begroot op in totaal f 1.420,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

* 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

* waarde per punt f 710,--;

* wegingsfactor 1.

Tevens zal de president bepalen dat door verweerder aan verzoekers het door hen gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De president,

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb toe;

veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten, vastgesteld op f 1.420,- te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier;

gelast de Staat der Nederlanden aan verzoeker te vergoeden het door hen gestorte griffierecht ad f 225,-.

Aldus gedaan door mr. A. Stehouwer als president in tegenwoordigheid van mr. D.M. Manie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 september 2000.

Afschriften verzonden: 25 september 2000

TH